Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:1079

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
07-04-2020
Datum publicatie
17-04-2020
Zaaknummer
200.260.896/01 NOT
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Klacht tegen (kandidaat)notarissen. (Kandidaat) notarissen hebben ten onrechte niet gecontroleerd of er toestemming was verleend door de kantonrechter in geval van verkoop onroerend goed door een minderjarige. Ten onrechte hebben de (kandidaat)notarissen gesteld dat er sprake was van een quasi-Baarns Beslag-situatie. Onroerend goed is verkocht tegen een te lage prijs. De volmacht afgegeven ten tijde van de minderjarigheid had niet mogen worden gebruikt bij levering na het bereiken van de meerderjarigheid. Klachten deels gegrond/deels ongegrond. Berisping en proceskostenveroordeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RN 2020/56
NTHR 2020, afl. 3, p. 132
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

___________________________________________________________________ _ _

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht

zaaknummer : 200.260.896/01 NOT

nummers eerste aanleg : C/05/347902 KL RK 19-4 en C/05/347903 KL RK 19-5

beslissing van de notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer van 7 april 2020

inzake

[klaagster] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

appellante,

gemachtigde: [X] ,

tegen

1 [notaris] ,

notaris te [plaats] ,

2. [kandidaat-notaris],

kandidaat-notaris te [plaats]

geïntimeerden.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Appellante (hierna: klaagster) heeft op 13 juni 2019 een beroepschrift - met bijlagen - bij het hof ingediend tegen de beslissing van de kamer voor het notariaat in het ressort Arnhem-Leeuwarden (hierna: de kamer) van 14 mei 2019 (ECLI:NL:TNORARL:2019:31). De kamer heeft in de bestreden beslissing de klacht van klaagster tegen geïntimeerden (hierna gezamenlijk: de (kandidaat-)notarissen en afzonderlijk: de notaris en de kandidaat-notaris) voor zover gericht tegen de notaris ongegrond verklaard en voor zover gericht tegen de kandidaat-notaris op één onderdeel (klachtonderdeel 5) gegrond verklaard en voor het overige ongegrond verklaard. Voor het gegronde deel van de klacht heeft de kamer de maatregel van waarschuwing opgelegd. Bij diezelfde beslissing is de kandidaat-notaris veroordeeld in de kosten van klaagster (griffierecht € 50,-, overige kosten € 50,- ) alsmede in de proceskosten (€ 3.500,-).

1.2.

De (kandidaat-)notarissen hebben op 23 augustus 2019 een verweerschrift - met bijlagen - bij het hof ingediend.

1.3.

Het hof heeft de stukken van de eerste aanleg van de kamer ontvangen.

1.4.

De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 23 januari 2020. Klaagster, vertegenwoordigd door haar gemachtigde, en de (kandidaat-)notarissen, zijn verschenen en hebben het woord gevoerd; de gemachtigde van klaagster aan de hand van een aan het hof overgelegde pleitnota.

2 Feiten

Het hof verwijst voor de feiten naar hetgeen de kamer in de bestreden beslissing heeft vastgesteld. Partijen hebben tegen de vaststelling van de feiten door de kamer geen bezwaar gemaakt, zodat ook het hof van die feiten uitgaat.

Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die zijn komen vast te staan, zijn die feiten de volgende.

2.1.

[in] 2016 is [A] (hierna te noemen: erflater) overleden. Enig erfgenaam van erflater is zijn [in] 1999 geboren dochter (hierna te noemen: de erfgenaam). Tot de nalatenschap van erflater behoorde onder andere een woonhuis (hierna te noemen: de woning).

2.2.

Ten tijde van het overlijden van erflater was de erfgenaam minderjarig. Namens haar heeft haar moeder (hierna te noemen: de wettelijk vertegenwoordiger) de nalatenschap beneficiair aanvaard. De wettelijk vertegenwoordiger heeft [B] (hierna te noemen: [B] ) gemachtigd haar te vertegenwoordigen.

2.3.

