Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:1085

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
20-03-2020
Datum publicatie
17-04-2020
Zaaknummer
23-004105-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Eendaadse samenloop van:verkrachting en feitelijke aanranding van de eerbaarheid. Bewijsoverwegingen DNA-rapportage. Strafmaat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-004105-18

datum uitspraak: 20 maart 2020

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 13 november 2018 in de strafzaak onder parketnummer

15-800249-15 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Nederlandse Antillen) op [geboortedag 1] 1980,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

6 maart 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1. primair
hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 augustus 2014 tot en met 20 augustus 2014 te Almere, in elk geval in Nederland, (telkens) door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [benadeelde] (geboren op [geboortedag 2] 2000), (telkens) heeft gedwongen tot het ondergaan van (een) handeling(en) die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [benadeelde], hebbende verdachte (telkens) een en/of meermalen:

- zijn, verdachtes, vinger(s) in de vagina van die [benadeelde] gebracht en/of die [benadeelde] gevingerd en/of

- zijn, verdachtes, penis in de vagina van die [benadeelde] gebracht en/of gemeenschap gehad met die [benadeelde],

en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat verdachte (telkens) een en/of meermalen:

- die [benadeelde] heeft gevraagd mee te gaan naar [plek] en/of haar heeft verteld dat er nog een nichtje mee zou gaan en/of

- die [benadeelde] heeft opgehaald en/of heeft meegenomen naar een woning in Almere (waar slechts een andere man aanwezig was en/of waar die [benadeelde] nog nooit was geweest) en/of

- die [benadeelde] heeft meegenomen naar een kamer in voornoemde woning en/of het slot op de deur van bovengenoemde kamer op slot heeft gedaan en/of de sleutel uit het slot heeft gehaald en/of

- onverhoeds boven op het lichaam van die [benadeelde] is gaan liggen en/of onverhoeds de broek van die [benadeelde] naar beneden heeft getrokken dan wel heeft geprobeerd de broek van die [benadeelde] naar beneden te trekken en/of op boze toon en/of met stemverheffing die [benadeelde] de woorden heeft toegevoegd: "Laat los voordat ik echt boos word", althans woorden van gelijke aard en/of strekking (nadat die [benadeelde] haar broek weer omhoog had getrokken) en/of

- mede door het grote leeftijdsverschil tussen hem, verdachte, en die [benadeelde] en/of het fysieke overwicht van hem, verdachte, op die [benadeelde] en/of het feit dat hij, verdachte, een familielid van die [benadeelde] is (aldus) voor die [benadeelde] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan;

1. subsidiair
hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 augustus 2014 tot en met 20 augustus 2014 te Almere, in elk geval in Nederland, (telkens) met [benadeelde] (geboren op [geboortedag 2] 2000), die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [benadeelde], hebbende verdachte (telkens) een en/of meermalen:

- zijn, verdachtes, vinger(s) in de vagina van die [benadeelde] gebracht en/of die [benadeelde] gevingerd en/of

- zijn, verdachtes, penis in de vagina van die [benadeelde] gebracht en/of gemeenschap gehad met die [benadeelde];

2. primair
hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 augustus 2014 tot en met 20 augustus 2014 te Almere, in elk geval in Nederland, (telkens) door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [benadeelde] (geboren op [geboortedag 2] 2000) heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handeling(en), bestaande uit het (telkens) een en/of meermalen:

- ( met de kleding aan) zijn, verdachtes, penis tegen de vagina van die [benadeelde] brengen en/of drukken en/of

- de/het be(e)n(en) en/of de bil(len) van die [benadeelde] betasten,

en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) uit het (telkens) een en/of meermalen:

- die [benadeelde] vragen mee te gaan naar [plek] en/of haar vertellen dat er nog een nichtje mee zou gaan en/of

- die [benadeelde] ophalen en/of meenemen naar een woning in Almere (waar slechts een andere man aanwezig was en/of waar die [benadeelde] nog nooit was geweest) en/of

- die [benadeelde] meenemen naar een kamer in voornoemde woning en/of het slot op de deur van bovengenoemde kamer op slot doen en/of de sleutel uit het slot halen en/of

