Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:1092

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
13-02-2020
Datum publicatie
17-04-2020
Zaaknummer
23-003527-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor de opzettelijke uitvoer van XTC-pillen uit Nederland. Vernietiging vonnis wegens andere bewezenverklaring. Het hof overweegt daartoe dat de bij Opiumwetdelicten vaak in de tenlastelegging opgenomen passage “zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I/II” moet worden beschouwd als een louter kwalificatieve zinsnede die geen deel uitmaakt van de feitsomschrijving, zodat de bewijsvraag daarop geen betrekking heeft. De rechtbank heeft deze passage ten onrechte opgenomen in de bewezenverklaring. Het verweer dat de verdachte niet wist van de XTC-pillen in zijn koffer wordt verworpen door de inhoud van de bewijsmiddelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-003527-19

datum uitspraak: 13 februari 2020

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 12 september 2019 in de strafzaak onder parketnummer 15-120251-19 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Italië) op [geboortedag] 1984,

thans gedetineerd in P.I. Veenhuizen, gevangenis Esserheem te Veenhuizen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

30 januari 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 16 mei 2019 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet, ongeveer 3.785,3 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA (XTC), zijnde MDMA een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een enigszins andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank. Het hof overweegt daartoe dat de bij Opiumwetdelicten vaak in de tenlastelegging opgenomen passage “zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I/II” moeten worden beschouwd als een louter kwalificatieve zinsnede die geen deel uitmaakt van de feitsomschrijving, zodat de bewijsvraag daarop geen betrekking heeft. De rechtbank heeft deze passage dan ook ten onrechte opgenomen in de bewezenverklaring.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 16 mei 2019 te Schiphol opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht 3.785,3 gram van een materiaal bevattende MDMA (XTC).

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen in de bijlage bij dit arrest zijn vervat. Het door de raadsvrouw gevoerde verweer en de stelling van de verdachte dat hij niet wist van de XTC-pillen in zijn koffer worden weerlegd door de inhoud daarvan.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod.

Strafbaarheid van de verdachte

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 34 maanden, met aftrek van voorarrest.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg is opgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de opzettelijke uitvoer van 3.785,3 gram MDMA door dit op Schiphol (op reis van Nederland naar Chili) met zich te voeren in een dubbele bodem in zijn koffer. Deze drugs zijn schadelijk voor de gezondheid van personen. De uitgevoerde hoeveelheid was voorts van dien aard dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De verspreiding van harddrugs en de handel daarin gaan gepaard met allerlei andere soorten van (georganiseerde) criminaliteit. Gelet hierop acht het hof geen andere straf op zijn plaats dan een gevangenisstraf van substantiële duur.

Het hof heeft gelet op de straffen die in soortgelijke gevallen plegen te worden uitgesproken. Deze straffen hebben hun weerslag gevonden in de Oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Voor de uitvoer van hoeveelheden harddrugs van 3.000 tot 4.000 gram wordt daarin een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 30 tot 36 maanden genoemd. De door de rechtbank opgelegde straf loopt daarmee in de pas. Het hof ziet in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, als ter terechtzitting in hoger beroep naar voren gekomen, geen reden een lagere straf op te leggen dan de rechtbank heeft gedaan.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden. Voor inwilliging van de andere verzoeken die de raadsvrouw namens de verdachte heeft gedaan – verzoeken om toekenning van 15 miljoen euro aan schadevergoeding en verstrekking van een Nederlands paspoort aan de verdachte – ziet het hof termen noch mogelijkheden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen-verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 34 (vierendertig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast de teruggave aan de verdachte van het inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

- een paspoort met nummer [paspoortnummer] op naam van de verdachte.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.M. van Woensel, mr. F.M.D. Aardema en mr. J.J.I. de Jong, in tegenwoordigheid van

mr. C. Roseboom, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

13 februari 2020.

BIJLAGE

Bewijsmiddelen

1. Een proces-verbaal van 16 mei 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren, tevens ambtenaren van de Belastingdienst, [verbalisant 1] en [verbalisant 2] (dossierparagraaf 1.1). Dit proces-verbaal houdt – zakelijk weergegeven – onder meer in als relaas van de verbalisant(en):

Op 16 mei 2019 bevonden wij ons om 19.05 uur op de luchthaven Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, bij lateral 127 in de TSD-kelder, alwaar de bagage werd geladen van de uitgaande vlucht [vlucht] met bestemming Santiago, Chili. Wij hadden een controle-opdracht ontvangen van het Douane Landelijk Tactische Centrum met onder andere de volgende gegevens:
- [verdachte]
- Vluchtnummer bestemming [vlucht] .
Ik, verbalisant [verbalisant 2] , zag in een bagagecontainer een blauwe koffer liggen. Daaraan was een bagagelabel bevestigd, met de naam [verdachte] , bagagelabelnummer [nummer 1] en vluchtnummer [vlucht] met bestemming Santiago, Chili. Ik, verbalisant [verbalisant 1] , heb de koffer geopend. Ik zag zwarte stof op de bodem van de koffer. Ik heb die stof stuk getrokken. Vervolgens zag ik een kartonnen plaat liggen; bij het stuk trekken van de kartonnen plaat zag ik een pakket liggen dat omwikkeld was met plakband. Hierop heb ik met een mes een opening gemaakt in het pakket zag en ik zag blauwe pillen. Wij hebben de koffer overgebracht naar douanecontroleruimte G10 en deze overgedragen aan collega’s.