De woning is op 24 april 2017 door [B] als gemachtigde van de wettelijk vertegenwoordiger verkocht voor € 172.500,- aan [C] (hierna te noemen: [C] ). Deze koopovereenkomst is op 28 april 2017 door de notaris ingeschreven in de openbare registers.

2.4.

De kandidaat-notaris heeft op 6 oktober 2017 om 12.12 uur als waarnemer van de notaris een akte van levering gepasseerd (hierna te noemen: akte 1) waarbij [C] de woning heeft geleverd aan [D] (hierna te noemen: [D] ). Deze akte is op 9 oktober 2017 om 9.00 uur ingeschreven in de openbare registers.

2.5.

De kandidaat-notaris heeft op 6 oktober 2017 om 12.45 uur als waarnemer van de notaris een akte van levering gepasseerd (hierna te noemen: akte 2) waarbij [B] , handelend als schriftelijk gevolmachtigde van de wettelijk vertegenwoordiger, de woning heeft geleverd aan [C] . Deze akte is op 9 oktober 2017 om 9.00 uur ingeschreven in de openbare registers.

2.6.

Klaagster had aan erflater een lening verstrekt. Ten tijde van de inschrijving van de koopovereenkomst in de openbare registers - zoals genoemd onder punt 2.3. – lag op de woning een conservatoir beslag op de woning dat was gelegd door klaagster (hierna te noemen: het eerste beslag). Nadat de Rechtbank Overijssel bij vonnis van 16 augustus 2017 klaagster niet-ontvankelijk had verklaard in de vordering waarvoor zij conservatoir beslag had gelegd, is het eerste beslag op 5 september 2017 doorgehaald. Diezelfde dag heeft klaagster opnieuw conservatoir beslag gelegd op de woning (hierna te noemen: het tweede beslag).

3 Standpunt van klaagster

Klaagster verwijt de (kandidaat-)notarissen het volgende:

Klachtonderdeel 1

De notaris heeft bij het inschrijven van de koopovereenkomst in de openbare registers ten onrechte nagelaten te controleren of – gezien de minderjarigheid van de erfgenaam – de noodzakelijke toestemming voor de verkoop was verleend door de kantonrechter.

Klachtonderdeel 2

Krachtens de door de kandidaat-notaris gepasseerde akte 1, is de woning op 6 oktober 2017 om 12.12 uur door [C] aan [D] geleverd. De kandidaat-notaris heeft in deze bewust te kwader trouw gehandeld omdat [C] toen geen eigenaar van de woning was. Deze akte dient daarom te worden vernietigd.

Klachtonderdeel 3

Krachtens de door de kandidaat-notaris gepasseerde akte 2, is de woning op 6 oktober 2017 om 12.45 uur door [B] , handelend als schriftelijk gevolmachtigde van de wettelijk vertegenwoordiger, aan [C] geleverd. Dit is niet mogelijk omdat [D] op dat moment eigenaar van de woning was. Deze akte dient daarom te worden vernietigd.

Klachtonderdeel 4

De kandidaat-notaris heeft nagelaten de hoogte van de koopsom te beoordelen, hoewel vast stond dat de woning fors beneden de marktwaarde werd verkocht.

Klachtonderdeel 5

Volgens akte 2 heeft de kandidaat-notaris bij de levering van de woning gebruik gemaakt van de volmacht die in het verleden door de wettelijk vertegenwoordiger aan [B] was verleend. Omdat de erfgenaam [in] 2017 meerderjarig was geworden, had deze volmacht geen rechtskracht meer. Dit betekent dat de erfgenaam niet op de juiste wijze is vertegenwoordigd. Akte 2 dient daarom te worden vernietigd.

Klachtonderdeel 6

De kandidaat-notaris heeft voor het passeren van akte 2 ten onrechte nagelaten te controleren of de koopovereenkomst rechtsgeldig tot stand was gekomen. Gezien de minderjarigheid van de erfgenaam diende de wettelijk vertegenwoordiger toestemming aan de kantonrechter te vragen. Dit heeft zij nagelaten.

