Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:1033

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
07-04-2020
Datum publicatie
19-05-2020
Zaaknummer
200.267.600/01 NOT
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:TNORARL:2019:44
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Klacht tegen een notaris. Driejaarstermijn en akte huwelijkse voorwaarden en aanspraak nabestaandenpensioen. Voorts communicatieklacht. Voor deze laatste klacht heeft de kamer de maatregel van berisping opgelegd + kostenveroordeling. Het hof bevestigt de bestreden beslissing + proceskosten hoger beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PR-Updates.nl PR-2020-0105
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

___________________________________________________________________ _ _

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht

zaaknummer : 200.267.600/01 NOT

nummer eerste aanleg : C/05/353114/ KL RK 19-67

beslissing van de notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer van 7 april 2020

inzake

[klager] ,

wonend te [plaats] ,

appellant,

tegen

[de notaris] ,

notaris te [plaats] ,

geïntimeerde,

gemachtigde: mr. F.W. Aartsen, advocaat te Harderwijk.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Appellant (hierna: klager) heeft op 11 oktober 2019 een beroepschrift - met bijlage - bij het hof ingediend tegen de beslissing van de kamer voor het notariaat in het ressort Arnhem-Leeuwarden (hierna: de kamer) van 16 september 2019 (ECLI:NL:TNORARL:2019:44). De kamer heeft in de bestreden beslissing de klacht van klager tegen geïntimeerde (hierna: de notaris) op onderdeel 1 ongegrond en op onderdeel 2 gegrond verklaard en de notaris de maatregel van berisping opgelegd. De notaris is bij diezelfde beslissing veroordeeld tot betaling van de kosten in verband met de behandeling van de zaak, vastgesteld op € 3.500,-, alsmede tot betaling aan klager van het griffierecht van € 50,- en van de kosten van klager van
€ 50,-, op de wijze en binnen de termijn zoals vermeld is in die beslissing.

1.2.

De notaris heeft op 11 december 2019 een verweerschrift - met bijlage - bij het hof ingediend.

1.3.

Het hof heeft de stukken van de eerste aanleg van de kamer ontvangen.

1.4.

De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 23 januari 2020. Klager en de notaris, vergezeld van zijn gemachtigde, zijn verschenen en hebben het woord gevoerd; klager en de gemachtigde van de notaris aan de hand van een aan het hof overgelegde pleitnota.

2 Feiten

Het hof verwijst voor de feiten naar hetgeen de kamer in de bestreden beslissing heeft vastgesteld. Partijen hebben tegen de vaststelling van de feiten door de kamer geen bezwaar gemaakt, zodat ook het hof van die feiten uitgaat.

Waar nodig aangevuld met andere feiten die zijn komen vast te staan, zijn die feiten de volgende.

2.1.

Op 10 februari 2003 heeft de notaris voor klager en mevrouw [Y] een akte van huwelijkse voorwaarden verleden. In die akte is, voor zover hier van belang, bepaald:

Artikel 1. Algehele uitsluiting.

De echtgenoten zijn met uitsluiting van elke gemeenschap van goederen gehuwd.

(…)

Artikel 14. Pensioen/lijfrenten.

Indien het huwelijk van de echtgenoten door echtscheiding wordt ontbonden dan wel indien tussen de echtgenoten de scheiding van tafel en bed wordt uitgesproken, zullen de door de echtgenoten opgebouwde pensioenaanspraken niet worden verevend conform het in de artikelen 2 en 3 bepaalde van de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding.”

2.2.

Op 14 februari 2003 zijn klager en mevrouw [Y] in het huwelijk getreden.

2.3.

In 2007 is de echtscheiding uitgesproken.

2.4.

Klager heeft bij het ABP pensioenfonds (hierna: pensioenfonds) melding gemaakt van de ontbinding van het huwelijk. In 2010 heeft klager, naar aanleiding van een bericht van het pensioenfonds, een kopie van de akte van huwelijkse voorwaarden aan dit pensioenfonds doen toekomen.

