Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:110

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
21-01-2020
Datum publicatie
11-02-2020
Zaaknummer
200.231.333/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Restschuld uit hypothecaire geldleningen na (vrijwillige) verkoop onderpand. Gevolgen van eventuele onjuiste veronderstelling bij kredietnemers inzake de werking van een verzekering met de naam ‘hypotheekbescherming’; en van berichten van de bank aan hen over algehele aflossing/beëindiging van de leningen. Rechtsverwerking? Vertrouwensbeginsel. Overkreditering? Stelplicht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.231.333/01

zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam : C/15/246642/ HA ZA 16-493

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 21 januari 2020

inzake

1 [appellant sub 1] ,

2. [appellante sub 2],

beiden wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,

appellanten,

advocaat: mr. G.A.M. Sieben te Son en Breugel,

tegen

1 RABOHYPOTHEEKBANK N.V.,

gevestigd te Eindhoven,

2. COÖPERATIEVE RABOBANK U.A.,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerden,

advocaat: mr. R.M. Burger te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Appellanten worden hierna gezamenlijk [appellanten] en geïntimeerden gezamenlijk Rabobank genoemd. Appellant 1 wordt [appellant sub 1] genoemd.

[appellanten] zijn bij dagvaarding van 24 oktober 2017 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Amsterdam van 26 juli 2017, onder bovenvermeld zaak-/rolnummer gewezen tussen Rabobank als eiseres en [appellanten] als gedaagden.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met producties;

- memorie van antwoord tevens houdende incidentele vordering, met producties;

- akte overlegging producties zijdens [appellanten]

Partijen hebben de zaak ter terechtzitting van 14 juni 2019 doen bepleiten, [appellanten] door mr. Sieben voornoemd en Rabobank door mr. Burger voornoemd, ieder aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd. [appellanten] hebben ter gelegenheid van het pleidooi nadere producties in het geding gebracht. Ter zitting heeft Rabobank de incidentele vordering ingetrokken.

Ten slotte is arrest gevraagd.

[appellanten] hebben geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en - uitvoerbaar bij voorraad - de vorderingen van Rabobank zal afwijzen alsmede Rabobank hoofdelijk zal veroordelen tot (terug)betaling van al hetgeen [appellanten] uit hoofde van het bestreden vonnis aan Rabobank hebben betaald, met rente en met veroordeling van Rabobank in de kosten van het geding in beide instanties met nakosten en rente over de (na)kosten.

Rabobank heeft geconcludeerd tot bekrachtiging, met - uitvoerbaar bij voorraad - veroordeling van [appellanten] in de kosten van het geding in hoger beroep met nakosten.

Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.

2 Feiten

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.24 de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist zijn komen vast te staan, komen de feiten neer op het volgende.

2.1

[appellanten] zijn in algehele gemeenschap van goederen gehuwd. In

2002 werden zij eigenaar van de woning met garage, verdere aanhorigheden, ondergrond, erf en tuin, plaatselijk bekend [adres] (hierna: de woning).

2.2

Op 9 juli 2002 hebben [appellanten] een hypothecaire geldleningsovereenkomst met Rabobank gesloten, waarbij Rabobank hun een lening van € 204.200,- heeft verstrekt tegen een rente van 5,5% per jaar, met als onderpand de woning (leningnummer: [nummer] ).

2.3

Op 31 maart 2004 hebben [appellanten] een hypothecaire geldleningsovereenkomst met Rabobank gesloten, waarbij Rabobank hun een lening van € 194.500,- heeft verstrekt tegen een rente van 3,3% per jaar, met als onderpand de woning (leningnummer: [nummer] ).

2.4

Op 29 maart 2004 heeft [appellant sub 1] een Aanvraagformulier Rabobank Hypotheekbescherming ten behoeve van N.V. Interpolis BTL (hierna: Interpolis) ondertekend. Daarbij is [appellant sub 1] akkoord gegaan met de toepassing van de Verzekeringsvoorwaarden Rabobank Hypotheekbescherming. Artikel 3 van deze voorwaarden vermeldt:

”Het doel van deze verzekering is om een uitkering te doen bij arbeidsongeschiktheid en bij werkloosheid aan de verzekeringsnemer(s) als er sprake is van een hypothecaire geldlening.”