Klachtonderdeel 7

De kandidaat-notaris heeft ten onrechte nagelaten om in akte 2 op te nemen dat geen machtiging was verleend door de kantonrechter.

Klachtonderdeel 8

De eer, de kwaliteit, de betrouwbaarheid en onafhankelijkheid van het notariaat in Nederland is bewust in diskrediet gebracht door de kandidaat-notaris.

Klachtonderdeel 9

De kandidaat-notaris maakt deel uit van een criminele organisatie met als doel het benadelen van klaagster.

Klachtonderdeel 10

De notaris heeft onvoldoende toezicht gehouden op de kandidaat-notaris.

In hoger beroep heeft klaagster aangevoerd dat zij het niet eens is met de beslissing van de kamer en de opgelegde maatregel, omdat de door haar op zitting in eerste aanleg aangevoerde argumenten door de kamer onvoldoende zijn afgewogen. Klaagster betoogt verder dat uit niets blijkt dat de erfgenaam heeft ingestemd met het gebruik van de volmacht. De (kandidaat-) notarissen wisten, althans behoorden te weten dat de door hen gebruikte volmacht niet mocht worden gebruikt. Klaagster stelt voorts dat de zogenoemde Baarns beslag-situatie zich hier niet voordeed, omdat het in dat geval moet gaan om twee leveringen op eenzelfde dag bij twee verschillende notarissen. Klaagster is ten slotte van mening dat er in akte 1 ten onrechte staat dat er geen beslag op de woning rustte. Op het moment van levering was het tweede beslag al gelegd.

4 Standpunt van de (kandidaat) notarissen

De (kandidaat-)notarissen hebben verweer gevoerd. Hun standpunt wordt, voor zover relevant, hieronder besproken.

5 Beoordeling

Nieuwe klachten

5.1.

Klaagster heeft in haar beroepschrift aangevoerd dat de (kandidaat-)notarissen ten onrechte hebben gesteld dat klaagster geen aanspraak zou hebben gemaakt op het surplus op de derdengeldrekening van het kantoor. Klaagster verwijt de (kandidaat-)notarissen voorts dat zij klaagster haar pas negen maanden nadat beslag was gelegd op de derdengeldrekening van het notariskantoor, daarvan in kennis hebben gesteld. Het hof neemt geen kennis van klachten die voor het eerst in hoger beroep naar voren zijn gebracht. Klaagster zal in deze nieuwe klachtonderdelen niet-ontvankelijk worden verklaard. Het hof zal de zaak hierna opnieuw in volle omvang beoordelen, waarbij het hof de klachtonderdelen zal aanhouden zoals door de kamer geformuleerd, tegen welke formulering op zichzelf geen bezwaren zijn gericht, met dien verstande dat partijen het erover eens zijn dat klachtonderdeel 1 is gericht tegen de notaris en niet tegen de kandidaat-notaris. Met dat laatste is hierboven bij de weergave van de klacht reeds rekening gehouden.

Klachtonderdeel 1

5.2.

Klaagster heeft zowel in eerste aanleg als in hoger beroep ter onderbouwing van haar klacht naar voren gebracht dat de koopovereenkomst niet rechtsgeldig tot stand is gekomen. Ten tijde van het opstellen van de koopovereenkomst was de erfgenaam immers minderjarig. Daarom had toestemming van de kantonrechter moeten worden gevraagd en dat is niet gebeurd. Door het ontbreken van toestemming was de koopovereenkomst vernietigbaar. Door de koopovereenkomst desondanks in te schrijven in de openbare registers heeft de notaris klaagster buiten spel gezet, hetgeen hem tuchtrechtelijk kan worden verweten.

5.3.