- onverhoeds de benen van die [benadeelde] omhoog doen en/of de handen van die [benadeelde] vasthouden en/of (met de kleding aan) onverhoeds zijn, verdachtes, penis tegen de vagina van die [benadeelde] brengen en/of drukken en/of

- onverhoeds de be(e)n(en) en/of de bil(len) van die [benadeelde] betasten en/of

- mede door het grote leeftijdsverschil tussen hem, verdachte, en die [benadeelde] en/of het fysieke overwicht van hem, verdachte, op die [benadeelde] en/of het feit dat hij, verdachte, een familielid van die [benadeelde] is (aldus) voor die [benadeelde] een bedreigende situatie doen ontstaan;

2. subsidiair
hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 augustus 2014 tot en met 20 augustus 2014 te Almere, in elk geval in Nederland, (telkens) met [benadeelde] (geboren op [geboortedag 2] 2000), die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, (telkens) zijnde een aan zijn zorg, opleiding of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, (telkens) buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, bestaande uit het (telkens) een en/of meermalen:

- ( met de kleding aan) zijn, verdachtes, penis tegen de vagina van die [benadeelde] brengen en/of drukken en/of

- de/het be(e)n(en) en/of de bil(len) van die [benadeelde] betasten.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd omdat het hof tot een (enigszins) andere bewezenverklaring komt en overigens tot een andere beslissing komt ten aanzien van de kwalificatie en de strafoplegging.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs en beslissing op een (voorwaardelijk) verzoek

DNA-rapportage

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit, nu de resultaten van de door het Nederlands Forensische Instituut (hierna: NFI) en het The Maastricht Forensic Institute (hierna: TMFI) uitgevoerde DNA-onderzoeken tegenstrijdig zijn zodat beide onderzoeken niet voor het bewijs gebezigd kunnen worden. Tenslotte heeft de raadsvrouw voorwaardelijk verzocht tot het horen van deskundige dr. [naam 1], onderzoeker bij TMFI, en tot het aanstellen van een derde, onafhankelijke onderzoeker, indien het hof niet tot een integrale vrijspraak zou komen.

Het hof overweegt als volgt.

Het TMFI heeft op 13 juli 2015 gerapporteerd over het onderzoek aan de onderbroek. Gebruik makend van een forensische lichtbron werden er geen vlekken waargenomen. Het kruis van de onderbroek is bemonsterd en een op die bemonstering uitgevoerde indicatieve test op aanwezigheid van zure fosfatase (aanwezig in spermavloeistof) was negatief. Het TMFI heeft vervolgens geen DNA-onderzoek laten uitvoeren op de bemonstering.

Het NFI heeft blijkens het rapport van 12 oktober 2016 wel spermasporen aangetroffen aan de binnenzijde van de onderbroek. Twee spermasporen zijn bemonsterd en op DNA onderzocht. Er heeft DNA-vergelijkend onderzoek plaatsgevonden en dit leverde een match op met het DNA van de verdachte.

De rechter-commissaris heeft dr. [naam 2] van het NFI vervolgens opgedragen een nader rapport uit te brengen over de gebruikte onderzoeksmethodieken en de verschillen in werkwijze en resultaat tussen het NFI en het TMFI. Uit het nadere rapport van [naam 2] van 13 april 2018 komt het volgende naar voren.

Aangezien bij het onderzoek van TMFI met een forensische lichtbron geen vlekken zijn waargenomen is de Phosphatemo KM test ‘blind’ uitgevoerd. Hierbij is mogelijk getest op een plek waar geen spermavloeistof aanwezig was. Het aanwezige fotomateriaal van het TMFI (waarop staat aangegeven waar het kruis is bemonsterd) en van het NFI (waarop staat aangegeven waar fluorescentie is waargenomen) bevestigt dit scenario en kan de negatieve uitslag van de Phosphatemo KM test verklaren. Vanwege de resultaten van het NFI onderzoek is aanvullend onderzoek naar de aanwezigheid van spermavloeistof niet relevant. Er is immers sperma op de onderbroek aangetroffen.