2.5

Interpolis heeft de aanvraag van [appellant sub 1] geaccepteerd en hem vervolgens jaarlijks een polis toegestuurd. Op de polis van 26 maart 2008 staat dat het verzekerd bedrag € 500,- per maand bedraagt bij arbeidsongeschiktheid en werkloosheid, met als uitkeringsduur maximaal 3 jaar respectievelijk 12 maanden.

2.6

Op 23 augustus 2007 hebben [appellanten] een hypothecaire geldleningsovereenkomst met Rabobank gesloten, waarbij Rabobank hun een lening van € 37.000,- heeft verstrekt tegen een rente van 5,5% per jaar, met als onderpand de woning (leningnummer: [nummer] ).

2.7

[appellant sub 1] is nadien in de financiële problemen geraakt. Vanwege opgelopen achterstanden heeft Rabobank de financieringen opgezegd en heeft zij een aanvang gemaakt met uitwinning van haar hypothecaire zekerheid. De woning is op een executieveiling aangeboden, maar niet gegund aan enige gegadigde.

2.8

Kort daarna, op 22 februari 2012, hebben [appellanten] de woning alsnog met toestemming van Rabobank onderhands verkocht voor een bedrag van € 260.000,-. Op 23 april 2012 hebben zij de woning overgedragen aan de koper.

2.9

Bij brief van 18 april 2012 heeft Rabobank [appellanten] het volgende bericht:

Uw lening(en) met nummer [nummer] . [nummer] en [nummer] bij Rabobank Hoorn-Midden Westfriesland worden algeheel afgelost per 23-04-2012.

Voor uw totale financiering is hypotheekbescherming afgesloten. Graag willen wij schriftelijke bevestiging of deze hypotheekbescherming door blijft lopen of dat deze beëindigd dient te worden. (…)

2.10

Op 11 mei 2012 heeft Rabobank Interpolis verzocht de hypotheekbescherming te

beëindigen. Interpolis heeft [appellant sub 1] vervolgens bericht dat de verzekering per 11 juni

2012 is beëindigd. Op 22 juni 2012 heeft Interpolis een deel van de premie gerestitueerd.

2.11

Op door Rabobank aan [appellanten] verstrekte rekeningafschriften d.d. 26 april

2012 en 5 juni 2012 staat vermeld dat de lening met nummer [nummer] algeheel is

afgelost/beëindigd. De aflossing beloopt een bedrag van € 22.830,25. Op rekeningafschriften van Rabobank van 17 september 2012 en 22 oktober 2012 staat vermeld dat de lening met nummer [nummer] en de lening met nummer [nummer] algeheel zijn afgelost dan wel beëindigd. Het betreft respectievelijk een aflossing van € 32.919,21 en € 204.200,-.

2.12

Bij brief van 3 oktober 2012 heeft de (toenmalige) advocaat van [appellanten] Rabobank verzocht in te stemmen met een voorstel voor een crediteurenakkoord, dat voorzag in betaling aan alle schuldeisers van 15% van de hoofdsom van hun vordering tegen finale kwijting.

2.13

Op 12 november 2012 heeft Rabobank aan [appellanten] bericht dat er na de verkoop van de woning sprake is van een restschuld van € 237.119,21. Rabobank heeft deze restschuld gespecificeerd en heeft [appellanten] gevraagd of zij in staat zijn om deze schuld af te lossen.

2.14

Op 30 januari 2013 heeft Rabobank [appellanten] het Financieel Jaaroverzicht 2012

toezonden. Hierop is vermeld dat de rekeningen met nummers [nummer] , [nummer] en [nummer] zijn opgeheven per respectievelijk 19 oktober 2012, 5 juni 2012 en 19 oktober 2012 en dat de debetstand van de rekeningen op 31 december 2012 € 0,00 bedraagt.