De notaris heeft als verweer gevoerd dat het ontbreken van toestemming van de kantonrechter de koopovereenkomst slechts vernietigbaar maakt. Zolang de vernietiging niet was ingeroepen was de koopovereenkomst gewoon geldig en kon deze worden ingeschreven in de openbare registers. Op het moment van levering was de erfgenaam inmiddels meerderjarig, zodat de toestemming van de kantonrechter niet meer noodzakelijk was. Alleen de erfgenaam kon zich op de vernietigbaarheid van de koopovereenkomst beroepen, maar zij heeft dat niet gedaan, omdat zij daarbij geen belang had.

5.4.

Het hof stelt voorop dat het in zijn algemeenheid verstandig is dat een notaris onderzoek doet naar omstandigheden die eventueel aan de rechtsgeldigheid van een in te schrijven overeenkomst in de weg kunnen staan. Op grond van het bepaalde in artikel 1:345 lid 1 BW dient de wettelijk vertegenwoordiger van een minderjarige erfgenaam een machtiging aan de kantonrechter te vragen alvorens namens die erfgenaam een koopovereenkomst aan te gaan. Een in strijd met deze bepaling namens de minderjarige verrichte rechtshandeling kan - uitsluitend op vordering van de minderjarige - worden vernietigd. Dit betekent dat de koopovereenkomst zolang deze niet is vernietigd, rechtsgeldig is. Het hof is met de kamer van oordeel dat er voor de notaris geen beletsel bestond om de, niet vernietigde en dus geldige, koopovereenkomst in te schrijven zonder te verifiëren of toestemming was gevraagd aan de kantonrechter. Het feit dat door de inschrijving van de koopovereenkomst in de openbare registers het door klaagster gelegde beslag tegen [C] niet kon worden ingeroepen doet daaraan niet af. Klachtonderdeel 1 is derhalve ongegrond.

Klachtonderdeel 2 en 3

5.5.

Evenals de kamer zal het hof vanwege de onderlinge samenhang de klachtonderdelen 2 en 3 gezamenlijk behandelen. Klaagster stelt dat akte 1 dient te worden vernietigd omdat [C] ten tijde van de levering aan [D] geen eigenaar was van de woning. Dit geldt, aldus klaagster, ook voor akte 2 omdat ten tijde van het passeren van akte 2, te weten op 6 oktober 2017 om 12.45 uur, niet [B] , handelend als schriftelijk gevolmachtigde van de wettelijk vertegenwoordiger van de erfgenaam, maar [D] de eigenaar van de woning was. In hoger beroep brengt klaagster naar voren dat er geen sprake was van een (quasi) Baarns beslag-situatie zoals ten onrechte door de kamer is beslist omdat een (quasi) Baarns beslag-situatie ziet op samenhangende transacties die op één dag plaatsvinden op twee notariskantoren. In het onderhavige geval gaat het om slechts één notariskantoor en één notaris die de verschillende aktes passeert.

5.6.

De kandidaat-notaris heeft als verweer naar voren gebracht dat niet het moment van tekenen van de aktes van levering de eigendomsoverdracht bewerkstelligt, maar de inschrijving van deze aktes in de openbare registers. De door hem gehanteerde passeervolgorde van de desbetreffende aktes vloeit voort uit de door het bestuur van de Koninklijke notariële beroepsorganisatie (hierna: KNB) opgestelde aanbeveling voor (quasi) Baarns beslag-situaties en door het bepaalde in artikel 13 van de Wet op belastingen van rechtsverkeer.

5.7.

Het hof is met de kamer van oordeel dat zich hier wel degelijk een (quasi) Baarns beslag-situatie voordeed. Omdat [C] de gelden van [D] nodig had om de erfgenaam te kunnen betalen is immers de akte tussen [C] en [D] (akte 1) als eerste gepasseerd en pas daarna de akte tussen de erfgenaam en [C] (akte 2). Vervolgens heeft de inschrijving van een afschrift van de leveringsakte in de openbare registers in de juiste volgorde plaatsgevonden, dat wil zeggen dat als eerste de leveringsakte tussen de erfgenaam en [C] is ingeschreven. Nu de kandidaat-notaris heeft gehandeld conform de aanbeveling van het bestuur van de KNB, valt de kandidaat-notaris op dit punt geen verwijt te maken. Dat de transacties niet bij twee notariskantoren maar op één kantoor hebben plaatsgevonden maakt het voorgaande niet anders. Deze klachtonderdelen zijn dan ook ongegrond.

