Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:1093

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
13-02-2020
Datum publicatie
17-04-2020
Zaaknummer
23-001269-19
Formele relaties
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2021:407
Cassatie: ECLI:NL:HR:2021:936
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling medeplegen invoer cocaïne. Nauwe en bewuste samenwerking. De verdachte was betrokken bij voorbereiding van de invoer en bevond zich op luchthaven om medeverdachte (die slikkersbollen vervoerde) op te halen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-001269-19

datum uitspraak: 13 februari 2020

TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 19 maart 2019 in de strafzaak onder parketnummer

15-053413-19 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 1977,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

30 januari 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Het openbaar ministerie heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

primair

hij op of omstreeks 3 februari 2019 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht (al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet) ongeveer 1059 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

subsidiair
hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 18 december 2018 tot en met 3 februari 2019 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer en/of, in elk geval in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van 1059 gram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen, een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn of om daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen, en/of zich of een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen, en/of voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, en of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige reden(en) had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat/die feit(en), hebbende verdachte en/of (een of meer van) verdachtes mededader(s)

- telefonisch, via de applicatie WhatsApp, [medeverdachte] (die op 3 februari 2019 opzettelijk een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht) instructies en/of aanwijzingen gegeven over het slikken van cocaïnebollen, en/of

- zich (tegen een vergoeding) op 3 februari 2019 met een voertuig naar de luchthaven Schiphol begeven met als doel om die [medeverdachte] te ontmoeten en/of hem en/of de cocaïne te vervoeren en/of die cocaïne over te nemen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof met betrekking tot de bewijsvraag tot een andere beslissing komt dan de politierechter.

Bewijsoverwegingen

Op grond van de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen neemt het hof het volgende als vaststaand aan. Op 3 februari 2019 bevond de verdachte zich op Schiphol om [medeverdachte] op te halen. [medeverdachte] was vanaf Curaçao naar Amsterdam gevlogen en had ruim 1 kilogram aan bolletjes met cocaïne geslikt. Op de telefoon van [medeverdachte] zijn WhatsApp-gesprekken van hem met een contactpersoon, genaamd “[verdachte]”, aangetroffen die naar het oordeel van het hof duiden op (overleg over) de voorbereiding van de invoer van de cocaïne in Nederland. In verband met die voorbereidingen stuurde “[verdachte]” 200 euro naar [medeverdachte], alsmede de afbeelding van een krantenartikel over de 100%-controles op Schiphol, spraken zij over wat [medeverdachte] kon eten en drinken – naar het hof aanneemt: nadat [medeverdachte] de bolletjes had geslikt – en adviseerde “[verdachte]” hem “imodem” (naar het hof begrijpt: imodium, een middel dat ontlasting vertraagt) bij de apotheek te halen. Het “ding” dat “omhoog” / “stijgt”, waaraan in de WhatsApp-gesprekken wordt gerefereerd, duidt volgens het hof op het vliegtuig waarmee [medeverdachte] naar Nederland vloog.

Voorts kan naar het oordeel van het hof worden geconcludeerd dat de verdachte de “[verdachte]” is die deze WhatsApp-gesprekken met [medeverdachte] heeft gevoerd: de verdachte gebruikt op “[verdachte]” gelijkende bijnamen (“[verdachte]”, “[verdachte]” en “[verdachte] ), op de aan [medeverdachte] door “[verdachte]” verzonden afbeelding van een geldtransactie van 200 euro via Western Union staat de verdachte als afzender vermeld, de verdachte heeft, toen hij werd geconfronteerd met delen van de WhatsApp-gesprekken, niet te kennen gegeven dat hij niet de gesprekspartner van [medeverdachte] was en hij heeft, nadat hem voormelde afbeelding was getoond, verklaard dat [medeverdachte] hem om 200 euro had gevraagd.

Uit het voorgaande leidt het hof af dat – anders dan de raadsman heeft betoogd en in tegenstelling tot de politierechter – de verdachte wist dat [medeverdachte] slikkersbollen met cocaïne naar Nederland vervoerde en dat hij daarbij zo nauw en bewust heeft samengewerkt met [medeverdachte], dat sprake is van medeplegen. Het hof acht dan ook het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 3 februari 2019 te Schiphol tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 1.059 gram van een materiaal bevattende cocaïne.

Hetgeen primair meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen in de bijlage bij dit arrest zijn vervat.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het primair bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het primair bewezenverklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod.