2.15

Bij e-mail van 10 juni 2013 heeft [A] , medewerkster bijzonder beheer SCF van Rabobank (hierna: [A] ), aan de advocaat van [appellanten] het volgende bericht:

(…)

In uw e-mails d.d. 12-3-2013 en 26-3-2013 geeft u aan dat uw cliënten een rekeningafschrift van hun voormalige hypothecaire geldleningen van Rabobank Hoorn-Midden Westfriesland hebben ontvangen waarop de beëindiging van de oude leningnummers staat vermeld. Daardoor waren zij (en u) in de veronderstelling dat er geen hypotheekschuld meer bij de bank openstaat.

Na verkoop van de woning (…) heeft Rabobank Hoorn-Midden Westfriesland de hypothecaire leningen met [nummer] , [nummer] en [nummer] moeten beëindigen. Het rekeningafschrift die de heer en mevrouw ontvangen hebben, betreft slechts een administratieve omzetting naar een ander rekeningnummer, die na verkoop van een woning plaatsvindt. Voor de restant hypotheekschuld ad € 253.88,45 is vervolgens door Rabobank Nederland een regreslening met nummer [nummer] geopend. Wellicht ten overvloede, dit houdt niet in dat er geen restant hypotheekschuld open staat en dit houdt ook niet in dat het gedane afkoopvoorstel akkoord is bevonden. (…)”

2.16

Bij e-mail van 11 juni 2013 heeft de advocaat van [appellanten] aan [A] gevraagd waarom Rabobank “aanspraak denkt te kunnen maken op betaling, terwijl de schuld krachtens de geldende polis hypotheekbescherming is voldaan”.

2.17

Bij e-mail van 14 juni 2013 heeft [A] geantwoord dat de hypotheekbescherming vanwege wanbetaling door Interpolis is opgezegd, dat de premierestitutie is verrekend met de openstaande premieachterstanden en dat er geen verrekening heeft plaatsgevonden met de restant hypotheekschuld. [C] heeft in zijn e-mail van 3 juli 2013 aan [A] betwist dat de hypotheekbescherming wegens premieachterstanden zou zijn opgezegd. Bij e-mailbericht van 27 september 2013 heeft [A] als volgt geantwoord:

(…) de polis is volgens Interpolis, zoals eerder aangegeven, wel wegens wanbetaling geroyeerd.

Daarnaast kan ik u melden dat de verzekering los staat van de restant hypotheekschuld. Zelfs wanneer er hypotheekbescherming loopt, kan het inhouden dat er een restant hypotheekschuld ontstaat. De specificatie van de restant hypotheekschuld die uw cliënten d.d. 12 november 2012 hebben ontvangen, is voor de bank leidend. (…)

2.18

Vervolgens zijn partijen overeengekomen dat [appellanten] uiterlijk op 31 maart 2014 € 45.000,- aan Rabobank zou voldoen tegen finale kwijting door Rabobank. Deze overeenkomst is door [appellanten] niet nagekomen, ook niet nadat Rabobank de betaaltermijn had verruimd tot (uiteindelijk) 1 september 2014.

2.19

Bij brief van 1 september 2014 is Rabobank namens [appellanten] verzocht schriftelijk te bevestigen dat zij van haar pretense vordering afziet bij gebreke waarvan Rabobank aansprakelijk is gesteld voor de schade van [appellanten] , vermeerderd met rente en kosten.

2.20

Op 9 september 2014 heeft Rabobank [appellanten] een brief gestuurd met

dezelfde inhoud als de brief van 12 november 2012.

2.21

Bij deurwaardersexploot van 16 september 2014 zijn [appellanten] gesommeerd om

een bedrag € 257.222,45 te betalen.

3 Beoordeling

3.1

Rabobank heeft in eerste aanleg, samengevat en voor zover hier van belang, gevorderd [appellanten] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van € 290.822,10 met contractuele rente van 3,3% per jaar over een bedrag van € 252.987,45 vanaf 5 mei 2016, alsmede [appellanten] hoofdelijk te veroordelen in de buitengerechtelijke incassokosten en in de proceskosten. De rechtbank heeft de vordering – op de buitengerechtelijke incassokosten na – toegewezen en [appellanten] veroordeeld in de kosten. Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komen [appellanten] met vier grieven op.