Klachtonderdeel 4

5.8.

Klaagster stelt dat de kandidaat-notaris onzorgvuldig heeft gehandeld omdat hij ten onrechte niet de juistheid van koopprijs van de woning heeft beoordeeld. De kandidaat-notaris was bekend met het feit dat de woning recentelijk volledig was gerenoveerd. Hij beroept zich dan ook ten onrechte op de door erflater in 2010 betaalde koopsom van € 138.000,- De kandidaat-notaris was ook bekend met het beslag op de woning en het bedrag waarvoor dat was gelegd. In de beslagstukken is melding gemaakt van een waarde van de woning van € 220.000,- hetgeen aansluit bij de prijs van € 231.000,- waarvoor de woning later, in juni 2018, is doorverkocht. De kamer heeft ten onrechte aansluiting gezocht bij de WOZ-waarde omdat deze waarde jaren achterloopt bij de waarde in het economisch verkeer, aldus nog steeds klaagster.

5.9.

De kandidaat-notaris brengt als verweer naar voren dat er geen enkele reden was om een nader onderzoek naar de overeengekomen koopprijs vast te stellen nu de koopovereenkomst was opgesteld door een ter plaatse goed bekend staand makelaarskantoor terwijl de koopsom van € 172.500,- ruim boven de WOZ-waarde van de woning ten tijde van de verkoop lag.

5.10.

Het hof is met de kamer van oordeel dat de kandidaat-notaris zijn zorgplicht niet heeft geschonden aangezien nader onderzoek naar de hoogte van de koopsom in redelijkheid niet was geboden. Gelet op het feit dat de gerealiseerde verkoopopbrengst ruim boven de WOZ-waarde van de woning ten tijde van de verkoop lag, bestond er voor de kandidaat-notaris in redelijkheid geen aanleiding om nadere vragen te stellen. Dit wordt niet anders door het feit dat dezelfde woning acht maanden later voor een hogere prijs is doorverkocht.

Klachtonderdeel 5

5.11.

Klaagster verwijt de kandidaat-notaris dat hij bij het passeren van de transportakte ten onrechte gebruik heeft gemaakt van de volmacht die in het verleden door de wettelijk vertegenwoordiger aan [B] was verleend. Nu de erfgenaam ten tijde van de levering meerderjarig was geworden, mocht deze volmacht niet meer worden gebruikt. Op geen enkele wijze is gebleken, aldus klaagster, dat de erfgenaam heeft ingestemd met het gebruik van de volmacht. De kandidaat-notaris heeft de erfgenaam zelfs nooit gesproken of gezien. Onder deze omstandigheden is het tuchtrechtelijk laakbaar dat de kandidaat-notaris desondanks de akte van levering heeft gepasseerd.

5.12.

De kandidaat-notaris heeft naar voren gebracht dat de door de wettelijk vertegenwoordiger gedurende de minderjarigheid van de erfgenaam afgegeven volmacht na het meerderjarig worden van de erfgenaam is gebruikt bij het passeren van de akte van levering, nadat met de erfgenaam over de levering was overlegd en het de kandidaat-notaris was gebleken dat zij daarmee akkoord ging. Daarom is in de akte van levering vermeld dat de gebruikte volmacht was verleend tijdens de minderjarigheid van de erfgenaam. De erfgenaam heeft bovendien vóór het passeren van de leveringsakte een concept van die akte ontvangen.

5.13.

