Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:1035

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
07-04-2020
Datum publicatie
18-05-2020
Zaaknummer
200.262.011/01 GDW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:TGDKG:2019:149
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Klacht van 22 december 2017 tegen een gerechtsdeurwaarder en een toegevoegd gerechtsdeurwaarder. Bankbeslag en beslagvrije voet.

De kamer heeft de (toegevoegd) gerechtsdeurwaarders de maatregel van berisping opgelegd. Het hof heeft de klacht jegens de toegevoegd gerechtsdeurwaarder ongegrond verklaard en een deel van de klacht jegens de gerechtsdeurwaarder gegrond verklaard met oplegging van de maatregel van berisping + kostenveroordeling hb.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

___________________________________________________________________ _ _

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht

zaaknummer : 200.262.011/01 GDW

nummer eerste aanleg : C/13/640859 DW RK 17/1241

beslissing van de notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer van 7 april 2020

inzake

1 [gerechtsdeurwaarder 1] ,

gerechtsdeurwaarder te [plaats] ,

2. [gerechtsdeurwaarder 2] ,

toegevoegd gerechtsdeurwaarder te [plaats] ,

appellanten,

gemachtigde: mr. [naam] ,

tegen

[klaagster] , in haar hoedanigheid van bewindvoerder van [X] (hierna: [X] ),

wonend te [plaats] ,

geïntimeerde,

gemachtigde: mr. M.R.A. Rutten, advocaat te Utrecht.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Appellanten (hierna: de gerechtsdeurwaarders en ook gerechtsdeurwaarder 1, respectievelijk gerechtsdeurwaarder 2) hebben op 4 juli 2019 een beroepschrift – met bijlage – bij het hof ingediend tegen de beslissing van de kamer voor gerechtsdeurwaarders te Amsterdam (hierna: de kamer) van 11 juni 2019 (ECLI:NL:TGDKG:2019:149). De kamer heeft in de bestreden beslissing de klacht van 22 december 2017 van geïntimeerde (hierna: klaagster) deels gegrond en deels ongegrond verklaard en de gerechtsdeurwaarders de maatregel van berisping opgelegd.

1.2.

Klaagster heeft op 31 juli 2019 een verweerschrift bij het hof ingediend.

1.3.

De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 6 februari 2020. Gerechtsdeurwaarder 2, vergezeld van zijn gemachtigde, en de gemachtigde van klaagster zijn verschenen en hebben het woord gevoerd; beide gemachtigden aan de hand van aan het hof overgelegde pleitnotities. Gerechtsdeurwaarder 1 en klaagster zijn niet verschenen.

1.4.

Bij brief van 2 maart 2020, ingekomen bij het hof op 4 maart 2020, heeft de gemachtigde van klaagster, mede namens appellanten, een aanvullende productie bij het hof ingediend.

2 Stukken van het geding

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie en de hiervoor vermelde stukken.

3 Feiten

3.1.

Het hof verwijst voor de feiten naar hetgeen de kamer in de bestreden beslissing heeft vastgesteld. Partijen hebben tegen de vaststelling van de feiten door de kamer geen bezwaar gemaakt, zodat ook het hof van die feiten uitgaat.

3.2.

Kort gezegd gaat het in deze zaak om het volgende.

3.2.1.

Op 20 mei 2016 is klaagster benoemd tot bewindvoerder over alle goederen die toebehoren of zullen toebehoren aan [X] . Op diezelfde dag is de partner van [X] onder beschermingsbewind geplaatst.

3.2.2.

Bij vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Oost-Brabant van 16 juni 2016 is [X] veroordeeld tot het betalen van een geldbedrag aan [de Stichting] te [plaats] (hierna: de Stichting).

3.2.3.

Bij exploot van 10 augustus 2016 is op verzoek van de Stichting bovengemeld vonnis aan klaagster betekend.

3.2.4.

Op 21 november 2016 hebben de gerechtsdeurwaarders digitaal bij de UWV-polis administratieve navraag gedaan naar de bronnen van inkomsten van [X] . Hieruit kwam naar voren dat ten behoeve van [X] geen lopende inkomstenverhoudingen waren geregistreerd.

3.2.5.

Bij exploot van 22 december 2016 heeft gerechtsdeurwaarder 2 executoriaal derdenbeslag gelegd onder de ING Bank N.V. (hierna: de bank) ten laste van [X] . Het beslag heeft doel getroffen voor een bedrag van € 1.251,87.

3.2.6.

