Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:1148

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
24-03-2020
Datum publicatie
23-04-2020
Zaaknummer
23-002715-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontneming. Vernietiging vonnis met gedeeltelijke overneming van gronden. Vorderingen benadeelde partijen nog niet voldaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-002715-16

datum uitspraak: 24 maart 2020

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 30 juni 2016 op de vordering van het openbaar ministerie ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht in de ontnemingszaak met nummer 15-870556-15 tegen de betrokkene

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Italië) op [geboortedag] 1979,

adres: [adres].

Procesgang

Het openbaar ministerie heeft in eerste aanleg gevorderd dat aan de betrokkene de verplichting zal worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, geschat op een bedrag van € 24.091,88.

De betrokkene is bij vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 30 juni 2016 veroordeeld ter zake van – kort gezegd – het meermalen plegen van (poging tot) oplichting en diefstal (in vereniging) door middel van valse sleutels.

Voorts heeft de rechtbank Noord-Holland bij vonnis van 30 juni 2016 de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 12.810,23 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Namens de betrokkene is hoger beroep ingesteld tegen beide vonnissen.

Het voormelde vonnis in de strafzaak is bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van heden in hoger beroep grotendeels bevestigd.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 11 februari 2020 en 10 maart 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de betrokkene en de raadsman naar voren is gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere beslissingen komt

dan de rechtbank. Desalniettemin zal het hof een gedeelte van de gronden van het vonnis overnemen op de wijze zoals hierna omschreven.

Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat aan de betrokkene de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de Staat van € 9.720,84 ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Het hof verenigt zich met de overwegingen van de rechtbank op pagina’s 6 en 7 onder de kopjes 5.2 en 5.3 van het vonnis en maakt die tot de zijne, met dien verstande dat in de tabel op pagina’s 6 en 7 het geldbedrag dat verband houdt met zaakdossier 8 wordt geschrapt, in verband met de door het hof in de strafzaak gegeven vrijspraak ter zake van dat zaakdossier. Voorts worden de bedragen die staan vermeld bij zaakdossier 14 en 16 gehalveerd, nu het hof – in navolging van de rechtbank – in de strafzaak heeft bewezenverklaard dat de betrokkene die feiten heeft medegepleegd en het hof daarin aanleiding ziet het uit die feiten voortvloeiende voordeel pondspondsgewijs (50/50) tussen de betrokkene en haar mededader te verdelen. Derhalve heeft de betrokkene in zaakdossier 14 € 250 en in zaakdossier 16 € 625 aan wederrechtelijk verkregen voordeel genoten. Er is geen aanleiding om de in rechte toegekende vorderingen van de benadeelde partijen in mindering te brengen op de betalingsverplichting, nu die vorderingen nog niet zijn voldaan. Op het moment dat de betrokkene voldoet aan haar betalingsverplichtingen in het kader van die vorderingen, staat het haar vrij om op de voet van het nieuwe artikel 6:6:26, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering een verzoek tot vermindering van de opgelegde ontnemingsmaatregel te doen.

Op grond van het voorgaande wordt het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op € 14.805,13.

Verplichting tot betaling aan de Staat

Ter terechtzitting in hoger beroep van 11 februari 2020 heeft de verdediging bepleit dat op een eventueel op te leggen betalingsverplichting € 5.000 in mindering wordt gebracht in verband met de overschrijding van de redelijke termijn. De vordering van het openbaar ministerie dateert van 6 juni 2016. De rechtbank heeft op de vordering beslist op 30 juni 2016. Het hoger beroep is ingesteld op 14 juli 2016 en het hof doet uitspraak op 24 maart 2020. Daarmee is de redelijke termijn in de procedure in hoger beroep overschreden. Uitgaande van een redelijke termijn van behandeling van twee jaren per instantie, wordt de overschrijding bij de behandeling in hoger beroep gecompenseerd door de voortvarende behandeling in eerste aanleg en kan met de voormelde constatering worden volstaan. Daar komt nog bij dat de overschrijding van de redelijke termijn in de strafzaak reeds tot strafvermindering heeft geleid.

Aan de betrokkene dient, ter ontneming van het door haar wederrechtelijk verkregen voordeel, de verplichting te worden opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 14.805,13.

Toepasselijk wettelijk voorschrift

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Stelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 14.805,13 (veertienduizend achthonderdvijf euro en dertien cent).

Legt de betrokkene de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 14.805,13 (veertienduizend achthonderdvijf euro en dertien cent).

Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 296 dagen.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. P.C. Römer, mr. J.D.L. Nuis en mr. M. van der Horst, in tegenwoordigheid van mr. M.E. van Rijn, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 24 maart 2020.

Mrs. J.D.L. Nuis, M. van der Horst en M.E. van Rijn zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

=========================================================================

[…]