3.2

Rabobank heeft bezwaar gemaakt tegen toelating van de door [appellanten] bij pleidooi in hoger beroep overgelegde producties genummerd 32 tot en met 44 op de grond dat zij deze niet uiterlijk veertien dagen voor het pleidooi heeft ontvangen. Ter zitting is door het hof reeds beslist dat aan het bezwaar van Rabobank voorbij wordt gegaan nu Rabobank zelf in het incident om de stukken in kwestie heeft gevraagd en de stukken wel tijdig lijken te zijn verzonden, en dat Rabobank in de gelegenheid zal worden gesteld bij akte op de producties te reageren indien het hof de inhoud van de producties voor zijn beslissing van belang acht. Gelet op de hierna te geven beslissing, heeft Rabobank bij een dergelijke nadere akte geen belang.

3.3

Met grief 1 betogen [appellanten] dat de rechtbank hun beroep op rechtsverwerking dan wel handelen in strijd met de redelijkheid en billijkheid door Rabobank en hun beroep op het vertrouwensbeginsel ten onrechte heeft verworpen. Zij voeren kort gezegd het volgende aan. Zij verkeerden na de verkoop van hun woning in de veronderstelling dat hun restschuld teniet was gegaan door de werking van de hypotheekbescherming, die in hun beleving specifiek tegen het risico van een restschuld was afgesloten. Rabobank heeft hen, met haar uitlatingen als hiervoor in 2.9, 2.11 en 2.14 vermeld, ruim een jaar in die veronderstelling gelaten. Ook het bericht van Interpolis omtrent de beëindiging van de verzekering als vermeld in 2.10 droeg bij aan hun veronderstelling dat hun schuld aan Rabobank was tenietgegaan. Als Rabobank hun onomwonden had meegedeeld dat zij nog een restschuld aan Rabobank hadden, dan hadden zij een aanvraag voor toepassing van de schuldsaneringsregeling voor natuurlijke personen gedaan en dan had Rabobank uitsluitend een zeer klein deel van de restschuld hebben kunnen innen, aldus [appellanten]

3.4

Deze grief faalt. De jaarlijks door [appellant sub 1] ontvangen polis van Interpolis en de Verzekeringsvoorwaarden Rabobank Hypotheekbescherming lieten er geen misverstand over bestaan dat de verzekering slechts voorzag in een (maandelijkse) uitkering aan [appellant sub 1] bij arbeidsongeschiktheid of werkloosheid. [appellanten] stellen – naar het hof begrijpt – dat zij steeds hebben gemeend dat de verzekering bij Interpolis dekking bood tegen een restschuld indien zij onverhoopt niet langer in staat zouden zijn om aan hun financiële verplichtingen jegens Rabobank te voldoen. Zij lichten echter niet toe hoe zij in die onjuiste veronderstelling zijn gebracht. Zo is niet gesteld of gebleken dat Rabobank hen bij het aangaan van de verzekering onjuist of onvolledig heeft voorgelicht. Ook hebben [appellanten] onvoldoende toegelicht dat Rabobank zich bij het aangaan van de verzekering of op een later moment had moeten realiseren dat bij er bij [appellanten] (mogelijk) een onjuiste voorstelling van zaken over de dekking onder de verzekering bestond. Onder deze omstandigheden valt niet in te zien dat een eventuele onjuiste veronderstelling bij [appellanten] over de dekking onder de hypotheekbescherming rechtens bescherming verdient in die zin dat Rabobank haar recht op betaling van de restschuld met rente heeft verwerkt of dat Rabobank bij [appellanten] het gerechtvaardigd vertrouwen zou hebben gewekt dat zij haar recht niet meer geldend zou maken.

