Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:1195

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
28-04-2020
Datum publicatie
08-05-2020
Zaaknummer
200.247.352/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Effectenlease. Beroep op vernietiging ex art. 1:88/89 BW. Bewijsvermoeden en/of-rekening weerlegd. Bewijsopdracht Dexia.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.247.352/01

zaak- en rolnummer rechtbank Noord-Holland : 6389090 CV EXPL 17-9238

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 28 april 2020

inzake

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

advocaat: mr. J.B. Maliepaard te Rotterdam,

tegen

DEXIA NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde,

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellant] en Dexia genoemd.

[appellant] is bij dagvaarding van 6 september 2018 in hoger beroep gekomen van de vonnissen van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland (hierna: de kantonrechter) van 11 april 2018 en 6 juni 2018 (hierna: respectievelijk het tussenvonnis en het eindvonnis), onder bovenvermeld zaak- en rolnummer gewezen tussen [appellant] als eiser in conventie, tevens verweerder in reconventie en Dexia als gedaagde in conventie, tevens eiseres in reconventie.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met producties;

- memorie van antwoord;

- akte zijdens [appellant] , met één productie;

- antwoordakte zijdens Dexia.

Ten slotte is arrest gevraagd.

[appellant] heeft geconcludeerd dat het hof de bestreden vonnissen zal vernietigen en - uitvoerbaar bij voorraad - alsnog zijn vorderingen zal toewijzen, met veroordeling van Dexia in de kosten van het geding in beide instanties, met nakosten.

Dexia heeft geconcludeerd tot bekrachtiging, met - uitvoerbaar bij voorraad - veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, met nakosten en rente.

[appellant] heeft in hoger beroep bewijs van zijn stellingen aangeboden.

2 Feiten

De kantonrechter heeft in het tussenvonnis onder a. tot en met g. de feiten vastgesteld die hij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist zijn komen vast te staan, komen de feiten neer op het volgende.

2.1

[appellant] heeft twee leaseovereenkomsten ondertekend waarop hij als lessee staat vermeld, met Dexia als wederpartij: Spaarleasen van 4 oktober 1995 met contractnummer [nummer] en Feestplan II van 12 mei 1998 met contractnummer [nummer] (hierna gezamenlijk: de leaseovereenkomsten, en afzonderlijk: leaseovereenkomst I en leaseovereenkomst II).

2.2

Bij dagvaarding van 13 maart 2003 heeft Stichting Eegalease een collectieve vordering ingesteld.

2.3

De leaseovereenkomsten zijn op verzoek van [appellant] op 29 oktober 2004 tussentijds beëindigd. Leaseovereenkomst I is met een positief resultaat van € 6.353,05 geëindigd en leaseovereenkomst II met een restschuld van € 4.116,11. De restschuld van leaseovereenkomst II van € 4.116,11 is verrekend met het positieve resultaat van leaseovereenkomst I van € 6.353,05. Het verschil, € 2.236,94, heeft [appellant] van Dexia ontvangen.

2.4

Ten tijde van het sluiten van leaseovereenkomst II was [appellant] gehuwd met [X] (hierna: [X] ).

2.5

Bij brief van 20 april 2007 heeft de gemachtigde van [appellant] Dexia in gebreke gesteld en gesommeerd tot terugbetaling over te gaan.

2.6

Bij brief van 2 mei 2007 heeft [X] op grond van art. 1:88 lid 1 sub d en 89 BW de nietigheid van leaseovereenkomst II ingeroepen omdat zij voor het aangaan daarvan door [appellant] geen toestemming heeft verleend.

2.7

In 2012 heeft Dexia een bedrag van € 2.093,61 aan [appellant] gerestitueerd: € 1.528,38 (twee derde deel van € 2.292,45 (de restschuld van € 4.116,11 verminderd met het batig saldo van € 1.823,66 uit leaseovereenkomst I)), vermeerderd met € 565,23 wettelijke rente.

2.8

De gemachtigde van [appellant] heeft tijdig een opt out-verklaring uitgebracht, zodat de WCAM-overeenkomst hem niet bindt.

3 Beoordeling

3.1

De leaseovereenkomsten moeten worden aangemerkt als overeenkomsten van koop op afbetaling (huurkoop) in de zin van art. 1:88 lid 1 aanhef en onder d BW. [X] is op grond van art. 1:89 lid 1 BW bevoegd leaseovereenkomst II te vernietigen, omdat zij voor het aangaan daarvan door [appellant] geen schriftelijke toestemming heeft gegeven.

3.2

Uit art. 3:52 lid 1 aanhef en onder d BW in samenhang met art. 1:89 lid 1 BW volgt dat de rechtsvordering tot vernietiging van een overeenkomst wegens het ontbreken van de krachtens art. 1:88 BW vereiste toestemming verjaart na drie jaren gerekend vanaf het moment waarop deze bevoegdheid tot vernietiging aan de echtgenoot van wie de toestemming was vereist, ten dienste is komen te staan. Ingevolge art. 3:52 lid 2 BW kan na verjaring van de rechtsvordering tot vernietiging een overeenkomst niet meer op dezelfde vernietigingsgrond buitengerechtelijk worden vernietigd. De verjaringstermijn gaat lopen op het tijdstip waarop de betrokken echtgenoot daadwerkelijk bekend is geworden met het bestaan van de overeenkomst (vgl. Hoge Raad 10 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1866). Op degene die zich op verjaring beroept, in dit geval Dexia, rust de stelplicht, en bij voldoende betwisting, de bewijslast van de feiten en omstandigheden waaruit die bekendheid van de echtgenoot kan worden afgeleid.