2.5.

In verband met het voornemen van klager opnieuw in het huwelijk te treden, heeft klager in september/oktober 2018 wederom contact gezocht met het pensioenfonds.

2.6.

Op 5 december 2018 heeft op het kantoor van de notaris een bespreking plaatsgevonden tussen klager en de notaris. Daarbij is gesproken over de akte van huwelijkse voorwaarden en heeft de notaris klager meegedeeld dat hij zijn dossieraantekeningen zou raadplegen teneinde vast te stellen wat klager en zijn toenmalige echtgenote in 2003 hebben besproken ten aanzien van de pensioenaanspraken.

2.7.

Klager is in januari 2019 hertrouwd. In mei 2019 is klager met pensioen gegaan.

2.8.

Bij brief van 24 juni 2019 heeft het pensioenfonds aan klager onder meer bericht:

“Ook al is iedere vorm van huwelijksgemeenschap uitgesloten, de wet bepaalt sinds 1995 dat tijdens het huwelijk opgebouwde pensioenrechten bij echtscheiding verdeeld moeten worden, tenzij u en uw ex-echtgenote bij het sluiten van de huwelijkse voorwaarden de toepassing van de Wet Verevening Pensioenrechten bij Scheiding expliciet hebben uitgesloten.

Recht op nabestaandenpensioen voor de ex-partner blijft bestaan

Uw ex-partner blijft ondanks de koude uitsluiting recht hebben op nabestaandenpensioen voor de ex-partner. Uw ex-partner kan alsnog afzien van het recht op nabestaandenpensioen. Dit kunnen wij vastleggen in onze administratie. Wij hebben daarvoor een verklaring nodig waarin duidelijk staat dat zij afziet van nabestaandenpensioen.”

3. Standpunt van klager

Klager verwijt de notaris – kort samengevat – het volgende.

i. De notaris heeft nagelaten in de akte van huwelijkse voorwaarden op te nemen dat de
ex-echtgenote van klager geen aanspraak zou kunnen maken op nabestaandenpensioen indien het huwelijk van klager en zijn ex-echtgenote zou worden ontbonden door echtscheiding dan wel indien tussen hem en zijn ex-echtgenote de scheiding van tafel en bed zou worden uitgesproken, terwijl klager ten tijde van het opmaken van de akte van huwelijkse voorwaarden de notaris uitdrukkelijk had medegedeeld dat dit zijn wens was.

ii. De notaris heeft, ondanks zijn toezegging in het gesprek op 5 december 2018, klager niet (nader) geïnformeerd of zich in het dossier aantekeningen bevinden waaruit blijkt dat ten tijde van het opmaken van de akte van huwelijkse voorwaarden is gesproken over (uitsluiting van aanspraken op) het nabestaandenpensioen. Na dit bezoek heeft klager meerdere keren contact met het kantoor van de notaris opgenomen, doch tevergeefs. Klager heeft niets meer van de notaris vernomen, ook niet nadat klager een verzoek tot bemiddeling had ingediend bij de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie (hierna: de KNB).

4 Standpunt van de notaris

De notaris heeft verweer gevoerd. Het standpunt van de notaris wordt, voor zover relevant, hieronder besproken.

5 Beoordeling

Driejaarstermijn

5.1.

De wettelijke regeling van de vervaltermijn van het klachtrecht in notariële tuchtzaken (vervat in artikel 99 Wna) is met ingang van 1 mei 2016 gewijzigd. De nieuwe regeling is van toepassing op klachten die op of na 1 mei 2016 zijn ingediend en dus ook op de onderhavige klacht. Ingevolge artikel 99 lid 21 Wna wordt (een klager in) een klacht niet-ontvankelijk verklaard indien de klacht wordt ingediend na verloop van drie jaren na de dag waarop de klager heeft kennisgenomen of redelijkerwijs kennis heeft kunnen nemen van het handelen of nalaten van de (kandidaat-)notaris waarop de klacht betrekking heeft. Verder bepaalt dit artikel dat de beslissing tot niet-ontvankelijkverklaring achterwege blijft indien de gevolgen van het handelen of nalaten redelijkerwijs pas nadien bekend zijn geworden. In dat geval verloopt de termijn voor het indienen van een klacht een jaar na de datum waarop de gevolgen redelijkerwijs als bekend geworden zijn aan te merken.