3.5

De communicatie tussen Rabobank en [appellanten] over de afwikkeling van de financiering na de verkoop en overdracht van de woning brengt daarin geen verandering. Bij brief van 12 november 2012, ongeveer een half jaar na de overdracht van de woning, heeft Rabobank schriftelijk aan [appellanten] gemeld dat hun restschuld aan Rabobank € 237.119,21 bedroeg. Aan [appellanten] kan worden toegegeven dat de aan deze brief voorafgaande communicatie van Rabobank over de afwikkeling van de financiering, waaronder de berichten die hiervoor in 2.9 en 2.11 zijn vermeld, niet uitblonk in duidelijkheid. Nu [appellanten] echter hebben moeten begrijpen dat de opbrengst van hun woning onvoldoende was om hun leningen bij Rabobank volledig af te lossen en zij geen goede grond hadden voor de veronderstelling dat de bij Interpolis lopende verzekering voorzag in aflossing van hun restschuld, konden zij aan de berichten van Rabobank niet het gerechtvaardigd vertrouwen ontlenen dat Rabobank haar recht op betaling van de restschuld niet meer geldend zou maken. Rabobank maakt in die berichten geen melding van een uitkering onder de bij Interpolis lopende verzekering. Verder wordt op de rekeningafschriften slechts vermeld dat de leningen algeheel zijn afgelost dan wel beëindigd, terwijl de daarop vermelde aflossingsbedragen – naar [appellanten] hadden moeten begrijpen – niet voldoende waren voor algehele aflossing. Overigens wijst het voorstel voor een crediteurenakkoord dat de advocaat van [appellanten] bij brief van 3 oktober 2012 aan Rabobank heeft gedaan er niet op dat [appellanten] op dat moment in de veronderstelling verkeerden dat hun schuld aan Rabobank geheel teniet was gegaan. Die brief is voorts van belang bij de beoordeling van de stelling van [appellanten] dat zij om toepassing van de schuldsaneringsregeling voor natuurlijke personen zouden hebben gevraagd als Rabobank van meet af aan duidelijk had gemaakt dat zij nog een restschuld aan haar hadden. Uit die brief volgt immers dat [appellanten] er op dat moment van uitgingen dat zij een restschuld aan Rabobank hadden. Voorts valt bij gebreke van een toelichting niet in te zien, naar Rabobank terecht aanvoert, dat de positie van [appellanten] onredelijk is verzwaard doordat zij destijds geen aanvraag tot toepassing van de schuldsaneringsregeling hebben gedaan. Zij konden daartoe immers op een later moment alsnog overgaan.

3.6

Aan [appellanten] kan voorts worden toegegeven dat ook het door hen eind januari 2013 van Rabobank ontvangen Financieel Jaaroverzicht 2012 (vermeld in 2.14) niet uitblonk in duidelijkheid. Zij hadden echter, tegen de achtergrond van de brief van Rabobank van 12 november 2012 omtrent het bedrag van hun restschuld, onvoldoende grond voor de veronderstelling dat Rabobank inmiddels die restschuld niet meer wilde innen. Dat geldt te meer nu het Financieel Jaaroverzicht 2012 dezelfde informatie bevatte als de vóór 12 november 2012 door [appellanten] ontvangen dagafschriften van de rekeningen waarop de leningen waren geadministreerd (vermeld in 2.11). Vervolgens heeft Rabobank bij e-mail van 10 juni 2013 nog eens duidelijk gemaakt dat er nog een restant hypotheekschuld was en dat deze inmiddels onder een ander leningnummer werd geadministreerd.

3.7

Na afweging van alle omstandigheden komt het hof dan ook met de rechtbank tot de conclusie dat per saldo niet kan worden geoordeeld dat Rabobank zich zodanig jegens [appellanten] heeft gedragen of zodanige mededelingen heeft gedaan, dat [appellanten] daaraan het gerechtvaardigd vertrouwen konden ontlenen dat Rabobank haar recht om betaling van de restschuld te vorderen, niet zou uitoefenen. Evenmin is gebleken van feiten en omstandigheden die de conclusie wettigen dat [appellanten] door toedoen van Rabobank onredelijk zijn benadeeld. De beroepen op rechtsverwerking (dan wel op de redelijkheid en billijkheid in ruimere zin) en op het vertrouwensbeginsel falen derhalve.

3.8

Met grief 2 betogen [appellanten] dat Rabobank in de op haar rustende zorgplichten jegens [appellanten] tekort is geschoten. Voor zover de grief is gebaseerd op de stelling dat Rabobank aan [appellanten] een beleggingshypotheek heeft geadviseerd, althans aangeboden, faalt deze omdat ter zitting in hoger beroep is komen vast te staan dat het beleggingsproduct waarop [appellanten] doelen door hen in 2001 bij een derde (ASR) is afgesloten. Rabobank heeft hun uitsluitend drie hypothecaire geldleningen en een verzekering tegen het risico van arbeidsongeschiktheid en werkloosheid geadviseerd dan wel aangeboden. Van het adviseren of aanbieden van een complex product is geen sprake geweest.

