Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:1089

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
08-04-2020
Datum publicatie
28-04-2020
Zaaknummer
200.271.111/01 OK
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WMS; handhaving en naleving WMS; redelijke kosten rechtsbijstand; art. 34, 11 en 28 lid 2 WMS

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2020-0513
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

___________________________________________________________________

GERECHTSHOF AMSTERDAM

ONDERNEMINGSKAMER

zaaknummer : 200.271.111/01 OK

beschikking van de Ondernemingskamer van 8 april 2020

inzake

DE MEDEZEGGENSCHAPSRAAD VAN HELEN PARKHURST,

gevestigd te Almere,

VERZOEKER,

advocaat: mr. W.H. Hogerzeil, kantoorhoudende te Amsterdam,

t e g e n

de stichting

STICHTING OPENBAAR ONDERWIJS ALMERE,

gevestigd te Almere,

VERWEERSTER,

advocaat: mr. G.J. Heussen, kantoorhoudende te Baarn.

1 Het verloop van het geding

1.1

In het vervolg zal verzoeker (ook) worden aangeduid als de MR en verweerster met SOOA.

1.2

De MR is bij op 19 december 2019 ter griffie van de Ondernemingskamer ingekomen verzoekschrift, met producties, in beroep gekomen tegen de uitspraak van de Landelijke Commissie voor Geschillen Wms (hierna: de commissie) van 19 november 2019, gewezen onder nummer 108866, tussen de MR als verzoeker en SOOA als verweerster. In deze uitspraak heeft de commissie, kort gezegd:

- geoordeeld dat de MR niet-ontvankelijk is in zijn verzoeken met betrekking tot de begroting 2019 van Helen Parkhurst;

- het verzoek van de MR tot het vergoeden van de kosten van het raadplegen van een deskundige en het voeren van rechtsgedingen in zoverre toegewezen dat deze kosten van de MR ten laste komen van SOOA tot een bedrag van in totaal € 7.000, inclusief btw;

- het verzoek van de MR tot het opleggen van een dwangsom afgewezen.

1.3

De MR heeft de Ondernemingskamer verzocht hem een termijn te gunnen om de gronden van zijn verzoek aan te vullen en verder om de bestreden uitspraak te vernietigen en, opnieuw rechtdoende:

- te bepalen dat de MR ontvankelijk is in zijn verzoeken met betrekking tot de begroting 2019 van Helen Parkhurst en dat het door SOOA genomen besluit tot vaststelling van de schoolbegroting 2019 niet in stand kan blijven;

- SOOA te verplichten de schoolbegroting alsnog ter advisering aan de MR voor te leggen;

- te bepalen dat SOOA de noodzakelijke kosten op zich neemt van de advisering aan de MR met betrekking tot de onderhavige aangelegenheid en het voeren van rechtsgedingen in twee instanties.

1.4

SOOA heeft bij op 4 februari 2019 ter griffie van de Ondernemingskamer ingekomen verweerschrift met producties de Ondernemingskamer verzocht de bestreden uitspraak te bekrachtigen en de verzoeken van de MR voor het overige af te wijzen.

1.5

Het verzoek is behandeld ter openbare terechtzitting van de Ondernemingskamer van 27 februari 2019. Bij die gelegenheid hebben de advocaten de standpunten van de onderscheiden partijen toegelicht aan de hand van - aan de Ondernemingskamer en de wederpartij overgelegde - aantekeningen en onder overlegging van op voorhand aan de Ondernemingskamer en de wederpartij gezonden nadere producties. Partijen en hun advocaten hebben vragen van de Ondernemingskamer beantwoord en inlichtingen verstrekt.

1.6

Op verzoek van de Ondernemingskamer heeft mr. Hogerzeil bij e-mail van 5 maart 2020 een concept-declaratie met bijbehorende specificatie toegezonden ter zake van de door hem ten behoeve van de MR verrichte werkzaamheden in de procedure bij de Ondernemingskamer. SOOA heeft daarop op 10 maart 2020 schriftelijk gereageerd.

1.7

De Ondernemingskamer heeft de secretaris van de commissie gevraagd een proces-verbaal op te stellen ter zake van hetgeen ter zitting van de commissie van 8 oktober 2019 is besproken met betrekking tot de bijlage bij de op 14 januari 2019 door de rector van Helen Parkhurst aan de MR gezonden e-mail (zie 2.3). Bij e-mail van 18 maart 2020 heeft de secretaris van de commissie dienaangaande een ‘partieel’ proces-verbaal aan de Ondernemingskamer toegezonden. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren en hebben op 26 maart 2020 van die gelegenheid gebruik gemaakt.

