Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:1108

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
14-04-2020
Datum publicatie
20-04-2020
Zaaknummer
200.255.656/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen aansprakelijkheid van de notaris. Onvoldoende gesteld voor het aannemen van opzettelijke wanprestatie door de notaris en onvoldoende gesteld voor het aannemen van causaal verband tussen de door de cliënt gestelde schending van de zorgplicht door de notaris en de gestelde schade.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer: 200.255.656/01

zaak-/rolnummer rechtbank Noord-Holland: C/15/276855/HA ZA 18-494

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 14 april 2020

inzake

[appellant] ,

wonend te [woonplaats] ,

appellant,

advocaat: mr. A.J. van der Veen-Janz te Alkmaar,

tegen

[notaris] ,

wonend te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. V.J.N. van Oijen te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellant] en de notaris genoemd.

[appellant] is bij dagvaarding van 25 februari 2019 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 30 januari 2019, onder bovenvermeld zaak-/rolnummer gewezen tussen [appellant] als eiser en de notaris als gedaagde.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, tevens houdende wijziging van eis;

- memorie van antwoord, met een productie.

Partijen hebben de zaak doen bepleiten, [appellant] door mr. Van der Veen-Janz voornoemd, en de notaris door mr. Van Oijen voornoemd en mr. E. Metgod, advocaat te Amsterdam, ieder aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd.

Ten slotte is arrest gevraagd.

[appellant] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis en –

uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van de notaris tot vergoeding van een bedrag groot € 43.042,12, te weten het bedrag van de vanaf de datum van dagvaarding in eerste aanleg tot 1 april 2019 door hem aan [X] betaalde alimentatie, alsmede

tot vergoeding van de toekomstige alimentatieverplichtingen van [appellant] aan [X] vanaf 1 april 2019 en de buitenrechtelijke incassokosten ten bedrage van €1.153,06 met veroordeling van de notaris in de kosten van het geding in beide instanties met nakosten en rente.

De notaris heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, en afwijzing van het in hoger beroep gevorderde, met veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep met nakosten en rente.

Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.

2 Feiten

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.10 de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. [appellant] heeft geen als zodanig aangeduide grief gericht tegen de vaststelling van deze feiten. Hij heeft wel in de inleiding een aantal klachten geuit over de juistheid van onderdelen van r.o. 2.2 en r.o. 2.4 van deze vaststelling en het hof gevraagd daarmee rekening te houden. Voor zover [appellant] daarmee heeft bedoeld tegen de vaststelling van deze feiten te grieven overweegt het hof als volgt.

De grief ten aanzien van r.o. 2.4 faalt, omdat dit door de notaris gestelde en met stukken onderbouwde feit door [appellant] onvoldoende gemotiveerd is weersproken en daarmee als vaststaand kan worden aangenomen Daarbij neemt het hof mede in overweging dat [appellant] ook zelf uitgaat van de mogelijkheid dat de brief van 10 december 2004 door de notaris is verzonden. De grief tegen r.o. 2.2 faalt daarmee eveneens, omdat zijn stelling dat hij zich niet eerder dan begin januari 2015 tot de notaris heeft gewend niet is te rijmen met de verzending en de inhoud van de onder 2.4 vermelde brief van 10 december 2014. [appellant] heeft hiervoor geen plausibele verklaring gegeven, zodat zijn stelling op dit punt als onvoldoende gemotiveerd wordt verworpen.

Voor het overige zijn de feiten niet in geschil en zal ook het hof deze als vaststaand aannemen. Samengevat en waar nodig aangevuld met niet (voldoende) betwiste feiten, komen de feiten neer op het volgende.

2.1

[appellant] is op 22 mei 1969 met mevrouw [X] (hierna: [X] ) gehuwd.

2.2

Eind 2004 heeft [appellant] zich tot de notaris gewend met het verzoek om hem en [X] te begeleiden bij een zogenaamde ‘flitsscheiding’ waarbij het huwelijk eerst wordt omgezet in een geregistreerd partnerschap gevolgd door de beëindiging van het partnerschap. Daartoe is een echtscheidingsconvenant opgesteld (hierna: het convenant).

2.3

De inhoud van het convenant is mede tot stand gekomen naar aanleiding van een tweetal gesprekken die [appellant] en [X] gezamenlijk met een destijds aan het kantoor van de notaris verbonden kandidaat-notaris (hierna: de kandidaat-notaris) hebben gevoerd. De notaris is niet betrokken geweest bij de totstandkoming van het convenant.

2.4

Bij brieven van 10 december 2004, 24 januari 2005 en 22 februari 2005, verzonden aan het toen nog gezamenlijk woonadres van [appellant] en [X] , heeft de kandidaat-notaris aan hen drie opvolgende concepten van het convenant gezonden.