Strafbaarheid van de verdachte

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het primair bewezenverklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte van het tenlastegelegde integraal vrijgesproken.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden, met aftrek van voorarrest.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van de opzettelijke invoer van ruim een kilogram aan bolletjes met cocaïne. De verdachte heeft daarbij een instruerende en ondersteunende rol vervuld door de betrokken drugskoerier van tips en opdrachten te voorzien ten aanzien van het vervoeren van de verdovende middelen in diens lichaam, hem geld te sturen en door zich naar Schiphol te begeven om de koerier op te halen. De ingevoerde hoeveelheid cocaïne was van dien aard dat deze kennelijk bestemd was voor handel en verdere verspreiding van deze voor de volksgezondheid schadelijke stof. Door aldus te handelen heeft de verdachte bijgedragen aan de instandhouding van de georganiseerde criminaliteit rondom verdovende middelen en – indirect – aan de strafbare feiten die worden begaan door aan harddrugs verslaafde personen teneinde hun drugsgebruik te bekostigen.

Het voorgaande brengt mee dat niet kan worden volstaan met oplegging van een andere straf dan een gevangenisstraf.

Het hof heeft bij het bepalen van de hoogte van die straf gelet op de straffen die in soortgelijke gevallen plegen te worden uitgesproken en die hun weerslag hebben gevonden in de Oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Voor de invoer van hoeveelheden harddrugs van 1.000 tot 1.500 gram wordt daarin een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 8 tot 12 maanden genoemd. In het nadeel van de verdachte weegt het hof dat hij blijkens de uittreksels uit zijn Justitiële Documentatie van 7 maart 2019 en 17 januari 2020 vijfmaal eerder onherroepelijk is veroordeeld tot vrijheidsstraffen van aanzienlijke duur voor aan verdovende middelen gerelateerde delicten, te weten op Curaçao, in Nederland en in Frankrijk. Gelet op deze justitiële voorgeschiedenis volstaat de door de raadsman bepleitte gevangenisstraf (6 maanden) geenszins, terwijl ook de door de advocaat-generaal geëiste gevangenisstraf (8 maanden) in dat licht onvoldoende recht doet aan de ernst van het bewezenverklaarde. Het hof ziet in een en ander aanleiding een gevangenisstraf op te leggen die zich aan de bovenkant van de door het LOVS genoemde bandbreedte bevindt.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. F.M.D. Aardema, mr. A.M. van Woensel en mr. J.J.I. de Jong, in tegenwoordigheid van

mr. C. Roseboom, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

13 februari 2020.

BIJLAGE

Bewijsmiddelen

1. Een proces-verbaal van bevindingen van 7 februari 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] (dossierpagina’s 13-15). Dit proces-verbaal houdt – zakelijk weergegeven – onder meer in als relaas van de verbalisant(en):

Op zondag 3 februari 2019 bevonden wij ons op de luchthaven Schiphol, in Aankomsthal 4. Omstreeks 10:30 uur zagen wij een man, die later [verdachte] bleek te zijn en die ons eerder die ochtend al was opgevallen doordat hij zoekend aan het rondkijken was. Omdat [verdachte] zich al lange tijd ophield in Aankomsthal 4 en constant op zijn telefoon bezig was, hebben wij besloten [verdachte] te observeren. Tijdens deze observatie zagen wij dat [verdachte] afhalersgedrag vertoonde door heen en weer te lopen naar Aankomsthal 3, daar door de ruiten te kijken naar de bagageband, zichtbaar op zoek naar iemand, en weer terug [te gaan] naar Aankomsthal 4.

Vervolgens ging [verdachte] weg en liep hij richting [Schiphol] Plaza en naar de parkeerautomaat bij de walk-away. Wij zagen wij [verdachte] betalen bij de parkeerautomaat en richting het World Trade Centre lopen. Voor de ingang van het World Trade Centre stond [verdachte] plotseling stil bij de uitgang naar P1. Wij zagen [verdachte] onrustig om zich heen kijken. Over de porto (het hof: portofoon) hoorden wij op dat moment dat twee personen waren aangehouden bij de G-Pier, die vermoedelijk verdovende middelen in hun lichaam hadden.

Tijdens de staandehouding (het hof: van [verdachte]) zag ik, [verbalisant 2], dat [verdachte] WhattsApp-berichten aan het verwijderen was van zijn telefoon. Wij hoorden [verdachte] zeggen dat hij een ticket wilde kopen bij de [maatschappij]-balie, maar dat ze geen ticket meer hadden voor Curaçao en dat hij toen weer weg is gegaan. Wij wisten dat [verdachte] zich meerdere uren had opgehouden in Aankomsthal 4.

[verdachte] heeft zijn rijbewijs uit zijn voertuig gehaald. Wij zijn om 12:30 uur overgegaan tot aanhouding (het hof: van [verdachte]). Na de aanhouding heb ik, [verbalisant 1], [verdachte] gefouilleerd en zijn telefoon in beslag genomen. [verdachte] wilde zijn telefoon niet afgeven en wilde hier niet aan meewerken. Toen ik, [verbalisant 2], de telefoon onder mij hield, reageerde [verdachte] agressief en geagiteerd.