2 De vaststaande feiten

2.1

De (koepel)stichting Almeerse Scholen Groep (hierna: ASG) is een samenwerkingsverband van stichtingen die basisscholen en scholen voor voortgezet onderwijs in stand houden in Almere. SOOA is een van de samenwerkende stichtingen en voert het gezag over 62 scholen, 54 voor basisonderwijs en acht voor voortgezet onderwijs. Eén van deze scholen voor voortgezet onderwijs is Helen Parkhurst.

2.2

De ASG kende een medezeggenschapsstructuur met onder meer een boven bestuurlijk medezeggenschapsorgaan voor het voortgezet onderwijs (BBMR-VO) en gemeenschappelijke medezeggenschapsraden (GMR) op het niveau van de samenwerkende stichtingen, waaronder dus SOOA. De afzonderlijke scholen hebben ieder een eigen medezeggenschapsraad (MR). De MR Helen Parkhurst bestaat uit zestien gekozen leden: acht medewerkers, zowel onderwijzend personeel als onderwijsondersteunend personeel, vier ouders/verzorgers van leerlingen en vier leerlingen.

2.3

Een e-mail van 14 januari 2019 van de rector van Helen Parkhurst aan de MR houdt onder meer het volgende in:

“Onderwerp: HP begroting 2019

Status: Ter advies aan de MR

Algemeen: HP begroting 2019

Bijlagen(n) 1: MR 3302 HP Begroting 2019 def

(…)”

Bij deze e-mail is als bijlage een bestand gevoegd inhoudende een zeventien pagina’s tellende “exploitatie-begroting totaal” Helen Parkhurst over 2019, met bijbehorende specificaties (hierna: de begroting 2019).

2.4

Op 28 februari 2019 heeft de MR een negatief advies uitgebracht “m.b.t. begroting Helen Parkhurst 2019”.

2.5

Bij e-mail van 24 mei 2019 heeft de MR aan de rector van Helen Parkhurst het volgende geschreven:

“Op 14 januari 2019 ontving de MR van jullie de HP begroting 2019 “ter advies”. Op 28 februari hebben we jullie een negatief advies over deze begroting gestuurd (…) wij [verzoeken] jullie inhoudelijk op dit door jullie gevraagde advies te reageren, of de adviesaanvraag gemotiveerd formeel in te trekken.”

2.6

Bij e-mail van 3 juni 2019 heeft de rector van Helen Parkhurst daarop als volgt gereageerd:

“De schoolleiding van HP trekt de adviesaanvraag door middel van deze brief in met als motivering dat deze aangelegenheid niet onder het adviesrecht van de MR HP valt maar onder het adviesrecht van de BBMR.”

2.7

Desgevraagd heeft de rector van Helen Parkhurst bij e-mail van 21 juni 2019 aan de MR geschreven:

“De begroting voor 2019 van de ASG – waarvan de begroting van HP deel uitmaakt – is formeel door het CvB vastgesteld in de maand december 2018.”

2.8

Bij brief van 12 juli 2019 heeft Mr. Hogerzeil aan SOOA geschreven dat de MR hem als deskundige wil raadplegen ter zake van het intrekken van de adviesaanvraag van 14 januari 2019 en daarbij verzocht te bevestigen dat SOOA de redelijkerwijs noodzakelijke kosten daarvan zal dragen, vooralsnog begroot op 10,5 uur a € 265 per uur, te vermeerderen met 8% kantoorkosten en btw. Ten aanzien van de kosten van toekomstige werkzaamheden waaronder het voeren van rechtsgedingen bij de commissie en de Ondernemingskamer heeft mr. Hogerzeil geschreven dat de kosten daarvan lastig zijn in te schatten, maar dat dit – mede afhankelijk van de reactie van SOOA – ongeveer 10 tot 25 uren per geschil zal vergen, maar dat dit ook meer of minder zal kunnen zijn. Tot slot heeft mr. Hogerzeil SOOA verzocht de intrekking van de adviesaanvraag ongedaan te maken.

