Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:1216

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
07-04-2020
Datum publicatie
11-05-2020
Zaaknummer
200.263.831/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek van de moeder tot verlenen van vervangende toestemming voor een vakantie (zomervakantie 2019), die reeds in het verleden ligt. Naar het oordeel van het hof heeft de moeder geen rechtens te respecteren procesbelang bij een beoordeling van haar verzoek in hoger beroep.

Bekrachtiging bestreden beschikking ten aanzien van het verzoek van de vader tot verlenen van vervangende toestemming voor inschrijving op een basisschool.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Zaaknummer: 200.263.831/01

Zaaknummer rechtbank: C/13/664377 / FA RK 19-2055 (HH NS)

Beschikking van de meervoudige kamer van 7 april 2020 inzake

[de vrouw] ,

wonende te [plaats A] ,

verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. R.H. Wormhoudt te Amsterdam,

en

[de man] ,

wonende te [plaats A] ,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. C.J. Avis-Knuit te Hoofddorp.

In zijn adviserende taak is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

gevestigd te Den Haag,

locatie Amsterdam,

hierna te noemen: de raad.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 15 mei 2019, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

De vrouw is op 5 augustus 2019 in hoger beroep gekomen van voornoemde beschikking van 15 mei 2019.

2.2

De man heeft op 18 september 2019 een verweerschrift ingediend.

2.3

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

- een journaalbericht van de zijde van de vrouw met bijlagen, ingekomen op 20 augustus 2019;

- een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 31 december 2019 met bijlagen.

2.4

De mondelinge behandeling heeft op 13 januari 2020 plaatsgevonden. Verschenen zijn:

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat,

- de man, bijgestaan door zijn advocaat,

- de raad, vertegenwoordigd door mevrouw S. Benjamin.

3 De feiten

3.1

Partijen zijn met elkaar gehuwd te [plaats B] (Egypte) [in] 2008. Partijen hebben zowel de Egyptische als de Nederlandse nationaliteit.

3.2

Partijen zijn de ouders van:

- [kind 1] (hierna te noemen: [kind 1] ), geboren [in] 2010;

- [kind 2] (hierna te noemen: [kind 2] ), geboren [in] 2015 (hierna gezamenlijk te noemen: de kinderen).

Partijen zijn gezamenlijk belast met het gezag over de kinderen. De kinderen hebben hun hoofdverblijf bij de vrouw.

3.3

Bij beschikking van de rechtbank Amsterdam van 23 juli 2018 is het verzoek van de vrouw te bepalen dat de man de paspoorten van de kinderen aan haar dient af te geven, alsmede vervangende toestemming te verlenen om met de kinderen in de periode van 1 augustus 2018 tot en met 3 september 2018 op vakantie te gaan naar Egypte afgewezen.

3.4

Op 2 augustus 2018 is de echtscheidingsprocedure aangevangen.

3.5

Bij vonnis in kort geding van 11 juli 2019 heeft de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam bepaald dat de kinderen de eerste week van de (school)zomervakantie 2019 bij de vrouw verblijven en de daaropvolgende weken afwisselend bij de man en de vrouw, waarbij is overwogen dat als de vrouw (nog) in Egypte verblijft de kinderen bij de man zullen verblijven.

3.6

Volgens mededeling van partijen ter zitting in hoger beroep, is bij beschikking van de rechtbank Amsterdam van 27 november 2019 de echtscheiding uitgesproken en een zorgregeling tussen de man en de kinderen vastgesteld, waarbij de kinderen eenmaal per veertien dagen van vrijdag uit school/opvang tot maandag naar school/opvang bij de man verblijven, alsmede een middag met nacht op een vaste dag in de week dat de kinderen in het weekeinde niet bij de man verblijven, waarbij de man de kinderen haalt en brengt naar school en de opvang, alsmede de helft van de vakanties en feestdagen.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking zijn de verzoeken van de vrouw tot afgifte van de paspoorten van de kinderen door de man en het verlenen van toestemming aan haar om met de kinderen in de zomervakantie van 3 augustus 2019 tot 24 augustus 2019 naar Egypte te reizen afgewezen. Daarnaast is aan de man vervangende toestemming verleend om [kind 2] op basisschool [de basisschool] te [plaats A] in te schrijven.

4.2

De vrouw verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, te bepalen dat de beslissing om de man niet gehouden te achten de paspoorten van de kinderen aan de vrouw af te geven en geen vervangende toestemming te verlenen aan de vrouw om samen met de kinderen van 3 tot 24 augustus 2019 naar Egypte te reizen niet gerechtvaardigd dient te worden geacht en het verzoek van de man vervangende toestemming te verlenen om [kind 2] in te schrijven op basisschool [de basisschool] te [plaats A] alsnog af te wijzen.