2.5

Bij notariële akte van 24 februari 2005 (hierna: de akte), verleden door de notaris in het bijzijn van [appellant] en [X] , zijn de gevolgen van de beëindiging/omzetting van hun huwelijk in het convenant vastgelegd. Naast onder andere de verdeling van de ontbonden gemeenschap van goederen en een regeling ten aanzien van de opgebouwde pensioenaanspraken hebben [appellant] en [X] tevens een regeling voor de door [appellant] aan [X] verschuldigde partneralimentatie opgenomen. Blijkens de akte zou de verplichting tot betaling van partneralimentatie, in afwijking van de wettelijke alimentatietermijn van 12 jaar, in beginsel voortduren zolang [appellant] en [X] beiden in leven zouden zijn.

2.6

Aansluitend is op 24 februari 2005 het huwelijk van [appellant] en [X] omgezet in een geregistreerd partnerschap en diezelfde dag met wederzijds goedvinden beëindigd.

2.7

Bij verzoekschrift van 13 juli 2017 heeft [appellant] de rechtbank verzocht zijn onderhoudsplicht jegens [X] te limiteren of te beëindigen. Bij beschikking van 18 april 2018 heeft de rechtbank het verzoek afgewezen.

2.8

Bij brief van 11 april 2018 is de notaris door de raadsvrouw van [appellant] aansprakelijk gesteld uit hoofde van een vermeende wanprestatie dan wel onrechtmatige daad jegens [appellant] . In de brief is onder andere het navolgende opgenomen:

De schade is ontstaan doordat u, dan wel (een van uw) medewerkers, bij het opstellen van het convenant client onvoldoende hebt gewezen op de rechtsgevolgen van het opnemen van een levenslange alimentatieverplichting voor client jegens zijn voormalige echtgenote. (..) U heeft er echter voor gekozen de akte niet volledig voor te lezen, ondanks het feit dat u zich niet zelf ervan op de hoogte hebt gesteld dat client de inhoud van de akte voldoende begreep. De schade, welke bestaat uit de sommen alimentatie die client moet betalen voor elke termijn na deze twaalf jaar, vloeit dan ook voort uit de schending van uw zorgplicht en is daarmee aan u toerekenbaar.”

2.9

De notaris heeft de aansprakelijkheid van de hand gewezen.

3 Beoordeling

Eiswijziging

3.1

De raadsvrouw van [appellant] heeft ter zitting medegedeeld dat door [appellant] een schikking is getroffen met [X] waardoor [appellant] zijn toekomstige verplichtingen jegens [X] heeft afgekocht tegen finale kwijting. Zij heeft de totale schade van [appellant] berekend op € 138.103,90. De raadsvrouw van [appellant] heeft, bij pleidooi, andermaal de eis gewijzigd, nu strekkende tot betaling van het bedrag van € 138.103,90. De notaris heeft de schikking tussen [appellant] en [X] bij gebrek aan bewijs betwist.

Verdere beoordeling

3.2

De rechtbank heeft de vordering van [appellant] afgewezen en heeft [appellant] veroordeeld in de proceskosten. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat [appellant] , tegenover de betwisting van de notaris, onvoldoende heeft gesteld om aan te nemen dat er causaal verband is tussen de door hem gestelde onrechtmatige gedraging/wanprestatie en de schade. Tegen de beslissing van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt [appellant] met twaalf grieven op.

3.3

De grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling. De stellingen van [appellant] in hoger beroep komen kort samengevat hier op neer dat de notaris zijn zorgplicht jegens [appellant] heeft geschonden door tegen de wil van [appellant] een levenslange alimentieverplichting in het convenant op te nemen en hem daarover, en over de (rechts)gevolgen daarvan, niet te informeren.

3.4

Naar het oordeel van het hof heeft [appellant] onvoldoende feiten of omstandigheden gesteld die, indien bewezen, de conclusie kunnen dragen dat de inhoud van het convenant niet in overeenstemming was met zijn wil. Daartoe overweegt het hof het volgende.

3.5

Blijkens hetgeen is vermeld in de op 10 december 2004 en op 24 januari 2005 door een medewerker van het kantoor van de notaris, mr. [A] , gezonden brieven, waarbij een eerste respectievelijk tweede concept van het convenant was gevoegd, zijn deze in opdracht van [appellant] verstuurd. In de eerstgenoemde brief wordt de eerder aan [appellant] gedane mededeling over de taakverdeling tussen mr. [A] en de kandidaat-notaris bevestigd. In de laatstgenoemde brief is de afspraak om het convenant te bespreken met mr. [A] en de kandidaat-notaris genoemd. In de brief van 22 februari 2005 is, blijkens het daarin bepaalde, een derde concept van het convenant gevoegd. [appellant] en [X] zijn daarbij uitgenodigd om, indien zij beiden akkoord waren met het concept, op 24 februari 2005 op het kantoor van de notaris te verschijnen voor het doornemen van de akte met de kandidaat-notaris en het vervolgens passeren van de akte voor de notaris. Beiden zijn op die datum op het kantoor van de notaris verschenen en hebben de akte ondertekend.