2. Een proces-verbaal van aanhouding van 16 mei 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 3] en [verbalisant 4] (dossierparagraaf 1.2). Dit proces-verbaal houdt – zakelijk weergegeven – onder meer in als relaas van de verbalisant(en):

Op 16 mei 2019 omstreeks 19:35 uur bevonden wij ons op de Luchthaven Schiphol. Op voornoemd tijdstip werd ik, verbalisant [verbalisant 3] , telefonisch op de hoogte gebracht dat het kelderteam van de Douane (hof: een koffer met) een dubbele bodem met daarin vermoedelijk verdovende middelen had aangetroffen. Het zou gaan om [verdachte] die zou gaan vertrekken met vlucht [vlucht] met bestemming Santiago, Chili. Wij liepen naar gate E-07, vanwaar die vlucht zou vertrekken. Tijdens het boarden overhandigde een medewerkster van de [maatschappij] mij, verbalisant [verbalisant 3] , een paspoort en een instapkaart op naam van [verdachte] en werd mij een man aangewezen. Wij hebben [verdachte] aangesproken en aangehouden.

3. Een Ontvangstbewijs Teruggave Goederen, van 17 mei 2019 met mutatienummer [nummer 2] , dat slechts in samenhang met de andere bewijsmiddelen tot het bewijs wordt gebezigd. Dit geschrift houdt, zakelijk weergegeven en voor zover van belang, in:

Goednummer: [nummer 3]
Object: Claimtag
Merk: [maatschappij]
Serienummer: [nummer 1]
Op naam van: [verdachte]
Bijzonderheid: Aangetroffen bij verdachte [verdachte]

4. Een proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen van 18 mei 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 5] , [verbalisant 6] en [verbalisant 7] (dossierparagraaf 1.1.3). Dit proces-verbaal houdt – zakelijk weergegeven – onder meer in als relaas van de verbalisanten dan wel een (of meer) van hen:
Op 16 mei 2019 ontving de Koninklijke Marechaussee een melding van de Douane dat in de ruimbagage van een passagier, reizend van Amsterdam naar Santiago, Chili, een hoeveelheid vermoedelijke verdovende middelen was aangetroffen. De ruimbagage bestond uit een blauwe rolkoffer. Wij hebben die koffer nader onderzocht. Wij zagen dat aan de rolkoffer een bagagelabel was bevestigd en dat daarop de volgende gegevens waren vermeld: [nummer 1] - [verdachte] - 16 MAY19. Wij zagen aan de buitenzijde van de bodem een verdikking zitten. Bij het verwijderen van de binnenhoes zagen wij karton. Hierop hebben wij de rug van de koffer geopend. Wij zagen een tweetal pakketten. Wij hebben de pakketten onderverdeeld in categorie A en B.
In het pakket van categorie A troffen wij blauwe pillen aan. Wij hebben de pillen als volgt gecategoriseerd:
- categorie A1: blauwe hartvormige pillen
- categorie A2: blauwe zeshoekige pillen.
In het pakket van categorie B zagen wij twee plastic sealbags waarin wij blauwe pillen aantroffen. Wij hebben de pillen als volgt gecategoriseerd:
- categorie B1.1: blauwe hartvormige pillen
- categorie B1.2: blauwe zeshoekige pillen
- categorie B2.1: blauwe hartvormige pillen
- categorie B2.2: blauwe zeshoekige pillen.
Het totaal nettogewicht van de pillen is 3.785,3 gram.
Van elke categorie is een representatief monster genomen van de aangetroffen stof, bestemd om ter analyse te worden overgebracht naar het Douane Laboratorium te Amsterdam. De monsters zijn vastgelegd onder de volgende sporen identificatie nummers (SIN):
- categorie Al: [nummer 4]
- categorie A2: [nummer 5]
- categorie B1.1: [nummer 6]
- categorie B1.2: [nummer 7]
- categorie B2.1: [nummer 8]
- categorie B2.2: [nummer 9] .

5. Een deskundigenverslag, te weten een rapport van het Douane Laboratorium met nummer [nummer 10] van 23 mei 2019, opgemaakt door [verbalisant 8] , MSc. Dit rapport houdt, zakelijk weergegeven en onder meer, in:

Op 21 mei 2019 ontving ik een verzegelde plastic zak met daarin:
[nummer 4] ) een verzegeld plastic zakje met negen blauwe tabletten
[nummer 5] ) een verzegeld plastic zakje met vijf blauwe tabletten
[nummer 6] ) een verzegeld plastic zakje met zes blauwe tabletten
[nummer 7] ) een verzegeld plastic zakje met negen blauwe tabletten
[nummer 8] ) een verzegeld plastic zakje met zes blauwe tabletten
[nummer 9] ) een verzegeld plastic zakje met zeven blauwe tabletten.
Het materiaal werd onderzocht met behulp van fourier transform infraroodspectroscopie en gaschromatografie met massaselectieve detectie. Hierbij werd vastgesteld dat het materiaal van alle SIN-nummers 3,4-MDMA bevatte.

6. Een proces-verbaal van verhoor van 17 mei 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 9] en [verbalisant 10] (dossierparagraaf 1.5). Dit proces‑verbaal houdt – zakelijk weergegeven – onder meer in als de verklaring van de verdachte (V = vraag van de verbalisanten, A = het antwoord van de verdachte):

V: Met welke bagage bent u vanuit Nederland vertrokken naar Chili?
A: Met de koffer waardoor ik aangehouden ben.

V: Was u op de hoogte dat er verdovende middelen in uw koffer zaten voordat u op reis ging?
A: Ja.
V: Wat was de reden dat u verdovende middelen ging smokkelen terwijl u wist dat het verboden was?
A: Voor twee dingen. Voor geld. Voor adrenaline. Om te kijken als je gepakt wordt, hoe dat gaat. Het Nederlandse systeem is niet geheel waterdicht.

=========================================================================

[…]