2.9

De MR heeft op 16 juli 2019 – aangevuld op 1 augustus 2019 – een verzoekschrift ingediend bij de commissie waarin, kort gezegd, wordt verzocht te bepalen, primair, dat SOOA niet in redelijkheid tot vaststelling van de begroting 2019 heeft kunnen besluiten, althans subsidiair, SOOA de verplichting op te leggen de begroting 2019 alsnog ter advisering aan de MR voor te leggen en te bepalen dat SOOA de redelijkerwijs noodzakelijke kosten van de gemachtigde van de MR zal dragen, op straffe van verbeurte van een dwangsom. SOOA heeft op 17 september 2019 een verweerschrift ingediend bij de commissie. De commissie heeft het geschil op 8 oktober 2019 mondeling behandeld.

2.10

De commissie heeft op 19 november 2019 uitspraak gedaan. De commissie heeft het volgende overwogen:

“Op grond van artikel 31 lid 1 Wms is de Commissie bevoegd kennis te nemen van geschillen, bedoeld in onder meer artikel 34 Wms. Ingevolge artikel 34 lid 2 Wms kan de MR aan de Commissie een geschil voorleggen als het bevoegd gezag een besluit neemt waarbij het een advies van de MR, vereist ingevolge artikel 11 Wms, niet of niet geheel volgt. (…) de Commissie stelt vast dat de wet noch het medezeggenschapsreglement van de school bepaalt dat de (G)MR adviesrecht heeft over vaststelling of wijziging van de jaarlijkse begroting. (…) De MR komt op grond van art. 11 eerste lid onder b Wms adviesrecht toe ten aanzien van de vaststelling van de hoofdlijnen van het meerjarig financieel beleid. (…) In het onderhavige verzoek is alleen de jaarlijkse begroting onderwerp van geschil. Dat het bevoegd gezag reeds een aantal jaren de jaarlijkse begroting voor advies aan de MR heeft voorgelegd, maakt niet dat de MR adviesrecht heeft. Bepalend voor de bevoegdheden van de MR zijn uitsluitend de Wms, het medezeggenschapreglement en het medezeggenschapsstatuut. Die bevatten niet het voorschrift dat de MR adviesrecht heeft ten aanzien van een voorgenomen besluit tot vaststelling of wijziging van de jaarlijkse begroting.

Het voorgaande betekent dat de MR geen adviesrecht heeft op de jaarlijkse begroting van de school, zodat het verzoek niet-ontvankelijk is. Uit de aard der zaak treft dit oordeel ook het nalevingsverzoek van de MR, dat er immers op gericht is dat de MR alsnog in de gelegenheid wordt gesteld advies te geven over de jaarlijkse begroting van de school. (…)

De MR heeft (…) in zijn brief aan het bevoegd gezag van 12 juli 2019 voldoende gegevens aan het bevoegd gezag verstrekt. De Commissie oordeelt deze kosten als redelijkerwijs noodzakelijke kosten van het raadplegen van een deskundige, zodat deze voor vergoeding in aanmerking komen. Het betreft 10,5 uur maal uurtarief van €265,- exclusief 8% kantoorkosten en btw, derhalve € 2.782,50 exclusief 8% kantoorkosten en btw. (…) blijkens de wetsgeschiedenis (Kamerstukken II, 2014/15, 34251, nr. 3 p. 43) [worden] de kosten van een nalevingsgeschil over de vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in een geschil bij de Commissie en de Ondernemingskamer in ieder geval (…) aangemerkt als redelijkerwijs noodzakelijke kosten, onafhankelijk van de vraag welke partij in het ongelijk wordt gesteld. Derhalve komen die kosten voor vergoeding door het bevoegd gezag in aanmerking. De MR heeft aangegeven dat het aantal aan het adviesgeschil en nalevingsgeschil bestede uren tezamen minimaal 20 en maximaal 50 uur zal kunnen bedragen. Dit zou in extremis een in rekening gebracht totaalbedrag van € 16.032,50 exclusief 8% kantoorkosten en btw inhouden. De Commissie is van oordeel dat het daarmee mogelijk in rekening gebrachte totaalbedrag in geen verhouding staat tot de aard en de omvang van het onderhavige geschil en dat de kosten, door de combinatie van het gehanteerde tarief en de bestede tijd, ook in absolute zin niet als redelijk kunnen worden aangemerkt. De Commissie zal daarom het door de MR in rekening te brengen bedrag matigen tot in totaal 7.000 euro inclusief btw. Aldus komt in verband met vergoeding van de kosten van de MR die zijn gemaakt ter beoordeling van de vraag of het redelijk is een deskundige te raadplegen alsmede de kosten van zowel de advisering van de MR als van de rechtsbijstand ter zake van de aanhangig gemaakte geschillen ex artikel 34 lid 3 Wms en het nalevingsgeschil een totaal bedrag van € 7.000, inclusief btw ten laste van het bevoegd gezag. Voor het opleggen van een dwangsom ziet de Commissie geen aanleiding.”