5.2.

De kamer heeft geoordeeld dat klager ontvankelijk is in klachtonderdeel i., omdat hij eerst in september/oktober 2018 bekend is geworden met de gevolgen van het verweten handelen of nalaten van de notaris en de klacht heeft ingediend op 5 mei 2019, derhalve binnen de termijn van één jaar na het verstrijken van de driejaarstermijn.

5.3.

De notaris stelt in hoger beroep dat klager niet-ontvankelijk is in klachtonderdeel i., omdat deze klacht buiten de wettelijke termijn(en) is ingediend. Volgens de notaris moet klager, zowel tijdens het huwelijk als nadien, periodiek, in ieder geval jaarlijks, van het pensioenfonds bericht hebben ontvangen wie welke aanspraken op welk pensioen heeft. Ook na mededeling van de ontbinding van het huwelijk door echtscheiding aan het pensioenfonds, zal klager bericht gekregen moeten hebben over de gevolgen daarvan voor de bij het pensioenfonds opgebouwde pensioenaanspraken (zowel wat betreft het ouderdomspensioen als het bijzonder partner pensioen/nabestaandenpensioen). Dat betekent volgens de notaris, dat klager zowel tijdens het huwelijk als na de ontbinding daarvan heeft kunnen vaststellen dat zijn voormalige echtgenote aanspraak behield op nabestaandenpensioen. Verder moet klager volgens de notaris bij de echtscheiding juridisch gespecialiseerde bijstand hebben gehad, waarbij de pensioenaanspraken van de huwelijkspartners aan de orde moeten zijn gekomen. Ook bij die gelegenheid moet klager bekend zijn geworden met het gegeven dat zijn voormalige echtgenote aanspraken op nabestaandenpensioen had behouden.

5.4.

Klager heeft deze stellingen van de notaris ter zitting in hoger beroep betwist. Het pensioenfonds heeft volgens hem in haar (jaarlijkse) berichten aan klager alleen mededelingen gedaan over het ouderdomspensioen. In 2010 heeft klager contact gezocht met het pensioenfonds, omdat toen uit een mededeling van het pensioenfonds bleek dat zijn ex-echtgenote ook aanspraak had op een deel van het pensioen van klager. In deze brief stond niets vermeld over het nabestaandenpensioen. Klager heeft een en ander weer rechtgezet door toezending van een kopie van de akte van huwelijkse voorwaarden. Bij de echtscheiding zijn de pensioenaanspraken evenmin besproken, aldus klager. Klager meende destijds dat alles met betrekking tot de pensioenen al was geregeld in de akte van huwelijkse voorwaarden en dat daaraan derhalve geen aandacht meer hoefde te worden besteed.

5.5.

Het is aan degene die zich beroept op het verstrijken van de vervaltermijn, in dit geval de notaris, om aannemelijk te maken dat klager de vereiste kennis van de gevolgen van het handelen of nalaten van de notaris heeft verkregen op een eerder moment dan september/oktober 2018, welk tijdstip klager in dit verband stelt. Naar het oordeel van het hof is de notaris daarin niet geslaagd. Zijn stellingen heeft hij, in het licht van de betwisting van klager, niet, althans onvoldoende concreet onderbouwd. Gelet hierop verenigt het hof zich dan ook met het oordeel van de kamer en de gronden waarop dat berust. Dit betekent dat klager kan worden ontvangen in klachtonderdeel i.

Klachtonderdeel i.

5.6.