Bij brief van 23 december 2016 heeft de bank aan [X] meegedeeld dat het beslagen banktegoed zou worden gereserveerd op de bestaande spaarrekening(en) van [X] of een daarvoor te openen nieuwe spaarrekening.

3.2.7.

Bij e-mailbericht van 2 januari 2017 heeft klaagster aan het kantoor van de gerechtsdeurwaarder bericht:

“In dossiernummer (…) heeft u beslag gelegd op de beheerrekening en leefgeldrekening van mevrouw [X] .

Ik wil u vragen ook hier de beslagvrije voet te respecteren. Op dit moment is er geen inkomen om de huur, gas water en licht, leefgeld te betalen. Ik wil u met klem vragen de rekening weer vrij te geven zodat wij de betalingen kunnen doen.

Ik wil proberen om een betalingsregeling tot stand te brengen maar zoals al eerder vermeldt, mevrouw heeft geen inkomen op dit moment Haar partner ontvangt een wajong uitkering. Er is niet veel geld. De mogelijkheden voor een regeling zijn dus beperkt. Ik kan een voorstel doen van € 20.00 euro per maand.

Graag een snelle reactie zodat we snel weer de vaste lasten over kunnen maken en leefgeld uitbetalen.”

3.2.8.

Bij e-mailbericht van 12 januari 2017 heeft een medewerker van het kantoor van de gerechtsdeurwaarders klaagster medegedeeld dat voor een bankbeslag in principe geen beslagvrije voet geldt. Om te beoordelen of in deze zaak wel een beslagvrije voet zou moeten worden toegepast, is klaagster verzocht om een kopie van de bankafschriften van de afgelopen drie maanden toe te sturen. Aan dit verzoek heeft klaagster op diezelfde datum voldaan.

3.2.9.

De gemachtigde van klaagster heeft bij brief van 26 januari 2017 bezwaar gemaakt tegen het niet toepassen van de beslagvrije voet; er had tot opheffing van het beslag dan wel restitutie moeten worden overgegaan. Gerechtsdeurwaarder 1 heeft deze brief als klacht in behandeling genomen. Bij e-mailbericht van 30 januari 2017 heeft gerechtsdeurwaarder 1 de klacht van de gemachtigde van klaagster afgewezen.

3.2.10.

Het bankbeslag is – na overleg met de Stichting – uiteindelijk gehandhaafd zonder toepassing van de beslagvrije voet. Het uit het bankbeslag ontvangen bedrag is afgedragen aan de Stichting.

3.2.11.

Klaagster is een executiegeschil begonnen tegen de Stichting. Bij vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Oost-Brabant van 7 september 2017 is geoordeeld dat het beslag op de Wajong-uitkering, zorgtoeslag en bijzondere bijstand niet in stand kon blijven omdat het onrechtmatig werd geacht. Het beslag op de huurtoeslag is niet onrechtmatig geacht, omdat dit was gelegd ter voldoening van een huurschuld.

4 Standpunt van klaagster

Klaagster verwijt de gerechtsdeurwaarders het volgende.

i. De gerechtsdeurwaarders hebben een onrechtmatig bankbeslag gelegd, doordat zij nooit hebben geïnformeerd naar de inkomsten van [X] . Indien zij dat wel hadden gedaan, hadden zij geweten dat de bankrekening van [X] (en haar partner) uitsluitend werd gevoed door een Wajong-uitkering, huur- en zorgtoeslag en bijzondere bijstand, terwijl [X] geen andere inkomsten had.

ii. a. De gerechtsdeurwaarders hebben ten onrechte geen beslagvrije voet toegepast.

ii. b. Zij hebben dat ook niet gedaan nadat klaagster de inkomensgegevens van [X] aan de gerechtsdeurwaarders had verstrekt. Op de beslagen bankrekening(en) was kort voor het beslag de Wajong-uitkering van de partner van [X] bijgeschreven, zodat deze uitkering onder het beslag is gevallen. [X] is door het beslag in financiële problemen gekomen.

5 Standpunt van de gerechtsdeurwaarders

De gerechtsdeurwaarders hebben verweer gevoerd. Het standpunt van de gerechtsdeurwaarders wordt, voor zover relevant, hieronder besproken.

6 Beoordeling

Klachtonderdeel i.

6.1.