De kamer heeft in de bestreden beslissing ten aanzien van dit klachtonderdeel, samengevat, overwogen dat in geval van het verlijden van een akte waarbij namens een partij wordt opgetreden door een vertegenwoordiger, op een (kandidaat-)notaris de verplichting rust zich zo volledig en nauwkeurig mogelijk ervan te vergewissen dat die vertegenwoordiger bevoegd is om namens de vertegenwoordigde de in die akte opgenomen rechtshandelingen te verrichten. Deze verplichting vloeit voort uit de op de (kandidaat-)notaris rustende zwaarwegende zorgplicht om de rechtsgevolgen te laten intreden die in de akte zijn beoogd. Met de kamer is het hof van oordeel dat de kandidaat-notaris bij het passeren van akte 2 geen gebruik had mogen maken van de aan [B] verleende volmacht. Nu de erfgenaam ten tijde van het passeren van de akte van levering meerderjarig was, was de wettelijk vertegenwoordiger niet langer bevoegd de woning te leveren maar diende de erfgenaam dat zelf te doen. Zo zij niet zelf bij het passeren van de akte aanwezig kon zijn, had de kandidaat-notaris de erfgenaam zelf een volmacht moeten laten afgeven. Dat hij dit niet heeft gedaan valt hem tuchtrechtelijk aan te rekenen. Dat de erfgenaam heeft ingestemd met de door de kandidaat-notaris gehanteerde handelswijze, zoals deze heeft verklaard, doet hieraan niet af. Met de kamer is het hof van oordeel dat de kandidaat-notaris niet heeft gehandeld zoals een zorgvuldig (kandidaat-)notaris behoort te doen. Dit betekent dat klachtonderdeel 5 gegrond is.

Klachtonderdeel 6 en 7

5.14.

Evenals de kamer zal het hof vanwege de onderlinge samenhang de klachtonderdelen 6 en 7 gezamenlijk behandelen. De kamer heeft in de bestreden beslissing deze klachtonderdelen ongegrond verklaard op grond van de overweging, samengevat, dat (a) de kandidaat-notaris van de rechtsgeldigheid van de koopovereenkomst mocht uitgaan en (b) de erfgenaam ten tijde van het passeren van de akte van levering meerderjarig was zodat geen machtiging van de kantonrechter was vereist. In hoger beroep zijn geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht die een ander oordeel rechtvaardigen. Het hof verenigt zich daarom met het oordeel van de kamer en de gronden waarop dit oordeel berust en maakt die tot de zijne. Dit betekent dat de klachtonderdelen 6 en 7 ongegrond zijn.

Klachtonderdeel 8

5.15.

Het verwijt van klaagster dat de kandidaat-notaris de eer, kwaliteit, betrouwbaarheid en onafhankelijkheid bewust in diskrediet heeft gebracht wordt door het hof eveneens verworpen. Niet is gebleken dat de kandidaat-notaris door zijn handelswijze doelbewust heeft geprobeerd om klaagster te benadelen door onder de beslaglegging uit te komen. Het kan de kandidaat-notaris niet worden aangerekend dat het eerste beslag is doorgehaald en het tweede beslag geen werking had omdat voor het leggen van dat beslag de koopovereenkomst in de openbare registers was ingeschreven.

Klachtonderdeel 9

5.16.

Klaagster heeft dit klachtonderdeel feitelijk noch juridisch onderbouwd. De kamer heeft dit klachtonderdeel ongegrond verklaard. Het hof verenigt zich met dit oordeel van de kamer en de gronden waarop dit oordeel berust. In hoger beroep zijn geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht die een ander oordeel zouden kunnen rechtvaardigen.

Klachtonderdeel 10

5.17.

Ook ten aanzien van klachtonderdeel 10 geldt dat klaagster geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die aanleiding geven om vraagtekens te plaatsen bij het betoog van de notaris dat hij geen enkele reden had om meer toezicht uit te oefenen op de werkzaamheden van de kandidaat-notaris dan hij heeft gedaan. Klachtonderdeel 10 is daarmee eveneens ongegrond.

Conclusie en maatregel

5.18.

