Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:1052

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
14-02-2020
Datum publicatie
10-04-2020
Zaaknummer
23-003689-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling afpersing door middel van bedreiging met een op mes gelijkend voorwerp. Plegen van vermogensdelicten om harddrugsgebruik te bekostigen. Hof volgt reclassering in advies tot oplegging onvoorwaardelijke gevangenisstraf, maar lagere straf dan rb

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-003689-19

datum uitspraak: 14 februari 2020

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 25 september 2019 in de strafzaak onder de parketnummers

13-741048-19 en 13-169007-17 (TUL) tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Suriname) op [geboortedag] 1960,

thans gedetineerd in Penitentiaire Inrichting Zaanstad te Westzaan.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

31 januari 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 28 mei 2019 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag van (ongeveer) 15 euro, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan voornoemde [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte,

- tegen voornoemde [slachtoffer] is opgebotst en/of tegen hem aan is gelopen en/of (vervolgens)

- ( op dreigende en/of dwingende toon) hem heeft aangesproken, waarbij hij, verdachte heeft gezegd: "Geef me 30 euro of ik steek een mes in je lijf", in elk geval woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en/of (vervolgens)

- ( op korte afstand) een mes, in elk een soortgelijk voorwerp aan voornoemde [slachtoffer] heeft getoond en/of voorgehouden en/of zijn geld heeft geëist (waardoor voornoemde [slachtoffer] zich gedwongen en/of genoodzaakt voelde om dat geld en/of af te geven).

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewijsconstructie en een andere strafoplegging komt dan de rechtbank.

Bewijsoverweging

De raadsvrouw heeft namens de verdachte vrijspraak van het aan hem tenlastegelegde feit bepleit. Zij heeft daartoe, kort gezegd, aangevoerd dat de aangifte niet wordt ondersteund door de getuigen-verklaringen ten aanzien van het botsen van de verdachte tegen de aangever, het tonen van een scherp voorwerp en het onder dwang afgeven van geld.

Het hof overweegt als volgt.

Aangever [slachtoffer] heeft verklaard dat een man, de verdachte, op 28 mei 2019 te Amsterdam tegen hem aanliep. [slachtoffer] zag op dat moment een pijpje op de grond vallen, waarna de verdachte tegen hem begon te schreeuwen dat er dertig euro op de grond was gevallen en hij dertig euro moest betalen. Toen [slachtoffer] antwoordde dat hij niets had gedaan en niks wilde betalen, pakte de verdachte een scherp zilverkleurig voorwerp, toonde dit aan [slachtoffer] en zei “Geef me dertig euro of ik steek een mes in je lijf!”. [slachtoffer] werd hiervan erg bang en gaf de verdachte vijftien euro. Getuige [getuige], die samen met [slachtoffer] was, heeft verklaard dat hij, nadat hij een geluid hoorde alsof er twee mensen tegen elkaar waren opgelopen, de verdachte naar de grond zag wijzen, [slachtoffer] iets van de grond pakte en dit aan de verdachte gaf. Vervolgens kwam de verdachte naar [getuige] en [slachtoffer] toegelopen terwijl hij schreeuwde dat zijn spul op de grond was gegooid, dit dertig euro was en dit moest worden vergoed. [getuige] zag aan de houding en het gezicht van [slachtoffer] dat hij erg geschrokken en bang was en dat hij vijftien euro aan de verdachte gaf. Na aanhouding zijn bij verdachte vijftien euro en een zilverkleurige schaar zonder handvat aangetroffen.

Anders dan de raadsvrouw is het hof van oordeel dat de getuigenverklaring van [getuige] de aangifte van [slachtoffer] in voldoende mate en op essentiële onderdelen ondersteunt. Dat alleen [slachtoffer] heeft gezien dat de verdachte hem een scherp zilverkleurig voorwerp toonde doet daaraan niet af, nu dat onderdeel van zijn verklaring wordt ondersteund door het aantreffen van de schaar. Voorts is naar het oordeel van het hof uit het dossier volstrekt niet aannemelijk geworden dat de aangever, zoals door de verdachte naar voren is gebracht, zonder enige aanwijsbare reden het geld uit eigen beweging aan de verdachte zou hebben gegeven. Het hof verwerpt het door de raadsvrouw gevoerde verweer en komt tot een bewezenverklaring van afpersing.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 28 mei 2019 te Amsterdam met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag van 15 euro dat toebehoorde aan [slachtoffer], welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij, verdachte,