3.6

Het convenant bevat specifieke bepalingen, waaronder de bepaling dat het de wens is van [appellant] dat [X] haar financiële onafhankelijkheid behoudt. Om die reden is onder andere bepaald dat de alimentatieverplichting ook bij, kort gezegd, hertrouwen van [X] in beginsel niet eindigt en in het geval deze daardoor toch zou zijn beëindigd, in geval van een daaropvolgende echtscheiding weer herleeft.

3.7

De notaris heeft verklaard dat [appellant] van het begin af aan heeft gewild dat [X] niks tekort zou komen na de scheiding. Deze verklaring is door [appellant] niet betwist. Ter gelegenheid van het pleidooi heeft [appellant] toegevoegd dat hij destijds in overleg met de notaris ook zijn testament heeft laten aanpassen zodat [X] ook in geval van zijn overlijden voor het verstrijken van de wettelijke alimentatietermijn van 12 jaar in haar onderhoud kon voorzien.

3.8

Het hof leidt uit de onder r.o. 2.7 genoemde beschikking van de rechtbank af dat [X] kennelijk het standpunt heeft ingenomen dat de levenslange alimentatieverplichting overeenkomstig de bedoeling van partijen was.

3.9

Op grond van voormelde omstandigheden, in onderlinge samenhang beschouwd, is het aannemelijk te achten dat de inhoud van het convenant de weerslag is van het resultaat van de onderhandelingen van partijen tijdens de hierboven genoemde gesprekken.

3.10

De enige mogelijke lezing van hetgeen is voorgevallen die de gevolgtrekking kan dragen dat de inhoud van het convenant strijdig is met de destijds geuite wil van [appellant] , is een lezing die inhoudt dat sprake was van moedwillige benadeling van [appellant] en bevoordeling van [X] door de notaris, de kandidaat-notaris en mr. [A] in de periode voorafgaand aan en tijdens het passeren van de akte, en van manipulatie door de notaris van de door hem overgelegde stukken. Dit is een uiterst verstrekkend verwijt aan de notaris en de medewerkers van zijn kantoor. Voor zover [appellant] zich daadwerkelijk op dit standpunt stelt, ligt het op zijn weg om feiten en omstandigheden te stellen en bij betwisting te bewijzen die dit scenario kunnen onderbouwen. Nu hij dat heeft nagelaten gaat het hof ervan uit dat het convenant overeenstemt met de destijds geuite wil van [appellant] .

3.11

Het hof acht voorshands bewezen dat het convenant met [appellant] is besproken en dat de inhoud hem is toegelicht. Het hof baseert zich hierbij onder andere op het slot van de akte waarin is bepaald dat de zakelijke inhoud van de akte aan de bij de akte verschenen personen is opgegeven en toegelicht en dat zij hebben verklaard van de akte te hebben kennis genomen. Ter zitting heeft [appellant] verklaard dat op de bij het passeren van de akte door de notaris aan [appellant] en [X] gestelde vraag of zij de inhoud van de akte kenden, door [X] instemmend is geantwoord en hijzelf toen heeft gezwegen.

3.12

[appellant] zal niet tot het leveren van het door hem aangeboden tegenbewijs worden toegelaten. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat ook indien vast zou komen te staan dat de notaris [appellant] onvoldoende heeft gewezen op de gevolgen van de in de akte opgenomen alimentatieverplichting en geoordeeld zou worden dat sprake is van een schending van de zorgplicht door de notaris, niet reeds is gegeven dat de door [appellant] gevorderde schade daarvan het gevolg is.

[appellant] heeft niet voldoende feiten en omstandigheden gesteld die – indien bewezen – de conclusie kunnen dragen dat hij met [X] een andere inhoud van het convenant zou zijn overeengekomen of het convenant niet zou hebben ondertekend indien hij, anders dan hij stelt, deugdelijk door de notaris was geïnformeerd over de rechtsgevolgen van het convenant. Het voor aansprakelijkheid vereiste causaal verband tussen de gestelde fout en de gestelde schade kan derhalve, bij gebreke aan een adequate onderbouwing, niet worden vastgesteld. Hierop stranden de vorderingen van [appellant] onafhankelijk van de vraag of de gestelde beroepsfout van de notaris kan worden vastgesteld.

3.13

De slotsom is dat de grieven falen. [appellant] heeft geen feiten te bewijzen aangeboden, die tot een ander oordeel aanleiding zouden kunnen geven, zodat zijn bewijsaanbod wordt gepasseerd. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd. [appellant] zal als in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van het geding in hoger beroep.

4 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van de notaris begroot op € 741,- aan verschotten en op € 9.483,- voor salaris en op € 157,- voor nasalaris, te vermeerderen met € 82,- voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit arrest plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente, indien niet binnen veertien dagen na dit arrest dan wel het verschuldigd worden van de nakosten aan de kostenveroordeling is voldaan;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.L.M. Keirse, J.F. Aalders en M. Bijkerk en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 14 april 2020.