Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:1015

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
31-03-2020
Datum publicatie
06-04-2020
Zaaknummer
200.248.706/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Vaststellingsovereenkomst na arbitraal vonnis. Enkele geringe overschrijdingen van de overeengekomen betalingstermijn leiden niet tot vervallen van de overeenkomst en herleving van het arbitraal vonnis. Schuldeiser is door de tijdsoverschrijdingen niet in een redelijk belang geschaad: de schuld op grond van de vaststellingsovereenkomst is geheel voldaan, de overschrijdingen van de betalingstermijn hebben de voldoening van die schuld niet betekenisvol vertraagd en zij hebben de schuldeiser evenmin in een ander opzicht noemenswaardig benadeeld. Naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid is daarom onaanvaardbaar dat de overschrijdingen van de overeengekomen betalingstermijn het vervallen van de vaststellingsovereenkomst en het herleven van het arbitraal vonnis tot gevolg zouden hebben. Artt. 6:248 lid 2 BW, 1062 lid 1 Rv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RCR 2020/50
NTHR 2020, afl. 3, p. 128
TvA 2020/47
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.248.706/01

zaaknummer rechtbank (Amsterdam) : C/13/651169 / KG ZA 18-756

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 31 maart 2020

inzake

LIQUID SOLUTIONS LIMITED,

gevestigd te ’s-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard,

appellante,

advocaat: mr. M. Kashyap te Amsterdam,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonend te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. J. Veenis te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna Liquid en [geïntimeerde] genoemd.

Liquid is bij dagvaarding van 14 september 2018 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam, hierna ‘de voorzieningenrechter’, van 20 augustus 2018, in kort geding onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen haar als gedaagde en [geïntimeerde] als eiser.

Partijen hebben daarna respectievelijk een memorie van grieven en een memorie van antwoord ingediend, beide met producties.

Liquid heeft geconcludeerd, kort gezegd, dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en alsnog de vorderingen van [geïntimeerde] zal afwijzen, met – uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het geding in eerste aanleg en in hoger beroep, met inbegrip van nakosten en te vermeerderen met de wettelijke rente.

[geïntimeerde] heeft geconcludeerd, kort gezegd, dat het hof het hoger beroep zal verwerpen en het bestreden vonnis zal bekrachtigen, met – uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van Liquid in de kosten van het geding in hoger beroep.

Ten slotte is arrest gevraagd.

2 Feiten

De voorzieningenrechter heeft in het bestreden vonnis onder 2, 2.1 tot en met 2.8, de feiten genoemd die hij tot uitgangspunt heeft genomen. Over de juistheid van die feiten bestaat geen geschil, zodat ook het hof daarvan zal uitgaan, met dien verstande dat het mede acht zal slaan op enkele andere, hierna te noemen, feiten die tussen partijen niet in geschil zijn.

3 Beoordeling

3.1.

Kern van de zaak is de vraag of Liquid gerechtigd is een op 15 augustus 2012 tussen partijen gewezen arbitraal vonnis tegen [geïntimeerde] ten uitvoer te leggen. Aanleiding tot deze vraag zijn, verkort weergegeven, de volgende feiten.

3.2.

Tussen partijen heeft een commanditaire vennootschap bestaan waarbinnen zij een horecaonderneming hebben geëxploiteerd. In verband met de beëindiging en de financiële afwikkeling van die vennootschap is tussen partijen een geschil ontstaan, dat zij hebben onderworpen aan arbitrage. In het desbetreffende arbitraal geding is op bovengenoemde datum een arbitraal vonnis gewezen, hierna ‘het arbitraal vonnis’, waarbij [geïntimeerde] is veroordeeld aan Liquid een geldbedrag te betalen van € 225.478,-, te vermeerderen met rente. De ambtgenoot-voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam heeft op 13 september 2012 verlof tot tenuitvoerlegging van het arbitraal vonnis verleend. Daarna heeft [geïntimeerde] in een geding bij de genoemde rechtbank de vernietiging van het arbitraal vonnis gevorderd. In dat geding heeft een comparitie van partijen plaatsgehad op 4 juli 2013. Tijdens die comparitie zijn partijen een minnelijke regeling overeengekomen. Daartoe zijn zij een vaststellingsovereenkomst aangegaan die is opgetekend in het proces-verbaal dat van de comparitiezitting is opgemaakt, hierna ‘de vaststellingsovereenkomst’.