Zoals hiervoor in rov. 5.13. is overwogen, is klachtonderdeel 5 ten aanzien van de kandidaat-notaris gegrond. Het hof acht, anders dan de kamer, de maatregel van een berisping passend en geboden. In het belang van de rechtszekerheid dient de rechtsgeldigheid van de door een (kandidaat-)notaris gepasseerde akte niet in twijfel te kunnen worden getrokken. Het bevorderen van die rechtszekerheid is een kerntaak van de (kandidaat-) notaris. Nu de kandidaat-notaris daaraan in dit geval onvoldoende invulling heeft gegeven, kan niet worden volstaan met een lichtere maatregel dan die van berisping.

5.19.

Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht, kan buiten beschouwing blijven omdat het niet van belang is voor de beslissing in deze zaak.

5.20.

Nu het hof voor wat betreft de oplegde maatregel tot een andere beslissing komt dan de kamer, zal het hof de beslissing van de kamer op dit punt vernietigen.

Kostenveroordeling

5.21.

Per 1 januari 2018 is de Wet op het notarisambt (Wet doorberekening kosten toezicht en tuchtrecht juridische beroepen) gewijzigd. In verband met deze wijziging van de Wna heeft dit hof per 1 januari 2018 de Tijdelijke richtlijn kostenveroordeling notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer Gerechtshof Amsterdam vastgesteld. De looptijd van deze richtlijn is na een eerste evaluatie in het voorjaar van 2019 verlengd tot in beginsel 1 januari 2021 (Staatscourant 2019, nr. 61782; hierna: de Richtlijn).

5.22

Nu het hof klachtonderdeel 5 gegrond verklaart en de kandidaat-notaris tevens een zwaardere maatregel oplegt dan de kamer zal het hof de kandidaat-notaris op grond van de artikelen 103b lid 1 jo. 107 lid 3 Wna jo. de richtlijn veroordelen in de volgende kosten in hoger beroep:

- € 100,- kosten van klaagster;

- € 3.000,- kosten van behandeling van de klacht door het hof.

Er zijn geen bijzondere omstandigheden gebleken die aanleiding geven tot een andere beslissing.

5.23.

De kandidaat-notaris dient de kosten van klaagster in hoger beroep binnen vier weken na deze uitspraak aan klaagster te voldoen, hetgeen kan geschieden door betaling op een daartoe door klaagster aan de kandidaat-notaris op te geven rekeningnummer.

5.24.

De kandidaat-notaris dient de kosten van behandeling van de klacht in eerste aanleg en in hoger beroep te voldoen aan het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak (LDCR), waarbij de in de artikelen 103b lid 3 Wna jo. 107 lid 3 Wna bepaalde termijn en de wijze waarop de kosten moeten worden voldaan door het LDCR per brief aan de kandidaat- notaris zullen worden meegedeeld.

5.25.

Het hiervoor overwogene leidt tot de volgende beslissing.

6 Beslissing

Het hof:

- verklaart klaagster niet-ontvankelijk in haar hoger beroep voor zover zij haar klacht in eerste aanleg heeft willen uitbreiden;

- vernietigt de bestreden beslissing voor zover het de opgelegde maatregel betreft;

- legt de kandidaat-notaris de maatregel van berisping op;

- bevestigt de bestreden beslissing voor het overige, met inbegrip van de door de kamer aan de kandidaat-notaris opgelegde proceskostenveroordeling;

- veroordeelt de kandidaat-notaris tot betaling aan klaagster van haar kosten in hoger beroep, bestaande uit € 50,- aan kosten griffierecht en € 50,- aan reiskosten, derhalve in totaal € 100,- binnen vier weken na heden;

- veroordeelt de kandidaat-notaris tot betaling van de kosten van behandeling van de klacht in eerste aanleg (€ 3.500) en in hoger beroep door het hof (€ 3.000,-) aan het LDCR op de wijze en binnen de termijn als door het LDCR aan de notaris meegedeeld.

Deze beslissing is gegeven door mrs. J.C.W. Rang, A.M.A. Verscheure en M. Bijkerk en in het openbaar uitgesproken op 7 april 2020 door de rolraadsheer.