3.9

Volgens [appellanten] was bij het aangaan van de overeenkomsten van geldlening sprake van overkreditering. Door onvoldoende onderzoek te verrichten naar de financiële situatie van [appellanten] en door hen niet te waarschuwen voor de risico’s die zij aangingen, heeft Rabobank volgens hen in strijd gehandeld met de (bijzondere) zorgplicht jegens hen en meerdere wettelijke bepalingen geschonden. Zij verbinden daaraan de conclusie dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn van [appellanten] . te verlangen de vordering van Rabobank te voldoen.

3.10

Het hof stelt voorop dat tussen partijen (terecht) niet in geschil is dat ten tijde van het aangaan van de geldleningsovereenkomsten in 2002, 2004 en 2007 een bijzondere ongeschreven zorgplicht gold ter voorkoming van overkreditering, dat het bij de beoordeling van de vraag of er sprake is van overkreditering steeds aankomt op de ten tijde van de kredietverlening geldende inzichten over verantwoorde kredietverstrekking alsmede dat daarbij niet alleen aan het inkomen van de leningnemer moet worden getoetst maar ook aan diens vermogen (vgl. HR 14 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2298, NJ 2019/184 en HR 16 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1107, NJ 2017/363). Het is aan [appellanten] om feiten en omstandigheden te stellen en, bij gemotiveerde betwisting, te bewijzen waaruit de gestelde overkreditering blijkt.

3.11

Ter onderbouwing van hun stelling dat er sprake was van overkreditering hebben [appellanten] – voor zover van belang – het navolgende naar voren gebracht. Volgens [appellanten] heeft Rabobank in 2002 vijf maal hun gezamenlijk bruto-jaarinkomen aan hypothecair krediet geadviseerd en aangeboden terwijl naar de destijds geldende normen in beginsel maximaal vier à vijf maal het gezamenlijke jaarinkomen aan hypothecair krediet mocht worden aangeboden. In 2004 werd nogmaals een financiering verstrekt van € 194.500,-, zodat de totale hoofdsom ruim € 398.700,- bedroeg, terwijl het inkomen van [appellant sub 1] over 2004 (aanzienlijk) negatief was. Volgens [appellanten] kwam de lening-inkomen-verhouding vanaf toen uit op (ruim) negen. Vervolgens werd in 2007 nogmaals een financiering verstrekt van € 37.000,-, zodat de totale hoofdsom ruim € 435.700,- bedroeg. Volgens [appellanten] kwam de lening-inkomen-verhouding vanaf dat moment uit op (ruim) twaalf. [appellanten] hebben op verzoek van Rabobank ter nadere onderbouwing van hun stellingen bij pleidooi hun aanslagen inkomstenbelasting over de jaren 2002 tot en met 2008 overgelegd. Omdat de hypothecaire financiering geheel of ten dele met de opbrengst van het beleggingsproduct bij ASR zou worden afgelost, had Rabobank ook de risico’s van dat product dienen te wijzen, aldus [appellanten]

3.12

Deze onderbouwing is niet voldoende. Het hof licht dat als volgt toe.

3.12.1

Uit de ter zitting in hoger beroep overgelegde aanslagen inkomstenbelasting is gebleken dat [appellant sub 1] ten tijde van de eerste geldleningsovereenkomst in 2002 in loondienst was en een belastbaar jaarinkomen (uit dienstverband) genoot van € 67.211,-, terwijl zijn echtgenote in dat jaar geen inkomsten had. Uitgaande van een hoofdsom van de lening van € 204.200,-, bedraagt de door [appellanten] genoemde lening-inkomen-verhouding niet vijf, zoals [appellanten] stellen, maar drie, zodat reeds om die reden niet valt in te zien dat er in 2002 sprake was van overkreditering.