2. Een proces-verbaal van bevinding en aanhouding van verdachte [medeverdachte] van 3 februari 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 3] en [verbalisant 4] (dossierpagina 77-79). Dit proces-verbaal houdt – zakelijk weergegeven – onder meer in als relaas van de verbalisant(en):

Naar aanleiding van de grote toevoer van verdovende middelen op de luchthaven Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, vanuit diverse risicolanden werd op 3 februari 2019 omstreeks 11:05 uur door de Douane, Unit Fysieke Toezicht Passagiers, een verscherpte controle uitgevoerd op vlucht [vlucht 1], vanuit Curaçao. Deze verscherpte controle vond plaats in Aankomsthal 4 van de luchthaven Schiphol, ter hoogte van bagageband 22. Hier werd een passagier genaamd [medeverdachte] geselecteerd. [medeverdachte] werd, met zijn reisbescheiden en handbagage, voor verdere controle overgebracht naar een visitatieruimte.

Ik, verbalisant [verbalisant 3], heb op 3 februari 2019 om 11:30 uur [medeverdachte] aangehouden als verdachte van vermoedelijke overtreding van artikel 2 van de Opiumwet.

3. Een proces-verbaal van onderzoek paspoort en reisbescheiden van verdachte [medeverdachte] van 3 februari 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 5] (dossierpagina’s 92-93). Dit proces-verbaal houdt – zakelijk weergegeven – onder meer in als relaas van de verbalisant:

Ten tijde van zijn aanhouding was verdachte [medeverdachte] in het bezit van de hieronder genoemde reisbescheiden:

■ Een vliegticket met nummer [nummer 1], afgegeven ten name van [medeverdachte].

Dit vliegticket was geldig voor de volgende routes:

- Amsterdam naar Curaçao op 15-1-2019 met vlucht [vlucht 2];

- Curaçao naar Amsterdam op 2-2-2019 met vlucht [vlucht 1].

■ Een [maatschappij]-instapkaart, afgegeven ten name van [medeverdachte] voor vlucht [vlucht 1]. Deze instapkaart was geldig voor de route Curaçao-Amsterdam op 2-2-2019.

4. Een proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen inzake [medeverdachte] van 6 februari 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 6] en [verbalisant 7] (dossierpagina’s 100-103). Dit proces-verbaal houdt – zakelijk weergegeven – onder meer in als relaas van de verbalisant(en):

Op woensdag 6 februari 2019 omstreeks 07:00 uur bevonden wij ons in de uitpakruimte voor verdovende middelen op Schiphol. Wij hebben toen de zogenaamde slikkersbollen uitgepakt van verdachte [medeverdachte]. Bij hem werden in het totaal 122 slikkersbollen aangetroffen die wij nader hebben onderzocht. Wij zagen dat niet alle slikkersbollen qua grootte identiek aan elkaar waren, derhalve hebben wij de slikkersbollen onderverdeeld in categorieën A en D (het hof begrijpt: A tot en met D).

Het nettogewicht van de aangetroffen stof bedroeg in totaal circa 1059,2 gram.

Ik, [verbalisant 7], nam vier representatieve monsters van de aangetroffen stof, om ter analyse te worden overgebracht naar het Douanelaboratorium te Amsterdam. Bij het District Koninklijke Marechaussee Schiphol te Schiphol zijn de monsters vastgelegd door middel van sporen identificatienummers (SIN):

SIN A: [nummer 2]

SIN B: [nummer 3]

SIN C: [nummer 4]

SIN D: [nummer 5]

5. Een rapport van het Douane Laboratorium met nummer [nummer 6] van 8 februari 2019, opgesteld door de wetenschappelijk medewerker [naam 1] (los in het dossier opgenomen). Dit rapport houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Op 7-02-2019 ontving ik een verzegelde plastic zak met daarin:

[nummer 2]) een verzegeld plastic zakje met wit korrelig materiaal

[nummer 3]) een verzegeld plastic zakje met wit korrelig materiaal

[nummer 4]) een verzegeld plastic zakje met wit korrelig materiaal

[nummer 5]) een verzegeld plastic zakje met wit. korrelig materiaal

Het materiaal werd onderzocht met behulp van microchemische reacties en met behulp van gaschromatografie met massaselectieve detectie. Hierbij werd vastgesteld dat het materiaal van alle bovenvermelde SIN-nummers cocaïne bevatte.