2.11

Mr. Hogerzeil heeft op 18 november 2019 aan SOOA een factuur gestuurd voor een bedrag van € 14.994,88, inclusief 8% kantoorkosten en btw, ter zake van in totaal 43,3 uren aan werkzaamheden in de maanden juli tot en met oktober 2019, betreffende de advisering van de MR en de procedure bij de commissie.

2.12

Bij e-mail van 18 december 2019 heeft mr. Hogerzeil aan SOOA geschreven dat de MR in beroep gaat van de uitspraak van de commissie en, onder verwijzing naar de kostenopgave in zijn brief van 12 juli 2019, verzocht te bevestigen dat de daarvoor redelijkerwijs noodzakelijke kosten door SOOA zullen worden vergoed.

2.13

Bij e-mail van 5 maart 2020 heeft mr. Hogerzeil aan de Ondernemingskamer een concept-declaratie met bijbehorende specificatie gestuurd voor een bedrag van € 12.861,57, inclusief 8% kantoorkosten en btw, ter zake van in totaal (na matiging) 35 uren aan werkzaamheden in de maanden november 2019 tot en met februari 2020 en € 741 aan verschotten, betreffende de ten behoeve van de MR verrichte werkzaamheden in de procedure bij de Ondernemingskamer.

3 De gronden van de beslissing

3.1

De MR heeft aan zijn verzoek - kort gezegd - ten grondslag gelegd dat, anders dan de commissie heeft geoordeeld, aan de MR ter zake van de begroting 2019 van Helen Parkhurst op grond van artikel 11 lid 1 onder b Wms adviesbevoegdheid toekomt. Ter zitting van 27 februari 2020 heeft de MR daar aan toegevoegd dat de bijlage bij de e-mail van 14 januari 2019, zoals die door SOOA in de procedure bij de commissie als productie was overgelegd, betrekking had op de jaren 2019 tot en met 2023 en de adviesaanvraag dus zag op de vaststelling van de hoofdlijnen van het meerjarig financieel beleid, waarover de MR op grond van artikel 11, eerste lid onder b Wms behoort te kunnen adviseren. Ook indien dat niet zo zou zijn geldt volgens de MR dat nu de rector van Helen Parkhurst de MR heeft verzocht te adviseren over de begroting 2019, deze adviesaanvraag niet eenzijdig kan worden ingetrokken. Ter zake van de kosten betoogt de MR dat het door de commissie toegewezen bedrag willekeurig is vastgesteld en niet voldoende is ter dekking van de redelijkerwijs noodzakelijke kosten van rechtsbijstand in de gevoerde procedure bij de commissie. De kosten van rechtsbijstand in de procedure bij de Ondernemingskamer zijn in ieder geval redelijkerwijs noodzakelijk gemaakt en komen als redelijk voor vergoeding in aanmerking, aldus de MR.

3.2

SOOA heeft zich verweerd. De Ondernemingskamer zal hieronder waar nodig op dit verweer ingaan.

Nadere gronden

3.3

De Ondernemingskamer overweegt allereerst dat de MR zijn verzoekschrift heeft ingediend “op nader aan te voeren gronden” en heeft verzocht hem in de gelegenheid te stellen om zijn verzoekschrift op een door de Ondernemingskamer te stellen termijn aan te vullen. De MR miskent daarmee dat in artikel 278 Rv is bepaald dat het verzoekschrift het verzoek vermeldt en de gronden waarop het berust. Het is dan ook terecht dat de MR ter zitting van 27 februari 2020 zijn verzoek om de gronden nader te mogen aanvullen heeft ingetrokken.