3.3.

De vaststellingsovereenkomst is aangehaald in het bestreden vonnis onder 2.4, waarnaar hier wordt verwezen. Zij verplicht [geïntimeerde] tot betaling van een geldbedrag van € 175.000,- aan Liquid, te voldoen in termijnen van € 2.500,- per maand vanaf augustus 2013, te betalen ‘uiterlijk op de laatste dag van de maand.’ Als [geïntimeerde] ‘een termijn niet of niet tijdig’ zou voldoen, zou de door partijen overeengekomen regeling vervallen en zou het arbitraal vonnis herleven. De vaststellingsovereenkomst bepaalt verder: ‘Zolang de regeling wordt nagekomen zullen partijen geen rechten ontlenen aan het arbitraal vonnis.’ [geïntimeerde] heeft tot en met juli 2018 58 maandelijkse termijnen voldaan, waarvan 53 vóór het verstrijken van de betrokken maand en vijf erna. Alle bedoelde termijnen zijn giraal betaald, door bijschrijving op een bankrekening van Liquid. De termijnen die [geïntimeerde] moest voldoen in oktober 2013, februari 2018, maart 2018, april 2018 en juni 2018, zijn niet uiterlijk op de laatste dag van de genoemde maand op de rekening van Liquid bijgeschreven, maar respectievelijk één dag, één dag, drie dagen, twee dagen en twee dagen daarna. Na de vierde tijdsoverschrijding heeft Liquid op grond van het arbitraal vonnis ten laste van [geïntimeerde] executoriale derdenbeslagen gelegd onder drie banken. In 2012 had zij op grond van het arbitraal vonnis al executoriaal beslag gelegd op een [geïntimeerde] toebehorend appartementsrecht.

3.4.

Bij het bestreden vonnis heeft de voorzieningenrechter op vordering van [geïntimeerde] (a) Liquid veroordeeld tot nakoming van de vaststellingsovereenkomst die partijen op 4 juli 2013 zijn aangegaan, (b) de tenuitvoerlegging van het arbitraal vonnis geschorst onder de voorwaarde van stipte nakoming door [geïntimeerde] van zijn verplichtingen uit de vaststellingsovereenkomst, (c) de hierboven genoemde executoriale beslagen – deels voorwaardelijk – opgeheven en (d) Liquid veroordeeld in de kosten van het geding. In hoger beroep heeft Liquid vijf grieven aangevoerd tegen deze beslissingen en de overwegingen waarop zij berusten. De grieven lenen zich voor een gezamenlijke bespreking. Zij leiden niet tot een wezenlijk andere beoordeling van de zaak of tot andere beslissingen dan door de voorzieningenrechter gegeven. Hiertoe is het volgende bepalend.

3.5.

Liquid stelt zich op het standpunt, naar de kern genomen, dat [geïntimeerde] in de nakoming van zijn verplichtingen uit de vaststellingsovereenkomst is tekortgeschoten doordat hij vijf maandelijkse termijnen van € 2.500,- niet uiterlijk op de laatste dag van de betrokken maand heeft betaald, maar één of meer dagen erna, en dat als gevolg van dit tekortschieten de door partijen bij de vaststellingsovereenkomst getroffen minnelijke regeling is komen te vervallen en het arbitraal vonnis is herleefd. Het herleven van het arbitraal vonnis brengt, nog steeds volgens Liquid, mee dat Liquid aanspraak kan maken op het bedrag tot betaling waarvan [geïntimeerde] daarbij is veroordeeld plus rente, dat Liquid het arbitraal vonnis hiertoe onverkort ten uitvoer mag leggen en dat voor opheffing van de door haar ten laste van [geïntimeerde] gelegde, onder 3.3 genoemde, executoriale beslagen dus geen grond bestaat. De aangevoerde grieven zijn alle op dit standpunt gestoeld en borduren daarop voort.