Het hof is van oordeel dat er geen aanleiding is aan te nemen dat het NFI onderzoek niet op de juiste wijze is uitgevoerd en dat het om die reden onbetrouwbaar zou zijn. Dat is ook niet door de raadsvrouw gesteld. Het enkele feit dat de door het TMFI uitgevoerde indicatieve test op de aanwezigheid van zure fosfatase (aanwezig in spermavloeistof) negatief was, doet zonder nadere onderbouwing, die niet is gegeven, niets af aan de resultaten van het NFI-onderzoek. Het hof zal dan ook het rapport van het NFI, eventueel in combinatie met de nadien gegeven nadere toelichting van [naam 2], voor het bewijs gebruiken. Voor het overige raakt hetgeen de raadsvrouw naar voren heeft gebracht aan de selectie en waardering van bewijsmiddelen, waarin de rechter vrij is.

Het verzoek tot het horen van dr. [naam 1] van TMFI en het aanstellen van een derde onafhankelijke onderzoeker wijst het hof af, omdat het hof, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen en vastgesteld, de noodzaak daartoe niet is gebleken.

Betrouwbaarheid aangifte

Het hof ziet in hetgeen door de raadsvrouw is aangevoerd geen aanleiding om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de door de aangeefster bij de politie afgelegde verklaring. De door haar geschetste gang van zaken is ook niet weerlegd door de verdachte of door de overige stukken van het strafdossier. Het hof zal deze verklaring voor het bewijs gebruiken.

Dwang

Om te kunnen spreken van dwang is vereist dat die dwang van dien aard is dat een ander zich naar redelijke verwachting niet tegen de seksuele handelingen heeft kunnen verzetten. Of daarvan sprake is, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Van dwang is in ieder geval sprake wanneer door onverhoeds handelen, verzet tegen die handelingen wordt voorkomen.

Het hof acht, met de advocaat-generaal, het primair ten laste gelegde bewezen. Er is weliswaar geen sprake van geweld, maar uit het dossier blijkt wel van andere feitelijkheden die ertoe hebben geleid dat capitulatie van aangeefster te verwachten was. Aangeefster was het 14-jarige nichtje van de verdachte. Tijdens de seksuele handelingen logeerde zij bij de verdachte in een voor haar onbekende woning waar, naast haar 34-jarige oom, enkel nog een onbekende man aanwezig was. Zij was op dat moment sterk afhankelijk van de verdachte. De verdachte heeft haar meegenomen naar een kamer, heeft de deur op slot gedaan, de sleutel uit het slot gehaald en is onverhoeds boven op haar gaan liggen en heeft op boze toon tegen haar gezegd dat ze los moest laten voordat hij echt boos zou worden, nadat zij haar broek omhoog had getrokken. De aangeefster heeft gezegd dat ze niet wilde, dat hij van haar af moest blijven en dat het heel erg pijn deed, maar de verdachte bleef doorgaan. Uit dit alles blijkt dat sprake was van een uit omstandigheden voortvloeiend overwicht, dat dwang impliceert.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.primair
hij op of omstreeks 11 augustus 2014 te Almere door feitelijkheden

[benadeelde] (geboren op [geboortedag 2] 2000), heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [benadeelde], hebbende verdachte:

- zijn, verdachtes, vinger in de vagina van die [benadeelde] gebracht en die [benadeelde] gevingerd en

- zijn, verdachtes, penis in de vagina van die [benadeelde] gebracht en gemeenschap gehad met die [benadeelde],

en bestaande die feitelijkheden hierin dat verdachte:

- die [benadeelde] heeft gevraagd mee te gaan naar [plek] en haar heeft verteld dat er nog een nichtje mee zou gaan en

- die [benadeelde] heeft opgehaald en heeft meegenomen naar een woning in Almere (waar slechts een andere man aanwezig was en waar die [benadeelde] nog nooit was geweest) en

- die [benadeelde] heeft meegenomen naar een kamer in voornoemde woning en de deur van bovengenoemde kamer op slot heeft gedaan en de sleutel uit het slot heeft gehaald en