Ontvankelijkheid

3.4

Ingevolge artikel 36 Wms kan de MR bij de Ondernemingskamer beroep instellen tegen een uitspraak van de commissie op grond van - onder meer - het bepaalde in artikel 34 Wms. Artikel 34 Wms bepaalt dat de MR aan de commissie een geschil kan voorleggen als het bevoegd gezag een besluit neemt waarbij het een advies van de MR, vereist ingevolge artikel 11 Wms, niet of niet geheel volgt. Op grond van artikel 35 Wms kan de MR aan de commissie een geschil voorleggen inzake de naleving door het bevoegd gezag van de bij of krachtens de Wms geldende verplichtingen jegens de MR. Op grond van artikel 11 lid 1 onder b Wms komt de MR een adviesbevoegdheid toe ten aanzien van de vaststelling van de hoofdlijnen van het meerjarig financieel beleid. In artikel 24 lid 3 Wms is opgenomen dat in het medezeggenschapsreglement voor de MR kan worden geregeld dat door het bevoegd gezag te nemen besluiten met betrekking tot nader in het reglement te omschrijven aangelegenheden, ook advies van de MR behoeven als bedoeld in artikel 11 Wms.

3.5

Tussen partijen is niet in geschil dat de rector van Helen Parkhurst de MR bij e-mail van 14 januari 2019 heeft gevraagd te adviseren met betrekking tot de bij die e-mail als bijlage gevoegde begroting 2019. Tussen partijen heeft aanvankelijk echter discussie bestaan over de inhoud van de bijlage bij de e-mail.

3.6

Bij het verweerschrift bij de commissie heeft SOOA als bijlage bij de e-mail van 14 januari 2019 een drie pagina’s tellend document overgelegd, getiteld ‘Helen Parkhurst, exploitatie begroting totaal’, dat cijfers bevat aangaande de realisatie 2017, raming 2018 en begroting 2019 t/m 2023 (hierna: de meerjarenbegroting). Ter zitting van de commissie op 8 oktober 2019 is aan de orde geweest dat de meerjarenbegroting niet de bij de e-mail van 14 januari 2019 verzonden bijlage was. In het partieel proces-verbaal dat de secretaris van de commissie aan de Ondernemingskamer heeft toegezonden is daarover vermeld:

“ [A] [rector Helen Parkhurst, OK]: ik zal u zeggen waar de verwarring zit. Dit document ken ik, dat heb ik gemaakt. (…) Ik heb daar de begroting 2019 uitgehaald omdat die officieel was vastgesteld door de ASG en dat de enige was die was vastgesteld voor mij. En die heb ik vervolgens gedeeld met de MR.

Voorzitter: En dat was niet dit document?

[A] : Nee, dat was, zeg maar, dit document, min de jaren die erna kwamen. Dus alleen 2019.

[B] [lid commissie, OK]: Dus u heeft alleen 2019 overgelegd?

[A] : Ja maar wel gespecificeerd met alles erin. Niet voor 20, 21 en zo.

[B] : Is daar nog overleg over geweest? Een vergadering, of…..

[A] : Deze zijn gewoon in de MR langs geweest en besproken, want uiteindelijk hebben we ze ook gevraagd daar advies op te geven. Dus we hebben het daarover ook met elkaar gehad.

[B] : En ging die bespreking dan echt over 2019, of ging die over uitgangspunten…..

[A] : Dat ging over 2019, met name over hoe het kwam, dat bedrag onder aan de streep, zeg maar anders was. Dus daar heb ik een toelichting op moeten geven (…).”

3.7

De commissie heeft vervolgens in de uitspraak van 19 november 2019 overwogen dat de rector op 14 januari 2019 “een adviesaanvraag voor de begroting 2019” aan de MR heeft voorgelegd en de commissie is ook op basis daarvan tot haar oordeel gekomen.