3.12.2

Voor het antwoord op de vraag of bij de tweede geldlening in 2004 sprake was van overkreditering, kan aan het daadwerkelijk in 2004 door [appellanten] behaalde inkomen slechts beperkte betekenis worden toegekend. Begin 2014 heeft [appellant sub 1] zijn dienstverband bij – naar hij ter zitting in hoger beroep heeft verklaard – [B] immers opgegeven om de onderneming van [B] samen met hem voort te zetten in een vennootschap onder firma (hierna: de vof). In de stellingen van [appellanten] ligt besloten dat dit bij Rabobank ten tijde van de tweede kredietverlening bekend was. Relevant voor de vraag of bij de verstrekking van de tweede geldlening sprake was van overkreditering is dan ook onder meer, naast de inkomensgegeven van [appellanten] over de voorgaande jaren, de prognose van het door [appellant sub 1] met de vof te behalen inkomen. Blijkens de aanslag over 2003 is het belastbaar inkomen van [appellant sub 1] in dat jaar ongeveer gelijk geweest aan dat over 2002: € 68.887,-. Een prognose voor de winst van ( [appellant sub 1] uit) de vof is door geen van partijen in het geding gebracht. Rabobank zegt niet meer te beschikken over stukken aangaande de verschillende hypotheekaanvragen omdat het dossier van de financieringsaanvragen is kwijtgeraakt. Deze omstandigheid kan echter niet afdoen aan de op [appellanten] rustende stelplicht ter zake van de feiten en omstandigheden waaruit overkreditering blijkt. [appellant sub 1] kan onder de geschetste omstandigheden in ieder geval niet volstaan met een verwijzing naar zijn aanslag inkomstenbelasting over 2004; daaruit valt immers niet af te leiden welke inkomsten in maart 2004 redelijkerwijs konden worden verwacht. Dit geldt te meer nu hij ter zitting in hoger beroep heeft verklaard dat het bedrijf van [B] voor de oprichting van de vof een goedlopend bedrijf was. Zonder een nadere toelichting, die ontbreekt, kan dan ook niet worden aangenomen dat Rabobank behoorde te voorzien dat [appellant sub 1] in 2004 geen goed resultaat zou behalen met de vof. Integendeel, het ligt veeleer voor de hand dat [appellant sub 1] een verbetering van zijn inkomen in 2004 verwachtte door toe te treden tot de vof. Hij had zijn dienstverband bij [B] daarvoor immers opgegeven en hij moest zich bovendien – naar hij ter zitting in hoger beroep heeft verklaard – in de vof inkopen. [appellanten] moeten in staat worden geacht nadere gegevens te verstrekken ter adstructie van hun stelling dat bij de tweede geldlening sprake was van overkreditering. Nu zij dat hebben nagelaten, gaat het hof aan die stelling voorbij. Er is in dit stadium van het geding voor [appellanten] geen ruimte meer om hun stellingen nader feitelijk te onderbouwen door alsnog cijfers betreffende de onderneming van [B] in het geding te brengen. Aan het aanbod daartoe dat [appellanten] ter zitting in hoger beroep hebben gedaan gaat het hof derhalve ook voorbij.