- onverhoeds boven op het lichaam van die [benadeelde] is gaan liggen en onverhoeds de broek van die [benadeelde] naar beneden heeft getrokken dan wel heeft geprobeerd de broek van die [benadeelde] naar beneden te trekken en op boze toon die [benadeelde] de woorden heeft toegevoegd: "Laat los voordat ik echt boos word" (nadat die [benadeelde] haar broek weer omhoog had getrokken) en

- mede door het grote leeftijdsverschil tussen hem, verdachte, en die [benadeelde] en het fysieke overwicht van hem, verdachte, op die [benadeelde] en het feit dat hij, verdachte, een familielid van die [benadeelde] is aldus voor die [benadeelde] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan;

2. primair
hij op of omstreeks 11 augustus 2014 te Almere door feitelijkheden [benadeelde] (geboren op [geboortedag 2] 2000) heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen, bestaande uit het:

- ( met de kleding aan) zijn, verdachtes, penis tegen de vagina van die [benadeelde] brengen en drukken en

- de benen en de billen van die [benadeelde] betasten,

en bestaande die feitelijkheden uit het:

- die [benadeelde] vragen mee te gaan naar [plek] en haar vertellen dat er nog een nichtje mee zou gaan en

- die [benadeelde] ophalen en meenemen naar een woning in Almere (waar slechts een andere man aanwezig was en waar die [benadeelde] nog nooit was geweest) en

- die [benadeelde] meenemen naar een kamer in voornoemde woning en de deur van bovengenoemde kamer op slot doen en de sleutel uit het slot halen en

- onverhoeds de benen van die [benadeelde] omhoog doen en de handen van die [benadeelde] vasthouden en (met de kleding aan) onverhoeds zijn, verdachtes, penis tegen de vagina van die [benadeelde] brengen en drukken en

- onverhoeds de benen en de billen van die [benadeelde] betasten en

- mede door het grote leeftijdsverschil tussen hem, verdachte, en die [benadeelde] en het fysieke overwicht van hem, verdachte, op die [benadeelde] en het feit dat hij, verdachte, een familielid van die [benadeelde] is aldus voor die [benadeelde] een bedreigende situatie doen ontstaan.

Hetgeen onder 1 primair en 2 primair meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezen verklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 primair en 2 primair bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 primair en 2 primair bewezen verklaarde levert op de eendaadse samenloop van:

verkrachting

en

feitelijke aanranding van de eerbaarheid

Strafbaarheid van de verdachte

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1 primair en 2 primair bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 primair en 2 primair bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van voorarrest.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zijn toen 14-jarige nichtje seksueel misbruikt waarbij zij door hem is verkracht.

De verdachte had zijn nichtje uitgenodigd om samen met een ander nichtje met hem mee te gaan naar [plek]. Omdat verdachte dichterbij [plek] zou wonen zouden ze bij hem logeren. In plaats van het uitje naar [plek] werd zij in een voor haar vreemde woning in Almere seksueel misbruikt door de verdachte. Hij heeft eerst zijn vinger in haar vagina gedaan en heeft haar vervolgens met zijn penis gepenetreerd en tegen haar wil seks met haar gehad.

De verdachte heeft aldus op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van een jong meisje dat in de veronderstelling was dat zij een dagje naar [plek] zou gaan. Hij heeft een dreigende situatie gecreëerd, waarbij zij zich in een kwetsbare positie bevond als minderjarig meisje in een voor haar vreemde woning. Het hof neemt de verdachte zijn handelen temeer kwalijk vanwege het grote leeftijdsverschil en het feit dat de verkrachting werd gepleegd door een familielid, een persoon die het slachtoffer juist had moeten kunnen vertrouwen en bij wie zij zich veilig had moeten kunnen voelen.

De verdachte heeft zich kennelijk alleen laten leiden door zijn seksuele driften en zich op geen enkele wijze bekommerd om de gevoelens van of de gevolgen voor het slachtoffer. Het kan niet anders dan dat de verkrachting voor haar een vernederende, kwetsende en beangstigende ervaring is geweest. Zij heeft nog lange tijd de psychische gevolgen ondervonden van deze gebeurtenis en ondervindt deze nog steeds, zoals door haar advocaat ter terechtzitting in hoger beroep naar voren is gebracht.