6. Een proces-verbaal analyse telecom [medeverdachte] van 3 maart 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] (dossierpagina’s 23-25). Dit proces-verbaal houdt – zakelijk weergegeven – onder meer in als relaas van de verbalisant:

Op zondag 3 februari 2019 werd [medeverdachte], geboren op [geboortedag 2]-1976 op Curaçao, aangehouden ter zake van vermoedelijke overtreding van de Opiumwet. Onder [medeverdachte] zijn onderstaande telecommunicatiemiddelen in beslag genomen:

  • -

    Samsung, SM-A300FU, zwart van kleur
    Telefoonnummer: [telefoonnummer 1]

  • -

    Simkaart in toestel
    Simkaartnummer: [nummer 7]

De inbeslaggenomen telefoon van [medeverdachte] is geanalyseerd. Bij deze analyse kwam naar voren dat WhatsApp-gesprekken plaatsvonden in de periode van 18 december 2018 tot en met 2 februari 2019 tussen [medeverdachte] en “[verdachte]” in de Papiamento taal. De WhatsApp-gesprekken zijn vertaald. Hier kwam naar voren dat:

  • -

    [medeverdachte] vraagt: “[naam 2], week is begonnen. Hoe gaat het? laat me weten of je dat ene ding doe";

  • -

    [verdachte] antwoordt: “200 gulden heb je nodig of euro?”

  • -

    [medeverdachte] antwoordt: “stuur het maar voor me, de 200 euro”;

  • -

    [medeverdachte] een afbeelding stuurt van de personalia-pagina van zijn paspoort;

  • -

    [medeverdachte] een afbeelding met zijn gegevens van zijn ABN-bankpas stuurt;

  • -

    [verdachte] een afbeelding stuurt van een geldtransactie van 200 euro via Western Union;

  • -

    op de afbeelding van deze transactie te zien is dat de afzender [verdachte] is;

  • -

    [verdachte] een afbeelding van een krantenartikel stuurt met als kop dat Schiphol veel 100%-controles laat lopen i.v.m. personeelstekort;

  • -

    [medeverdachte] vraagt: “kan ik er gewoon op eten”;

  • -

    [verdachte] hierop antwoordt: “ja” “brood” “droge rijst” “alleen droge dingen”;

  • -

    [medeverdachte] vraagt: “kan ik wel een bier drinken op ding?”;

  • -

    [verdachte] hierop antwoordt: “beter van niet” “het opent je”;

  • -

    [medeverdachte] vraagt: “Waar? Haal het aan de kant";

  • -

    [medeverdachte] zegt: “alleen 6 brood heb ik net gekocht”;

  • -

    [verdachte] antwoordt: “helemaal, nik meer zeggen. Doe je best [naam 2]”;

  • -

    [verdachte] zegt: “nu gaat het ding omhoog”;

  • -

    [medeverdachte] antwoordt: “zo direct om 8 uur stijgt het”

7. Een proces-verbaal vaststellen telefoonnummer [verdachte] van 3 maart 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] (dossierpagina’s 20 tot en met 22). Dit proces-verbaal houdt – zakelijk weergegeven – onder meer in als relaas van de verbalisant:

[verdachte] heeft in 2015 opgegeven gebruiker te zijn van telefoonnummer [telefoonnummer 2]. [verdachte] gebruikt bijnamen, waaronder “[verdachte]”, “[verdachte]” en “[verdachte]”. In de in beslag genomen telefoon van de op 3 februari 2019 aangehouden [medeverdachte] werd een WhatsApp-gesprek aangetroffen tussen (het hof: het nummer van) [medeverdachte] en “[verdachte]” met telefoonnummer [telefoonnummer 2].

8. Een proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte] van 5 maart 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 8] en [verbalisant 9] (dossierpagina’s 49-56). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de vragen (V) en opmerkingen (O) van de verbalisanten en, in antwoord (A) daarop als de verklaring van verdachte [verdachte]:

O: Op 3 februari 2019, de dag dat u op Schiphol was, is [medeverdachte] aangehouden voor het invoeren van verdovende middelen. In zijn inbeslaggenomen telefoon zijn WhatsApp-gesprekken gevonden waarin hij contact heeft met telefoonnummer [telefoonnummer 2]. Kent u dat nummer?

A: Ja van mij (…). Oke ik ken [medeverdachte] (het hof begrijpt: [medeverdachte]) wel, ik moest hem ophalen. Hij had me geappt om hem op te halen en (hij) zou mij iets geven.

W: Wist u met elke vlucht hij aankwam?

A: Ja, met [maatschappij].

V: Terugkomende op de WhatsApp-gesprekken met [medeverdachte]. Er is een WhatsApp-gesprek aangetroffen tussen [medeverdachte] en u. Hierin wordt gevraagd door [medeverdachte]: “Kan ik gewoon op eten?”, waar u op antwoordt: "ja brood" "droge rijst" "alleen droge dingen". Wat bedoelt u hiermee?

A: [medeverdachte] zijn probleem.

V: Wij tonen u afbeelding 2 (het hof begrijpt: de hiervoor in bewijsmiddel 6 genoemde afbeelding van een geldtransactie van 200 euro via Western Union). Wat ziet u?

A: [medeverdachte] heeft mij gevraagd om 200 euro.

=========================================================================

[…]