3.12.3

Hetzelfde geldt mutatis mutandis voor de derde geldleningsovereenkomst (2007). Na beëindiging van de activiteiten van de vof is [appellant sub 1] in 2006 een nieuwe onderneming gestart in [X] BV, waarvan hij de aandelen hield. Hij genoot in 2006 looninkomsten uit deze vennootschap tot een bedrag van € 81.762,- (zie memorie van grieven, productie 13, blad 2). Deze vennootschap is op 2 augustus 2007 gefailleerd, waarna [appellant sub 1] de onderneming heeft voortgezet in een andere vennootschap, waarvan de naam werd gewijzigd in Bouwbedrijf [X] BV. Om deze vennootschap een goede start te geven, zijn [appellanten] naar eigen zeggen de derde geldlening aangegaan. Over 2007 heeft [appellant sub 1] blijkens zijn aanslag inkomstenbelasting looninkomsten tot een bedrag van € 83.677 gehad (zie memorie van grieven, productie 14, blad 2). In aanmerking genomen dat [appellant sub 1] zichzelf ten laste van zijn eigen BV’s een loon van de genoemde omvang toekende, had het op de weg van [appellanten] gelegen om nader te onderbouwen dat bij de derde geldlening sprake was van overkreditering. Zij kunnen in dit verband niet volstaan met een verwijzing naar het negatieve belastbaar inkomen van [appellant sub 1] over 2006, nu dat werd veroorzaakt door de negatieve resultaten van de vof, die in de loop van 2006 was geëindigd. [appellanten] hebben ook niet toegelicht dat Rabobank op basis van de gegevens die [appellanten] haar verschafte had moeten begrijpen dat het loon dat [appellant sub 1] zichzelf had toegekend te hoog was of dat anderszins voorzienbaar was dat (ook) de tweede BV van [appellant sub 1] failliet zou gaan, zoals op 11 mei 2010 is gebeurd. Onjuist is voorts de stelling van [appellanten] dat Rabobank voor 2007 had moeten uitgaan van een (gezamenlijk) bruto-inkomen van € 61.251,-. Dit is het verzamelinkomen van [appellanten] over dat jaar, zo blijkt uit de aanslag inkomstenbelasting van [appellant sub 1] over 2007, waarin onder meer een (onbeperkt) te verrekenen te verlies is verrekend. Uitgaande van de door [appellant sub 1] gehanteerde formule voor overkreditering, was de maximale financieringslast voor [appellanten] in 2007 € 2.475,15 (0,355 x € 83.667/12). Gesteld noch gebleken is dat deze last werd overstegen.

[appellanten] hebben bovendien onvoldoende toegelicht dat er gelet op hun vermogenspositie sprake was van overkreditering. Dat [appellant sub 1] hoofdelijk aansprakelijk was voor een schuld van [X] BV aan ABN AMRO N.V. en uit dien hoofde in 2012 een bedrag van € 173.333,- aan ABN AMRO N.V. heeft moeten voldoen, heeft [appellant sub 1] niet onderbouwd. Hij heeft slechts een bankafschrift overgelegd waaruit blijkt dat [X] BV op 25 juli 2007 een schuld aan ABN AMRO van € 144.822,84 had, maar hieruit valt omtrent de vermogenspositie van [appellanten] zelf niets af te leiden. Andere gronden waaruit blijkt dat sprake was van overkreditering hebben [appellanten] evenmin aangevoerd.

3.13.

Nu niet kan worden aangenomen dat bij het verstrekken van de leningen sprake is geweest van overkreditering, kan in het midden blijven of Rabobank is tekortgeschoten in haar zorgplicht ter voorkoming van overkreditering.

3.14

[appellanten] betogen tot slot dat Rabobank is tekortgeschoten in haar nazorgverplichting jegens hen. Zij stellen in dit verband dat Rabobank nooit een oplossing heeft aangedragen voor hun problemen, maar dat is een te onbepaald verwijt. Zij stellen voorts dat zij onvoldoende zijn geïnformeerd bij de verkoop van hun woning, maar nu zij zelf de woning hebben verkocht en overgedragen, is onduidelijk wat dit verwijt inhoudt.

3.15

Grief 2 faalt.

3.16

Grief 3 strekt ten betoge dat Rabobank de woning ten onrechte en op onzorgvuldige wijze onderhands heeft verkocht, zodat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat [appellanten] gehouden zouden zijn de vorderingen van Rabobank te voldoen. Deze grief faalt reeds omdat uit de stukken blijkt (en [appellanten] ter zitting in hoger beroep ook hebben bevestigd) dat niet Rabobank, maar zij zelf de woning hebben verkocht. Ook overigens hebben [appellanten] naar het oordeel van het hof onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld die, indien juist, de door hen voorgestane conclusie kunnen onderbouwen.

3.17

Tegen de achtergrond van het voorgaande mist grief 4 zelfstandige betekenis. Deze grief faalt.

3.18

Slotsom is dat de grieven falen. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd en [appellanten] zullen als in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van het geding in hoger beroep.

4 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellanten] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van Rabobank begroot op € 5.270,- aan verschotten en € 11.757,- voor salaris en op € 157,- voor nasalaris, te vermeerderen met € 82,- voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit arrest plaatsvindt;

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. G.C.C. Lewin, J.M. de Jongh en A.P. Wessels en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 21 januari 2020.