3.8

De MR heeft op 17 februari 2020, als (nadere) productie bij zijn verzoekschrift in hoger beroep, onder meer het door SOOA bij de commissie ingediende verweerschrift, met bijlagen ingediend. Daarbij bevond zich wederom de meerjarenbegroting, waarvan bij de commissie was vastgesteld dat dit niet de bijlage was bij de e-mail van 14 januari 2019. Bij e-mail van 27 februari 2020 heeft mr. Hogerzeil op voorhand aan de Ondernemingskamer en SOOA de pleitnota gestuurd voor de later die dag te houden zitting. In die pleitnota wordt door de MR alsnog het standpunt ingenomen dat de bijlage bij de e-mail van 14 januari 2019, zoals die door SOOA in de procedure bij de commissie als productie was overgelegd, betrekking had op de jaren 2019 tot en met 2023 en dat de adviesaanvraag dus zag op de vaststelling van de hoofdlijnen van het meerjarig financieel beleid, als bedoeld in artikel 11 lid1 onder b Wms. In reactie daarop heeft mr. Heussen namens SOOA diezelfde morgen bij e-mail alsnog een 17 pagina’s tellende “exploitatie-begroting totaal” Helen Parkhurst over 2019, met bijbehorende specificaties (de begroting 2019) aan de Ondernemingskamer en de MR toegezonden. Ter zitting hebben zowel de rector van Helen Parkhurst als de voorzitter van de MR desgevraagd bevestigd dat deze begroting 2019 het document is dat als bijlage was gevoegd bij de e-mail van 14 januari 2019.

3.9

Met inachtneming van het voorgaande stelt de Ondernemingskamer vast dat de rector van Helen Parkhurst bij e-mail van 14 januari 2019 aan de MR heeft gevraagd te adviseren over de begroting 2019. Anders dan de MR betoogt is dus geen advies gevraagd over een meerjarenbegroting. Met de commissie is de Ondernemingskamer van oordeel dat op grond van artikel 11 lid 1 onder b Wms aan de MR slechts adviesbevoegdheid toekomt ten aanzien van de vaststelling van de hoofdlijnen van het meerjarig financieel beleid en dat de ter advisering voorgelegde begroting voor 2019 niet als een vaststelling van het meerjarig financieel beleid kan worden aangemerkt. De MR heeft nog gewezen op de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel voor de invoering van de Wms (MvT, Kamerstukken II, 2005/06, 30414, nr.3, p.23) waarin is opgemerkt: “Onder hoofdlijnen van het financieel beleid wordt onder meer de begroting verstaan’’. De bewuste passage heeft echter geen betrekking op de hoofdlijnen van het meerjarig financieel beleid. Bovendien blijkt uit de memorie van toelichting bij het (inmiddels ingetrokken) wetsvoorstel tot wijziging van de Wms in verband met het verlenen van instemmingsbevoegdheid op hoofdlijnen van de begroting in het funderend onderwijs (W7221.K-1) ondubbelzinnig dat het adviesbevoegdheid van artikel 11 lid 1 onder b Wms ziet op het meerjarig financieel beleid: “De uitwerking van dit begrip is vooral een zaak van de praktijk, zoals het dat ook is bij de uitoefening van de huidige adviesbevoegdheid over de hoofdlijnen van het meerjarig financieel beleid. De hoofdlijnen vloeien voort uit de voorziene ontwikkelingen in leerlingaantallen en de bijbehorende bekostiging enerzijds en beleidskeuzes en prioriteiten van het bestuur anderzijds. Het begrip ‘hoofdlijnen’ impliceert een focus op strategische beleidslijnen en financiële keuzes. Deze hoofdlijnen vormen een richtlijn voor het meerjarig financieel beleid, dat vervolgens onder andere vertaald wordt in een meerjarenbegroting”. Dit volgt overigens ook reeds uit de letterlijke tekst van artikel 11 lid 1 onder b Wms, nu daarin staat dat de adviesbevoegdheid ziet op het meerjarig financieel beleid. Het voorgaande betekent dat de MR ter zake van de op 14 januari 2019 ter advisering voorgelegde begroting voor (alleen) het jaar 2019, niet op grond van artikel 11 lid 1 onder b Wms adviesbevoegdheid toekomt.

3.10

De Ondernemingskamer stelt vervolgens vast dat in het medezeggenschapsreglement van ASG ter zake van door het bevoegd gezag te nemen besluiten met betrekking de begroting geen nadere adviesbevoegdheid van de MR is opgenomen. Dit betekent dat de MR ook op grond van artikel 24 lid 3 MR geen adviesbevoegdheid ter zake van de begroting 2019 toekomt. Dat de rector van Helen Parkhurst de MR heeft gevraagd te adviseren over de begroting 2019 maakt dat niet anders. Ingevolge artikel 24 lid 3 Wms komt de aanvullende adviesbevoegdheid van artikel 11 Wms slechts aan de MR toe met betrekking tot in het medezeggenschapsreglement nader omschreven aangelegenheden. Nu een dergelijke adviesbevoegdheid ter zake van de jaarbegroting niet in het medezeggenschapsreglement is opgenomen, doet het enkele verzoek van de rector van Helen Parkhurst om over de begroting 2019 te adviseren dienaangaande geen adviesbevoegdheid als bedoeld in artikel 11 Wms ontstaan.