4.3

De man verzoekt de verzoeken van de vrouw af te wijzen en - naar het hof begrijpt - de bestreden beschikking te bekrachtigen. De man verzoekt tevens de vrouw te veroordelen tot het betalen de van de procedurekosten van de man.

5 De motivering van de beslissing

5.1

De onderhavige procedure betreft een geschil tussen de ouders betreffende de uitoefening van het gezamenlijk gezag. Ingevolge artikel 1:253a lid 1 Burgerlijk Wetboek dient het hof een zodanige beslissing te nemen als in het belang van het kind wenselijk is. Daarbij geldt dat, hoezeer het belang van het kind een overweging van de eerste orde dient te zijn bij de te verrichten belangenafweging, andere belangen zwaarder kunnen wegen. Het hof zal bij zijn beslissing daarom alle omstandigheden van het geval in acht dienen te nemen.

Vervangende toestemming vakantie Egypte

5.2

De vrouw stelt dat de rechtbank ten onrechte haar verzoek tot vervangende toestemming om met de kinderen in de zomervakantie van 3 tot 24 augustus 2019 naar Egypte te mogen reizen, heeft afgewezen. Hoewel de zomervakantie 2019 al ruimschoots verstreken is, meent zij dat zij rechtsbelang heeft bij een oordeel van het hof, omdat de rechtbank een onjuiste beslissing heeft genomen en onjuiste overwegingen aan de beschikking ten grondslag heeft gelegd. Als het hof zou oordelen dat de beschikking van de rechtbank niet op zijn plaats is geweest, kan in de toekomst niet zonder meer uitgegaan worden van de juistheid van deze beschikking of deze aan de vrouw worden tegengeworpen. De vrouw is bang dat de man haar tot in lengte van dagen zal beletten met de kinderen naar het buitenland te reizen.

5.3

De man geeft aan niet te begrijpen waarom de vrouw deze procedure thans (nog) wil voeren, aangezien de zomervakantie reeds geëindigd is. Hij voert voorts aan dat hij nog altijd een reële vrees heeft dat, als de vrouw toestemming krijgt om paspoorten voor de kinderen te ontvangen en met de kinderen te reizen, zij uit Nederland zal vertrekken om vervolgens niet meer met de kinderen terug te keren naar Nederland.

5.4

Het hof overweegt als volgt. Het verzoek van de vrouw richt zich op het doen verlenen van vervangende toestemming voor een vakantie (zomervakantie 2019), die reeds in het verleden ligt. Naar het oordeel van het hof heeft de moeder geen rechtens te respecteren procesbelang bij een beoordeling van haar verzoek in hoger beroep. Het gaat in dit geval om een andere situatie en een andere toetsing dan in gevallen die hebben geleid tot jurisprudentie over – bijvoorbeeld – de rechtmatigheid van een jeugdbeschermingsmaatregel waarvan de geldigheidsduur inmiddels is verstreken (vgl. HR 24 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ2292, NJ 2011/390, en HR 14 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR5151, NJ 2011/596) of van een reeds ingetrokken schriftelijke aanwijzing (vgl. HR 25 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV9538) waarbij het gaat om inbreuk van het recht op ‘family life’ door de overheid. In het onderhavige geval dient bij de beantwoording van de vraag of de vrouw nog een procesbelang heeft aansluiting te worden gezocht bij jurisprudentie die ziet op de beoordeling van een omgangsregeling voor een periode die inmiddels al is verstreken (vgl. HR 14 februari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF1309).

Daarbij komt dat - mocht de door de vrouw beoogde toetsing al mogelijk zijn geweest – die toetsing zou hebben plaatsgevonden op basis van de feiten en omstandigheden zoals die golden tot 24 augustus 2019 en niet op basis van de huidige situatie, zoals de vrouw lijkt te beogen.

Het argument van de vrouw dat de beslissing van de rechtbank ook bij toekomstige verzoeken om toestemming in haar nadeel kan werken, levert – wat er ook van zij van de juistheid daarvan - onvoldoende belang op om de beslissing van de rechtbank ook achteraf nog te kunnen toetsen. Het hof zal het verzoek van de moeder dan ook afwijzen.

Vervangende toestemming voor inschrijving [kind 2] op basisschool [de basisschool]

5.5

De vrouw stelt dat de bestreden beschikking onvoldoende met redenen is omkleed voor zover deze ziet op de toewijzing van het verzoek van de man tot het verlenen van vervangende toestemming voor de inschrijving van [kind 2] op de basisschool [de basisschool] . Haar praktische bezwaren met betrekking tot het gelijktijdig naar school brengen van twee kinderen naar twee verschillende scholen zijn immers onbesproken gelaten.