De kamer heeft – kort samengevat – geoordeeld dat uit de overgelegde stukken blijkt dat de gerechtsdeurwaarders hebben geïnformeerd naar de bronnen van inkomsten van [X] , dat [X] de vordering niet vrijwillig heeft voldaan en ook niet heeft gereageerd op de brieven van de gerechtsdeurwaarders en dat het leggen van het bankbeslag niet in strijd is met enige tuchtrechtelijke norm, omdat [X] op grond van artikel 3:276 van het Burgerlijk Wetboek met haar hele vermogen instaat voor betaling van de vordering, zodat het de gerechtsdeurwaarders op grond van artikel 435 Rv vrijstond om beslag te leggen op al haar vermogensobjecten. Het hof verenigt zich met het oordeel van de kamer en de gronden waarop dat berust. In hoger beroep zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die een ander oordeel rechtvaardigen. Dit betekent dat dit klachtonderdeel ongegrond is.

Klachtonderdeel ii.

6.2.1.

Het hof stelt het volgende voorop. De wetgever heeft aan vorderingen tot periodieke betaling van onder meer loon en uitkeringen een beslagvrije voet verbonden, om te waarborgen dat de beslagene in staat blijft om tenminste nog de kosten van de primaire levensbehoeften te voldoen. Aan een vordering van een beslagene op zijn bankinstelling is momenteel echter geen beslagvrije voet verbonden, zodat bij een bankbeslag in beginsel geen rekening hoeft te worden gehouden met de beslagvrije voet. Onder omstandigheden kan het echter als misbruik van recht worden aangemerkt, indien beslag wordt gelegd op een bankrekening die uitsluitend door uitkering, loon en/of toeslag wordt gevoed, terwijl de beslagene geen ander inkomen heeft waaruit zijn primaire levensbehoeften worden voldaan en de gerechtsdeurwaarder met die omstandigheid bekend is of had moeten zijn (vgl. b.v. ECLI:NL:GHAMS:2018:1417).

6.2.2.

Van een dergelijk misbruik van recht is het hof niet gebleken. Niet is gebleken dat de gerechtsdeurwaarders op het moment van beslaglegging op de hoogte waren van het inkomen van [X] (en haar partner). De gerechtsdeurwaarders hadden via de weg van artikel 475g lid 4 Rv (UWV-polis) geïnformeerd naar het inkomen van [X] . Hieruit bleek dat er geen inkomsten van [X] bekend waren. De gerechtsdeurwaarders hadden in de maanden voorafgaand aan de beslaglegging twee maal aan klaagster gevraagd of een betalingsregeling kon worden getroffen, waarmee de kwestie zou kunnen worden opgelost, waarop klaagster niet heeft gereageerd. Ook is niet gebleken dat de gerechtsdeurwaarders bekend waren met de saldopositie van de bankrekening(en) van [X] . De gerechtsdeurwaarders hadden ten tijde van de beslaglegging nog niet de beschikking over de later door klaagster verstrekte bankafschriften van [X] (en haar partner). Het hof is van oordeel dat de gerechtsdeurwaarders onder deze omstandigheden geen tuchtrechtelijke norm hebben geschonden door het derdenbeslag onder bank te leggen. Dit betekent dat klachtonderdeel ii. sub a. ongegrond is.

6.3.1.

Misbruik van recht zou verder aan de orde kunnen zijn in het geval een gerechtsdeurwaarder voldoende inzicht heeft in de inkomsten van de debiteur en desondanks niet overgaat tot opheffing van het beslag of tot het toepassen van de beslagvrije voet op de onder het beslag vallende bedragen.

6.3.2.

Op 2, 12 en 26 januari 2017 hebben klaagster en de gemachtigde van klaagster de gerechtsdeurwaarder 1 stukken doen toekomen waaruit de financiële situatie van [X] en haar partner bleek. Gelet op de hoogte van het bij het bankbeslag getroffen bedrag en in aanmerking genomen de bedragen die stonden vermeld op de toegezonden bankafschriften, had gerechtsdeurwaarder 1, die vanaf de ontvangst van de stukken de afhandeling van deze kwestie op zich heeft genomen, onverwijld moeten overgaan tot toepassing van de beslagvrije voet. Hieraan doet niet af dat [X] geen eigen inkomen had en het saldo op de bankrekeningen afkomstig was van een uitkering van de partner van [X] , waarop voor deze vordering geen beslag had kunnen worden gelegd, zodat niet kan worden gezegd dat de toepasselijkheid van de beslagvrije voet door het bankbeslag is ontdoken. Het gaat erom dat moet worden gewaarborgd dat de schuldenaar, in dit geval [X] , genoeg overhoudt om van te leven.

6.3.3.