3.11

Zoals hiervoor onder 3.4 overwogen kan de MR op grond van artikel 34 Wms aan de commissie een geschil voorleggen als het bevoegd gezag een besluit neemt waarbij het een advies van de MR, vereist ingevolge artikel 11 Wms, niet of niet geheel volgt. Nu op grond van artikel 11 Wms ter zake van het besluit tot vaststelling van de begroting 2019 geen advies van de MR was vereist, stond die weg in dit geval voor de MR niet open. De commissie heeft de MR dan ook in zoverre terecht niet-ontvankelijk verklaard.

3.12

Voor zover de MR aan het beroep en de verzoeken ter zake van de begroting 2019 ook ten grondslag legt dat SOOA de bij of krachtens de Wms geldende verplichtingen jegens de MR niet zou hebben nageleefd, geldt dat nu aan de MR met betrekking tot de begroting 2019 geen adviesbevoegdheid toekwam, ook geen sprake is van een schending van een krachtens de Wms geldende verplichting jegens de MR als bedoeld in artikel 35 Wms. Het beroep is in zoverre dan ongegrond.

Redelijkerwijs noodzakelijke kosten

3.13

In artikel 28 lid 2 Wms is bepaald dat de kosten die redelijkerwijs noodzakelijk zijn voor de vervulling van de taak van de MR ten laste komen van het bevoegd gezag; de redelijkerwijs noodzakelijke kosten van het raadplegen van een deskundige en van het voeren van rechtsgedingen door de MR komen slechts ten laste van het bevoegd gezag indien het bevoegd gezag vooraf in kennis is gesteld van de te maken kosten. Op grond van artikel 35 Wms kan de MR aan de commissie een geschil voorleggen inzake de naleving door het bevoegd gezag van de bij of krachtens de Wms geldende verplichtingen jegens de MR. Ingevolge artikel 36 Wms kunnen de MR en het bevoegd gezag tegen een beslissing van de commissie beroep instellen bij de Ondernemingskamer.

3.14

De commissie heeft in zijn uitspraak geoordeeld dat de MR met zijn brief van 12 juli 2019 aan het bevoegd gezag voldoende gegevens heeft verstrekt om te kunnen beoordelen of ter zake van de advisering door mr. Hogerzeil sprake was van redelijkerwijs noodzakelijke kosten van het raadplegen van een deskundige. Deze kosten ad € 2.782,50 (10,5 uur keer € 265,- per uur) exclusief 8% kantoorkosten en btw komen daarom volgens de commissie voor vergoeding in aanmerking. Geen van partijen heeft tegen deze beslissing bezwaar gemaakt, zodat ook de Ondernemingskamer er vanuit gaat dat deze kosten redelijkerwijs noodzakelijk waren en ten laste komen van SOOA.

3.15

Ten aanzien van de kosten voor het voeren van de rechtsgedingen bij de commissie en de Ondernemingskamer geldt dat mr. Hogerzeil het bevoegd gezag namens de MR met de brief van 12 juli 2019 respectievelijk de e-mail van 18 december 2019 vooraf in kennis heeft gesteld van de te maken kosten. Verder geldt als uitgangspunt dat de kosten van rechtsbijstand in een geschil bij de commissie en de Ondernemingskamer in beginsel worden aangemerkt als redelijkerwijs noodzakelijke kosten, onafhankelijk van de vraag welke partij in het ongelijk wordt gesteld (MvT, Kamerstukken II, 2014/15, 34251, nr. 3 p. 43). Derhalve komen deze kosten voor vergoeding door het bevoegd gezag in aanmerking, voor zover ze redelijk zijn. Bij de beoordeling van de vraag of de kosten redelijk zijn worden onder meer in aanmerking genomen het belang en de aard van het onderwerp van het geschil waarvoor de MR rechtsbijstand heeft verzocht, de omvang van de daarmee gemoeide kosten (naar bestede uren en tarief) en de draagkracht van de school.