Op basis van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting, constateert het hof dat de stellingen van partijen met betrekking tot de bespreking op het kantoor van de notaris in het kader van het opstellen en passeren van de akte van huwelijkse voorwaarden, meer in het bijzonder artikel 14 van die akte, lijnrecht tegenover elkaar staan. Immers, klager voert aan dat hij de notaris toen heeft laten weten dat hij de wens had dat zijn echtgenote in het geval van echtscheiding of scheiding van tafel en bed geen aanspraak zou kunnen maken op zijn pensioen (zowel zijn ouderdoms- als het nabestaandenpensioen), terwijl de notaris stelt dat klager en zijn ex-echtgenote het nabestaandenpensioen destijds niet expliciet aan de orde hebben gesteld ter gelegenheid van de besprekingen op zijn kantoor. De notaris heeft ter zitting in hoger beroep nog verklaard dat hij inmiddels zijn dossieraantekeningen van destijds heeft bekeken en dat daarin evenmin valt te lezen dat door klager is gesproken over (uitsluiting van aanspraken op) het nabestaandenpensioen. Op vragen van het hof heeft klager nog verklaard te menen dat hij destijds heeft gesproken over zijn pensioenaanspraken en dat de notaris had moeten begrijpen dat hij daarmee ook het nabestaandenpensioen bedoelde.

5.7.

Het hof kan, gelet op het vorenstaande, net zoals de kamer, niet vaststellen dat klager de notaris de opdracht heeft gegeven om in de door de notaris op te stellen huwelijkse voorwaarden behalve de verevening van opgebouwd ouderdomspensioen ook de aanspraken van zijn ex-echtgenote op nabestaandenpensioen uit te sluiten. Het hof volgt klager niet in zijn stelling dat de notaris had moeten begrijpen dat hij met ‘pensioenaanspraken’ ook het nabestaandenpensioen bedoelde. Nabestaandenpensioen komt pas na het overlijden van de pensioengerechtigde tot uitkering en het is daarom geenszins vanzelfsprekend dat iemand die vindt dat zijn aanstaande echtgenote in het geval van echtscheiding geen aanspraak mag maken op een deel van het voor hemzelf opgebouwde ouderdomspensioen, ook van oordeel is dat zij geen rechten zou kunnen doen gelden op haar deel van het onder meer voor haar opgebouwde nabestaandenpensioen. Nu niet aannemelijk is geworden dat de notaris bij het opstellen van de huwelijkse voorwaarden in strijd met de ter zake door klager gegeven instructies heeft gehandeld, is dit klachtonderdeel, zoals ook de kamer heeft geoordeeld, ongegrond.

Klachtonderdeel ii.

5.8.

De kamer heeft dit klachtonderdeel gegrond verklaard en daartoe het volgende overwogen. Wat ook zij van de overwegingen van de notaris om het dossier niet (verder) te behandelen toen klager zich in december 2018 weer tot hem wendde, uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de notaris klager toen een toezegging - dat hij zijn oude dossier zou raadplegen en klager nader zou informeren - heeft gedaan, die hij niet is nagekomen en ook overigens verre van voortvarend heeft gehandeld in de afhandeling van het verzoek van klager. Op de vele verzoeken daarna van klager om te worden geïnformeerd over de voortgang, heeft de notaris niet gereageerd. Ook heeft de notaris niet gereageerd in het kader van het door klager bij de KNB ingediende verzoek om bemiddeling. Klager heeft zich daardoor genoodzaakt gevoeld een klacht in te dienen bij de kamer. Ook daarop heeft de notaris in eerste instantie niet gereageerd. Hij heeft geen verweerschrift ingediend. Eerst op de zitting bij de kamer heeft de notaris een reactie gegeven op de klacht van klager. Volgens de kamer is dit gedrag van de notaris aan te merken als ‘ernstig nalatig’. De notaris had naar het oordeel van de kamer zijn afspraken moeten nakomen en adequaat moeten reageren op de verzoeken van klager om contact op te nemen. Desgevraagd kon de notaris ter zitting bij de kamer geen verklaring voor zijn gedrag geven anders dan ‘dat het zo gelopen was en dat hij het niet meer kon veranderen’. Van een notaris wordt professioneel handelen verwacht. De notaris had moeten inzien dat het noodzakelijk was om, als hij daartoe zelf niet in staat was, een ander met de afwikkeling van het dossier te belasten, of het dossier aan een ander over te dragen, en in ieder geval om over het gebrek aan voortgang te communiceren met klager, zeker waar klager bij herhaling om informatie heeft verzocht, aldus nog steeds de kamer.

