Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:1061

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
14-02-2020
Datum publicatie
10-04-2020
Zaaknummer
23-000377-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling belaging. OVAR nu het feit niet aan de verdachte kan worden toegerekend. Artikel 37 Sr vervallen; hof ziet - gelet op huidige toestandsbeeld verdachte - geen aanleiding een zorgmachtiging als bedoeld in artikel 2.3 Wfz te bewerkstelligen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-000377-19

datum uitspraak: 14 februari 2020

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 25 januari 2019 in de strafzaak onder parketnummer 13-701462-18 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1989,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

31 januari 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijziging is aan de verdachte ten laste gelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van 01 augustus 2017 tot en met 05 maart 2018 in Amsterdam en/of Groningen, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer], in elk geval van een ander, met het oogmerk die [slachtoffer], in elk geval die ander te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen, immers heeft hij, verdachte:

- veelvuldig sms-berichten verstuurd aan die [slachtoffer], en/of

- die [slachtoffer] (meermalen) gebeld, en/of

- zich (meermalen) opgehouden bij de woning van die [slachtoffer] en/of (daarbij) aangebeld en/of

- zijn (vaste) relatie met [slachtoffer] meermalen bespreken met zijn vriendenkring als waren zij een (vast) stel.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de rechtbank.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij in de periode van 1 maart 2018 tot en met 5 maart 2018 in Groningen, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer], met het oogmerk die [slachtoffer] te dwingen iets te dulden, immers heeft hij:

- veelvuldig sms-berichten verstuurd aan [slachtoffer] en

- [slachtoffer] meermalen gebeld.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezen verklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

belaging.

Strafbaarheid van de verdachte

De rechtbank heeft de verdachte ten aanzien van het bewezenverklaarde niet strafbaar verklaard en hem ontslagen van alle rechtsvervolging. Voorts heeft de rechtbank gelast dat de verdachte voor de termijn van één jaar in een psychiatrisch ziekenhuis zal worden geplaatst.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het tenlastegelegde feit de verdachte niet kan worden toegerekend en hij daarom dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Ten aanzien van de vraag of een civielrechtelijke maatregel overeenkomstig artikel 2.3 van de Wet Forensische Zorg moet worden opgelegd, dient actuele informatie over de psychische gesteldheid van de verdachte te worden ingewonnen. De advocaat-generaal heeft daartoe gevorderd dit in een tussenarrest te bepalen en/of de zaak te verwijzen naar de raadsheer-commissaris.

De raadsman heeft verzocht de verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging.

Het hof overweegt als volgt.

Met de advocaat-generaal en de raadsman is het hof van oordeel dat de verdachte ten aanzien van het bewezenverklaarde niet strafbaar is en dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Het hof heeft daarbij acht geslagen op de Pro Justitia-rapporten van 2 en 6 augustus 2018 en de reclasseringsrapporten van Verslavingszorg Noord Nederland van 23 oktober 2018 en 18 december 2019. In de Pro Justitia-rapporten wordt gerapporteerd dat bij de verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens in de vorm van een ongespecificeerde schizofreniespectrum of andere psychotische stoornis en een stoornis in het gebruik van cannabis. Hiervan was eveneens sprake ten tijde van het aan de verdachte ten laste gelegde, waardoor het hem niet kan worden toegerekend. Beide deskundigen komen tot de conclusie dat in het geval van de verdachte een behandeling gewenst is en adviseren daarom tot plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis voor de duur van één jaar. Het hof neemt de conclusies van de deskundigen voor wat betreft de gestelde diagnose en toerekenbaarheid over en maakt deze tot de zijne. Het advies strekkende tot plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis neemt het hof niet over, reeds omdat de daarop betrekking hebbende wettelijke bepaling (artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht) met ingang van 1 januari 2020 is komen te vervallen. Het hof ziet zich gesteld voor de vraag of in plaats van de geadviseerde maatregel een zorgmachtiging als bedoeld in artikel 2.3 Wet Forensische Zorg (Wfz) in verband met artikel 6:5 Wet Verplichte Geestelijke Gezondheidszorg of een rechterlijke machtiging als bedoeld in artikel 24 van de Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten dient te worden afgegeven. In die gevallen dient de advocaat-generaal een verzoekschrift als bedoeld in artikel 2.3 Wfz in te dienen. Het hof verstaat het standpunt van de advocaat-generaal aldus dat het is gericht op nader onderzoek ten behoeve van een dergelijk verzoekschrift. Het hof overweegt dienaangaande dat de verdachte met ingang van 1 mei 2018 uit de voorlopige hechtenis is geschorst, waarbij aan hem een aantal voorwaarden is opgelegd, waaronder verplicht reclasserings-contact en een contactverbod met het slachtoffer. Blijkens het reclasseringsrapport van 23 oktober 2018 heeft de verdachte zich – in ieder geval tot dat moment – goed aan deze voorwaarden gehouden. Blijkens het reclasseringsrapport van 18 december 2019 is het verplichte reclasseringscontact in het afgelopen jaar niet nageleefd. Het hof heeft evenwel niet kunnen vaststellen dat dit aan de verdachte is te wijten. Niet is gebleken dat andere schorsingsvoorwaarden zijn overtreden, zodat het hof ervan uitgaat dat die voorwaarden zijn nageleefd door de verdachte. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat het aan hem tenlastegelegde is voortgekomen uit een waanidee. Voorts heeft hij verklaard dat het nu goed met hem gaat, hij een rustig leven leidt en zich onthoudt van drugsgebruik. Dit beeld vindt bevestiging in een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 17 januari 2020, waaruit blijkt dat hij niet vóór het onderhavige feit en ook niet daarna met politie of justitie in aanraking is gekomen, behoudens voor een tweetal niet ter zake doende overtredingen van de APV Groningen en de Wet Milieubeheer.

Gelet op het huidige toestandsbeeld van de verdachte, zoals dat ter terechtzitting in hoger beroep naar voren is gekomen, is naar het oordeel van het hof niet langer de conclusie gerechtvaardigd dat de verdachte in een juridisch (dwang)kader klinisch moet worden behandeld. Gelet hierop en met inachtneming van het vereiste van de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde, ziet het hof thans geen aanleiding nader onderzoek naar (de psychische gesteldheid van) de verdachte te laten verrichten teneinde een zorgmachtiging als bedoeld in artikel 2.3 Wfz te bewerkstelligen. Het hof wijst de daartoe strekkende vordering van de advocaat-generaal af.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld, verklaart de verdachte niet strafbaar en ontslaat de verdachte te dier zake van alle rechtsvervolging.

Heft op het geschorste bevel voorlopige hechtenis.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.L.M. van der Voet, mr. H.M.J. Quaedvlieg en mr. M.W. Groenendijk, in tegenwoordigheid van mr. D. Boessenkool, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 14 februari 2020.

mr. M.L.M. van der Voet is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

=========================================================================

[…]