3.16

De Ondernemingskamer is tegen deze achtergrond van oordeel dat het door mr. Hogerzeil in rekening gebrachte bedrag voor de procedure bij de commissie en de procedure bij de Ondernemingskamer in geen verhouding staat tot de aard en de omvang van het onderhavige geschil en dat die kosten, door de combinatie van het gehanteerde tarief en de bestede tijd, en mede gelet op de in beginsel beperkte draagkracht van de uit publieke middelen gefinancierde SOOA, ook in absolute zin niet als redelijk kunnen worden aangemerkt. In de kern ziet het geschil tussen de MR en SOOA immers slechts op één relatief eenvoudig te beantwoorden vraag, te weten of aan de MR op grond van artikel 11 lid 1 onder b Wms ter zake van de begroting 2019 van Helen Parkhurst een adviesbevoegdheid toekomt. De Ondernemingskamer gaat er - mede gelet op het gehanteerde uurtarief - vanuit dat mr. Hogerzeil over de nodige deskundigheid beschikt op het gebied van de medezeggenschap en de Wms, zodat met de bestudering en beargumentering van deze kwestie niet al te veel tijd gemoeid kan zijn geweest. Daarbij is tevens van belang dat het verzoekschrift bij de Ondernemingskamer nagenoeg geen gronden bevat. De verwarring die is ontstaan over de vraag welke bijlage bij de e-mail van 14 januari 2019 was gevoegd had eenvoudig opgelost kunnen worden door daarover navraag bij (de voorzitter van) de MR te doen, terwijl in ieder geval in de procedure bij de Ondernemingskamer daarover geen onduidelijkheid meer had mogen bestaan, nu dit ook al ter zitting bij de commissie aan de orde was geweest en toen was opgehelderd. De aan laatstgenoemde kwestie nog bestede tijd kan dan in redelijkheid niet ten laste van SOOA worden gebracht. In het licht van deze omstandigheden is de Ondernemingskamer van oordeel dat de voor vergoeding in aanmerking komende kosten moeten worden gematigd in die zin dat voor rechtsbijstand in de procedure bij de commissie vijftien uren in rekening kunnen worden gebracht en voor de procedure bij de Ondernemingskamer tien uren, te vermeerderen met 8% kantoorkosten en btw en met € 741 aan verschotten.

3.17

De slotsom is dat het beroep tegen de uitspraak van de commissie niet slaagt voor zover het is gericht tegen de beslissing van de commissie dat de MR niet-ontvankelijk is in zijn verzoek tot behandeling van het geschil met betrekking tot de begroting 2019 van Helen Parkhurst en dat het beroep wel slaagt voor zover het is gericht tegen de vaststelling van de voor vergoeding in aanmerking komende kosten voor het raadplegen van een deskundige en het voeren van rechtsgedingen. De Ondernemingskamer zal de voor vergoeding in aanmerking komende kosten alsnog vaststellen op in totaal € 13.034,72 (35,5 (10,5 + 15 + 10) uren a € 265 per uur, inclusief 8% kantoorkosten en 21% btw en € 741 aan griffierecht). Het verzoek van de MR zal voor het overige worden afgewezen.

4 De beslissing

De Ondernemingskamer:

verklaart het beroep tegen de uitspraak van de Landelijke Commissie voor Geschillen Wms van 19 november 2019 gegrond voor zover het is gericht tegen de vaststelling van de kosten van het raadplegen van een deskundige en het voeren van rechtsgedingen;

bepaalt dat de kosten van de MR voor het raadplegen van een deskundige en het voeren van rechtsgedingen bij zowel de Landelijke Commissie voor Geschillen Wms als de Ondernemingskamer ten laste komen van SOOA tot een bedrag van in totaal € 13.034,72 inclusief btw;

verklaart het beroep tegen de uitspraak van de Landelijke Commissie voor Geschillen Wms van 19 november 2019 voor het overige ongegrond;

wijst het verzoek voor het overige af.

Deze beschikking is gegeven door mr. G.C. Makkink, voorzitter, mr. A.J. Wolfs, mr. A.W.H. Vink, raadsheren, en prof. dr. mr. F. van der Wel RA en W. Wind, raden, in tegenwoordigheid van, mr. S.C. Prins, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de Ondernemingskamer van 8 april 2020.