3.3

In het tussenvonnis is de kantonrechter ervan uitgegaan dat de betalingen ter zake van leaseovereenkomst II hebben plaatsgevonden vanaf een en/of-rekening. Daartoe heeft de kantonrechter overwogen dat [appellant] weliswaar heeft gesteld dat hij de betalingen vanaf een eigen bankrekening verrichtte, maar dat hij tegen de uitdrukkelijke betwisting daarvan door Dexia daarvan géén nader bewijs heeft geleverd. Betalingen vanaf een en/of-rekening rechtvaardigen het (bewijs)vermoeden dat [X] vóór of op 13 maart 2000 kennis heeft gekregen van het bestaan van leaseovereenkomst II. Vervolgens heeft de kantonrechter [appellant] in de gelegenheid gesteld om tegen dit vermoeden tegenbewijs te leveren. [appellant] heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid tegenbewijs te leveren. De kantonrechter heeft in het eindvonnis geconcludeerd dat is komen vast te staan dat [X] vóór of op 13 maart 2000 kennis heeft gekregen van het bestaan van leaseovereenkomst II en dat dit betekent dat de bevoegdheid tot vernietiging was verjaard voordat bij dagvaarding van 13 maart 2003 de collectieve vordering door Stichting Eegalease werd ingesteld. De kantonrechter heeft de vorderingen in conventie afgewezen. De vorderingen in reconventie (ten aanzien van de leaseovereenkomsten) zijn toegewezen.

3.4

Tegen dit oordeel en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt [appellant] op met zijn grieven.

3.5

Met grief 1 betoogt [appellant] dat hij de betalingen ter zake van leaseovereenkomst II niet heeft verricht vanaf een en/of-rekening, maar vanaf zijn privérekening, tot welke rekening [X] niet was gemachtigd. Zij beschikte evenmin over een pinpas van die rekening. Zij maakte gebruik van een eigen privérekening. [appellant] stelt dat de kantonrechter ten onrechte heeft overwogen dat Dexia uitdrukkelijk heeft betwist dat [appellant] de betalingen vanaf een eigen bankrekening verrichtte. Dexia heeft enkel gesteld dat het gebruikelijk is dat een echtpaar een ‘en/of-rekening’ heeft en is ervan uitgegaan dat dit ook het geval is geweest bij [appellant] , aldus [appellant] .

De grief slaagt. In de onderhavige zaak stelt Dexia dat [appellant] zijn betalingen ter zake van leaseovereenkomst II heeft verricht vanaf een en/of-rekening. Bijgevolg rust op haar ter zake van die stelling ook de bewijslast. Nu [appellant] gemotiveerd heeft betwist dat hij de betalingen heeft verricht vanaf een en/of-rekening en Dexia terzake geen bewijs heeft aangeboden, is niet komen vast te staan dat de betalingen zijn verricht vanaf een en/of-rekening. Dat betekent dat geen (bewijs)vermoeden gebaseerd kan worden op betalingen vanaf een en/of-rekening. Nu Dexia geen andere feiten en omstandigheden heeft gesteld die het (bewijs)vermoeden dat [X] vóór 13 maart 2000 bekend was met leaseovereenkomst II kunnen dragen, is dat vermoeden hier niet gerechtvaardigd.

3.6

Dexia heeft getuigenbewijs aangeboden van haar (ook op andere wijze gemotiveerde) stelling dat [X] meer dan drie jaar vóór 13 maart 2003 met het bestaan van leaseovereenkomst II bekend is geworden. Het hof zal Dexia tot dat bewijs toelaten.

3.7

Het hof houdt iedere verdere beslissing aan. Het hof geeft partijen in overweging te bezien of zij ter voorkoming van verdere proceshandelingen, waaronder getuigenverhoren, en dus kosten een schikking kunnen bereiken.

4 Beslissing

Het hof:

laat Dexia toe tot het leveren van bewijs voor haar stelling dat [X] vóór 13 maart 2000 met het bestaan van leaseovereenkomst II bekend is geworden;

bepaalt dat als Dexia dit bewijs wenst te leveren door getuigen een getuigenverhoor zal plaatsvinden ten overstaan van het hierbij tot raadsheer-commissaris benoemde lid van het hof, mr. G.C.C. Lewin, in het Paleis van Justitie, IJdok 20 te Amsterdam, op een nader bepaalde dag en tijdstip;

verwijst de zaak naar de rol van 9 juni 2020 voor opgave door de advocaat van [appellant] van de verhinderdata van partijen, de voor te brengen getuigen en de raadslieden in de periode september 2020 tot en met december 2020;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. G.C.C. Lewin, M.P. van Achterberg en J.W.M. Tromp en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 28 april 2020.