5.9.

Het hof verenigt zich met dit oordeel van de kamer en de gronden waarop dit berust. In hoger beroep zijn geen feiten of omstandigheden naar voren gekomen die een ander oordeel rechtvaardigen.

Maatregel

5.10.

Het hof is, evenals de kamer, van oordeel dat de maatregel van berisping passend en geboden is.

5.11.

Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht, kan buiten beschouwing blijven omdat het niet van belang is voor de beslissing in deze zaak.

Griffierecht en kostenveroordeling

5.12.

In verband met de wijziging van de Wet op het notarisambt per 1 januari 2018 heeft dit hof per die datum de Tijdelijke richtlijn kostenveroordeling notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer Gerechtshof Amsterdam (Staatscourant 2017, nr. 75085; hierna: de richtlijn) vastgesteld. De looptijd van deze richtlijn is verlengd tot in beginsel 1 januari 2021 (Staatscourant 2019, nr. 61782).

5.13.

Nu het hof de klacht gedeeltelijk gegrond verklaart, stelt het hof vast dat de notaris op grond van de artikelen 99 lid 5 Wna jo. 107 lid 3 Wna het door klager betaalde griffierecht in hoger beroep aan hem dient te vergoeden.

5.14.

Nu het hof de notaris tevens een maatregel oplegt, zal het hof de notaris op grond van de artikelen 103b lid 1 Wna jo. 107 lid 3 Wna jo. de richtlijn veroordelen in de volgende kosten in hoger beroep:

- € 50,- kosten van klager;

- € 3.000,- kosten van behandeling van de klacht door het hof.

Er zijn geen bijzondere omstandigheden gebleken die aanleiding geven tot een andere beslissing.

5.15.

De notaris dient de kosten van klager in hoger beroep binnen vier weken na deze uitspraak aan klager te voldoen, hetgeen kan geschieden door betaling op een daartoe door klager aan de notaris op te geven rekeningnummer.

5.16.

De notaris dient de kosten van behandeling van de klacht in hoger beroep te voldoen aan het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak (LDCR), waarbij de in de artikelen 103b lid 3 Wna jo. 107 lid 3 Wna bepaalde termijn en de wijze waarop de kosten moeten worden voldaan door het LDCR per brief aan de notaris zullen worden meegedeeld.

5.17.

Het hiervoor overwogene leidt tot de volgende beslissing.

6 Beslissing

Het hof:

- bevestigt de bestreden beslissing, derhalve ook voor wat betreft de veroordeling van de notaris tot betaling aan klager van het griffierecht van € 50,- en van de kosten van klager van € 50,- en de veroordeling tot betaling van € 3.500,-, de kosten van behandeling van de klacht door de kamer, op de wijze en binnen de termijn zoals vermeld is in die beslissing;

- veroordeelt de notaris tot betaling aan klager van zijn kosten in hoger beroep, bestaande uit
€ 50,- aan griffierecht en € 50,- aan kosten klager, derhalve in totaal € 100,- binnen vier weken na heden;

- veroordeelt de notaris tot betaling van de kosten van behandeling van de klacht in hoger beroep door het hof ad € 3.000,- aan het LDCR op de wijze en binnen de termijn als door het LDCR aan de notaris meegedeeld.

Deze beslissing is gegeven door mrs. J.C.W. Rang, A.M.A. Verscheure en M. Bijkerk en in het openbaar uitgesproken op 7 april 2020 door de rolraadsheer.