- tegen [slachtoffer] is aangelopen en vervolgens

- op dreigende toon hem heeft aangesproken, waarbij hij heeft gezegd: "Geef me 30 euro of ik steek een mes in je lijf" en vervolgens

- een soortgelijk voorwerp als een mes aan [slachtoffer] heeft getoond en zijn geld heeft geëist

waardoor [slachtoffer] zich gedwongen voelde om dat geld af te geven.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezen verklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze zijn opgenomen in de bijlage die aan dit arrest is gehecht en daarvan deel uit maakt.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

afpersing.

Strafbaarheid van de verdachte

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden, met aftrek van voorarrest.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan afpersing van een willekeurige voorbijganger, door tegen hem aan te lopen, iets te laten vallen, en vervolgens van het slachtoffer onder bedreiging met een op een mes gelijkend voorwerp tot afgifte van geld te dwingen. Met deze brutale en geraffineerde werkwijze heeft de verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke en psychische integriteit van het slachtoffer en hem gevoelens van angst en onveiligheid bezorgd. Dat de verdachte zich kennelijk alleen heeft laten leiden door financieel gewin rekent het hof de verdachte ten zeerste aan, temeer nu hij blijkens een hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 17 januari 2020 meermalen eerder voor soortgelijke delicten onherroepelijk is veroordeeld. Verdachte is dan ook zeer hardleers.

Het hof heeft bij de strafoplegging tevens acht geslagen op de reclasseringsrapporten van Reclassering Nederland van 31 mei 2019 en GGZ Reclassering Inforsa van 16 september 2019. Uit deze rapporten blijkt dat bij de verdachte sprake is van een langdurig patroon van vermogensdelicten om zijn harddrugsgebruik te bekostigen. Hulpverlening en reclasseringsbegeleiding hebben niet tot afname van het delictgedrag geleid dan wel enige verandering in het gedrag van de verdachte teweeg gebracht. De reclassering adviseert in het rapport van 16 september 2019, alhoewel niet opgemaakt in de onderhavige zaak maar wel ter zake van soortgelijke delicten, dan ook oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Daardoor wordt het mogelijk om de verdachte aansluitend in een passende woonvoorziening te plaatsen en, naar het hof begrijpt, de kans op herhaling zoveel mogelijk te beperken.

Het hof acht, gelet op het voorgaande, thans geen andere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden en heeft daarbij in aanmerking genomen de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht, die bij een soortgelijk feit ingeval van recidive uitgaan van oplegging van een gevangenisstraf van acht maanden. Gelet op de toepasselijkheid van artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht en rekening houdend met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder zijn (verstandelijke) beperkingen en zijn gezondheidstoestand, ziet het hof aanleiding om een lagere straf aan de verdachte op te leggen dan de rechtbank heeft gedaan.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 63 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

Beslag

Het hof is van oordeel dat het inbeslaggenomen geldbedrag, zoals vermeld op de door de officier van justitie overgelegde en aan dit arrest aangehechte ‘lijst van inbeslaggenomen voorwerpen’, gedateerd 14 augustus 2019, aan de aangever [slachtoffer] toebehoort. Het hof zal daarom de teruggave hiervan aan [slachtoffer] gelasten.

Vordering tenuitvoerlegging

Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van 26 juni 2018 van de politierechter in de rechtbank Amsterdam opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier dagen. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting de tenuitvoerlegging gevorderd.

Gebleken is dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Daarom zal de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast de teruggave aan [slachtoffer] van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten

een geldbedrag van € 15,00 (goednummer 5756990).

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 26 juni 2018, parketnummer 13-169007-17, te weten van

gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) dagen.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. H.M.J. Quaedvlieg, mr. M.L.M. van der Voet en mr. M.W. Groenendijk, in tegenwoordigheid van mr. D. Boessenkool, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 14 februari 2020.

mr. M.L.M. van der Voet is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

=========================================================================

[…]