Van het ingehouden en aan hem afgedragen bedrag had gerechtsdeurwaarder 1 de beslagvrije voet aan klaagster of [X] moeten betalen. Door dit niet te doen heeft gerechtsdeurwaarder 1 tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld. Met de kamer is het hof van oordeel dat gerechtsdeurwaarder 1 zich daarbij niet kan verschuilen achter het feit dat de opdrachtgever volhardde in doorbetaling van de uit het beslag ontvangen gelden. Een gerechtsdeurwaarder dient rekening te houden met de belangen van zijn opdrachtgever, maar ook met de gerechtvaardigde belangen van de beslagdebiteur, in dit geval dus met de belangen van [X] . Daarmee gaat de gerechtsdeurwaarder niet op de stoel van de rechter zitten, maar past hij de regels uit de civielrechtelijke en tuchtrechtelijke jurisprudentie toe. Dat is ook aan zijn opdrachtgever uit te leggen.

Conclusie en maatregel

6.4.

Uit het voorgaande vloeit voort dat de klacht jegens gerechtsdeurwaarder 2 geheel ongegrond is en dat jegens gerechtsdeurwaarder 1 klachtonderdeel ii. sub b. gegrond is. Gezien de ernst van het feit is het hof met de kamer van oordeel dat de maatregel van berisping passend en geboden is.

6.5.

Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht, kan buiten beschouwing blijven omdat het niet van belang is voor de beslissing in deze zaak.

6.6.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat de bestreden beslissing niet geheel in stand kan blijven. Omwille van de duidelijkheid zal zij in haar geheel worden vernietigd.

Kostenveroordeling

6.7.

In verband met de wijziging van de Gerechtsdeurwaarderswet per 1 januari 2018 heeft dit hof per die datum de Tijdelijke richtlijn kostenveroordeling notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer Gerechtshof Amsterdam (Staatscourant 2017, nr. 75085; hierna: de richtlijn) vastgesteld. De looptijd van deze richtlijn is verlengd tot in beginsel 1 januari 2021 (Staatscourant 2019, nr. 61782).

6.8.

Nu het hof de klacht (gedeeltelijk) gegrond verklaart ten aanzien van gerechtsdeurwaarder 1 en deze gerechtsdeurwaarder tevens een maatregel oplegt, zal het hof gerechtsdeurwaarder 1 op grond van artikel 43a lid 1 Gdw jo. artikel 47 Gdw jo. de richtlijn veroordelen in de volgende kosten in hoger beroep:

- € 50,- kosten van klaagster;

- € 1.000,- kosten van klaagster in verband met door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- € 3.000,- als kosten van behandeling van de klacht door het hof.

Er zijn geen bijzondere omstandigheden gebleken die aanleiding geven tot een andere beslissing.

6.9.

Gerechtsdeurwaarder 1 dient de kosten van klaagster in hoger beroep binnen vier weken na deze uitspraak aan klaagster te voldoen, hetgeen kan geschieden door betaling op een daartoe door klaagster aan gerechtsdeurwaarder 1 opgegeven rekeningnummer.

6.10.

Gerechtsdeurwaarder 1 dient de kosten van behandeling van de klacht in hoger beroep door het hof te voldoen aan het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak (LDCR), waarbij de termijn en de wijze waarop de kosten moeten worden voldaan door het LDCR per brief aan gerechtsdeurwaarder 1 zullen worden meegedeeld.

6.11.

Het hiervoor overwogene leidt tot de volgende beslissing.

7 Beslissing

Het hof:

- vernietigt de bestreden beslissing;

en, opnieuw beslissende:

- verklaart de klacht jegens gerechtsdeurwaarder 2 ongegrond;

- verklaart jegens gerechtsdeurwaarder 1 de klachtonderdelen i. en ii. sub a. ongegrond;

- verklaart jegens gerechtsdeurwaarder 1 klachtonderdeel ii. sub b. gegrond;

- legt gerechtsdeurwaarder 1 de maatregel van berisping op;

- veroordeelt gerechtsdeurwaarder 1 tot betaling aan klaagster van haar kosten in hoger beroep, bestaande uit € 50,- aan kosten klaagster en € 1.000,- aan kosten rechtsbijstand, derhalve in totaal € 1.050,- binnen vier weken;

- veroordeelt gerechtsdeurwaarder 1 tot betaling van de kosten van behandeling van de klacht in hoger beroep door het hof (€ 3.000,-) aan het LDCR op de wijze en binnen de termijn als door het LDCR aan de gerechtsdeurwaarder meegedeeld.

Deze beslissing is gegeven door mrs. J.C.W. Rang, L.J. Saarloos en A.W. Jongbloed en in het openbaar uitgesproken op 7 april 2020 door de rolraadsheer.