Ook deze beslissing is al tenuitvoergelegd, maar de vrouw meent dat zij nog een procesbelang heeft. Indien het hof zou oordelen dat de rechtbank ten onrechte vervangende toestemming heeft verleend aan de man, dient alsnog werk te worden gemaakt van inschrijving van [kind 2] op een andere school. Zij zou graag [kind 2] op dezelfde school als [kind 1] , te weten [de internationale school] , willen inschrijven. Omdat zij na september 2019 (deels) in haar eigen levensonderhoud kan voorzien, heeft de man meer financiële mogelijkheden om de kosten van de school van [kind 2] te betalen. De vrouw is op dit moment niet in staat zelf een bijdrage te leveren aan de schoolkosten van de kinderen, aldus de vrouw.

5.6

De man is van mening dat beide kinderen op hun huidige school moeten blijven, omdat zij daar nu gewend zijn. Volgens de man is het niet wenselijk dat [kind 2] alsnog naar dezelfde internationale school als [kind 1] zal gaan, gelet op het niveau van de Nederlandse les op [de internationale school] . Partijen hebben destijds gekozen voor deze school voor [kind 1] , omdat zij voornemens waren een aantal jaren in het buitenland te gaan wonen als gezin. Maar nu dat niet langer het geval is, vindt de man het belangrijk dat er meer aandacht wordt besteed aan de Nederlandse taal. [kind 2] krijgt op de basisschool [de basisschool] 50% Nederlandse les. [kind 1] krijgt weliswaar intensief Nederlandse les, maar haar Nederlands is niet zo goed in vergelijking met haar leeftijdsgenoten, omdat er over het algemeen toch onderling Engels wordt gesproken. Bovendien stelt de man dat hij niet in staat is om de kosten van [de internationale school] van € 5.500,- per jaar ook voor [kind 2] te voldoen. Met veel moeite heeft hij het schoolgeld van [kind 1] voor dit jaar kunnen betalen.

Ook voor [kind 1] acht de man het belangrijk dat zij op haar huidige school kan blijven, omdat zij momenteel in groep 7 zit, wat een belangrijk jaar is in verband met de toetsen. Bovendien heeft zij last van de echtscheiding gehad en heeft zij intensief contact met een counselor van de school.

De man wijst er voorts op dat het wel degelijk haalbaar is om beide kinderen op tijd naar school te brengen, omdat [kind 1] om 8.15 uur naar school gebracht kan worden en [kind 2] om 8.45 uur.

5.7

Het hof is van oordeel dat de vrouw een rechtens te respecteren procesbelang heeft bij de beoordeling in hoger beroep van de (verzochte/verleende) vervangende toestemming voor inschrijving van [kind 2] op de basisschool [de basisschool] , ook al is [kind 2] inmiddels op deze school gestart.

Het hof overweegt als volgt. Hoewel het hof begrijpt dat er praktische bezwaren bestaan tegen het wegbrengen van twee kinderen naar twee verschillende scholen, stelt het hof vast dat er op dit moment geen redelijk en haalbaar alternatief is. Vaststaat immers dat geen van partijen de kosten voor [de internationale school] kan financieren voor [kind 2] . Het hof acht het in het belang van de kinderen dat er gedurende het lopende schooljaar geen schoolwisseling zal plaatsvinden. Het schoolgeld van [kind 1] is inmiddels voldaan voor dit schooljaar en ook [kind 2] is gewend op de basisschool [de basisschool] . Het hof zal daarom de bestreden beschikking bekrachtigen.

Voor het volgende schooljaar kan dat anders komen te liggen als de vrouw mogelijk in staat is een bijdrage te leveren aan de schoolkosten van de kinderen. Partijen zullen daarover met elkaar in overleg moeten treden.

Proceskosten

5.8

De man verzoekt de vrouw te veroordelen in de kosten van deze procedure. Hij stelt daartoe dat de vrouw procedeert op basis van gesubsidieerde rechtsbijstand, terwijl hij die mogelijkheid niet heeft. Over dezelfde kwestie is al drie keer eerder een oordeel door de rechter geveld in het nadeel van de vrouw. De zomervakantie is inmiddels geëindigd en de eerste schooldag was 26 augustus 2019. Naar mening van de man procedeert de vrouw nodeloos.

5.9

Het hof ziet, gelet op de aard van de procedure, geen aanleiding om af te wijken van het uitgangspunt in familiezaken dat elk van partijen de eigen kosten draagt. Het hof zal dit verzoek van de man dan ook afwijzen.

6 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af;

compenseert de proceskosten in hoger beroep, aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.N. van de Beek, mr. C.E. Buitendijk en mr. M. Fiege, in tegenwoordigheid van de griffier en is op 7 april 2020 in het openbaar uitgesproken door mr. M.T. Hoogland.