De zojuist beschreven strafverzwarende omstandigheden rechtvaardigen naar het oordeel van het hof een hogere straf dan de onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 24 maanden die met betrekking tot het misdrijf verkrachting zijn genoemd in de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS).

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft het hof gelet op het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 25 februari 2020, waaruit blijkt dat de verdachte weliswaar eerder onherroepelijk tot vrijheidsbenemende straffen is veroordeeld, maar niet ter zake van zedendelicten. Verder heeft het hof kennisgenomen van de Pro Justitia rapportage van 9 december 2015, waarin staat vermeld dat er geen uitspraken kunnen worden gedaan vanwege de ontkennende houding van de verdachte. Ook is de aanvraag tot het opstellen van een reclasseringsadvies op 12 augustus 2015 retour gezonden omdat de verdachte geen inhoudelijk gesprek wilde voeren met de reclassering. Het hof weegt de voortdurend stellig ontkennende houding van de verdachte, in beide feitelijke instanties en ook tegenover de gedragswetenschappers en de reclassering, mee bij de straftoemeting Het hof is niet gebleken van bijzondere persoonlijke omstandigheden van de verdachte die in strafmatigende zin moeten worden meegewogen.

Dit alles brengt het hof ertoe een aanzienlijk hogere straf op te leggen dan door de advocaat-generaal gevorderd en dan door de rechtbank opgelegd. Het hof ziet geen aanleiding om een deel van de straf voorwaardelijk op te leggen. Het hof neemt, alles afwegende, een gevangenisstraf van 30 maanden als uitgangspunt.

In het voordeel van de verdachte houdt het hof vervolgens rekening met de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg. Het uitgangspunt is dat de behandeling van de zaak ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden.

De termijn heeft een aanvang genomen op 6 juni 2015, op die datum is de verdachte in verzekering gesteld. Het eindvonnis van de rechtbank is op 13 november 2018 gewezen, waarmee de redelijke termijn naar het oordeel van het hof is overschreden. Vanwege de overschrijding van de redelijke termijn zal het hof de op te leggen gevangenisstraf matigen.

Alles afwegende acht het hof een gevangenisstraf voor de duur van 27 maanden passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 17.500,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 5.000,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

Door de raadsman is (subsidiair) aangevoerd dat een aantasting in de persoon niet zonder nadere onderbouwing door bijvoorbeeld medische stukken kan worden vastgesteld, zodat de benadeelde partij niet-ontvankelijk zou moeten worden verklaard in de vordering.

Het hof overweegt als volgt.

Op de vaststelling van de immateriële schade is artikel 6:106 Burgerlijk Wetboek van toepassing, dat bepaalt dat immateriële schade voor vergoeding in aanmerking komt indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen of op andere wijze in haar persoon is aangetast. Niet aannemelijk is geworden noch door of namens de benadeelde partij aangevoerd, dat sprake is van – rechtstreeks door de strafbare feiten veroorzaakt – lichamelijk letsel. Dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 primair en 2 primair bewezen verklaarde handelen van de verdachte – te weten verkrachting en aanranding – op ernstige wijze in haar persoon is aangetast en rechtstreeks schade heeft geleden bestaande uit immateriële schade die door de psychische gevolgen van het handelen van verdachte wordt veroorzaakt, behoeft echter geen nader betoog. Het hof zal deze schade op grond van de thans voorhanden zijnde onderbouwing begroten op het na te melden bedrag. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Voor het overige is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in de vordering niet worden ontvangen en kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf zijn gegrond op de artikelen 36f, 55, 242 en 246 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair en 2 primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 27 (zevenentwintig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het onder 1 primair, 2 primair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 5.000,00 (vijfduizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde], ter zake van het onder 1 primair, 2 primair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 5.000,00 (vijfduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de te vorderen gijzeling bij niet betaling op ten hoogste 100 (honderd) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 11 augustus 2014.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. R.D. van Heffen, mr. L.I.M. van Bergen en mr. J. Steenbrink, in tegenwoordigheid van

mr. S.M. Schouten, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

20 maart 2020.

Mrs. R.D. van Heffen, J. Steenbrink en S.M. Schouten zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

=========================================================================

[…]