3.6.

Bij de beoordeling van het standpunt van Liquid moet het hof oordelen naar de stand van zaken ten tijde van de beslissing in hoger beroep, zodat mede rekening moet worden gehouden met feiten die zich hebben voorgedaan na het bestreden vonnis van de voorzieningenrechter. Dit in aanmerking nemend oordeelt het hof als volgt. Liquid beroept zich op de bepaling in de vaststellingsovereenkomst dat de regeling tussen partijen vervalt en het arbitraal vonnis herleeft, indien [geïntimeerde] ‘een termijn niet of niet tijdig voldoet.’ Omdat dit laatste bij herhaling is gebeurd, gaat Liquid ervan uit dat de vaststellingsovereenkomst partijen niet langer bindt en dat de rechtsverhouding tussen partijen, evenals vóór de totstandkoming van die overeenkomst, wordt beheerst door het arbitraal vonnis. Dit uitgangspunt is niet juist, zodat Liquid ook in hoger beroep niet wordt gevolgd in het door haar aangenomen bestaan van een aanspraak harerzijds op betaling van het bedrag waartoe [geïntimeerde] bij het arbitraal vonnis is veroordeeld. Liquid is daarom evenmin gerechtigd het arbitraal vonnis, waaruit deze vermeende aanspraak volgt, ten uitvoer te leggen om voldoening van het daarbij toegewezen bedrag te verkrijgen.

3.7.

Op de eerste plaats is bij het bovenstaande van belang dat (a) de overschrijdingen door [geïntimeerde] van de betalingstermijn die partijen bij de vaststellingsovereenkomst zijn overeengekomen, stuk voor stuk geringe tijdsoverschrijdingen hebben ingehouden, dat (b) die tijdsoverschrijdingen Liquid niet tot incassomaatregelen van enige betekenis hebben genoodzaakt of haar anderszins noemenswaardig hebben benadeeld, aangezien [geïntimeerde] de betrokken termijnbedragen van € 2.500,- vrijwillig heeft voldaan, zij het iets later dan overeengekomen, en dat (c) de vijf opgetreden overschrijdingen afgezet tegen het totaal van 58 door [geïntimeerde] betaalde termijnbedragen en het tijdsbestek van bijna vijf jaar waarbinnen die betalingen zijn gedaan, zowel absoluut als relatief beschouwd niet als ernstig kunnen worden aangemerkt. Het betrof kortom tekortkomingen van geringe betekenis, waarvan de gevolgen voor Liquid verwaarloosbaar zijn geweest.

3.8.

Op de tweede plaats heeft [geïntimeerde] in eerste aanleg onweersproken aangevoerd dat hij het appartementsrecht waarop Liquid executoriaal beslag had gelegd, aan een derde had verkocht en op 10 september 2018 diende te leveren. Bij het bestreden vonnis is het beslag op het appartementsrecht opgeheven onder de voorwaarde, samengevat, dat [geïntimeerde] tot zekerheid voor de stipte nakoming van zijn verplichtingen op grond van de vaststellingsovereenkomst, uit de verkoopopbrengst van het appartementsrecht hetzij een bedrag gelijk aan zijn resterende schuld aan Liquid zou doen storten op de in dat vonnis onder 5.3 genoemde derdengeldrekening, hetzij zijn gehele resterende schuld aan Liquid ineens zou voldoen. Uit de stellingen van partijen in de memorie van grieven (onder 17) en de memorie van antwoord (onder 22) blijkt dat [geïntimeerde] voor de tweede mogelijkheid heeft gekozen en, dus, zijn gehele resterende schuld aan Liquid uit de vaststellingsovereenkomst heeft voldaan. Hiermee staat vast dat [geïntimeerde] het door hem op grond van die overeenkomst aan Liquid verschuldigde bedrag van € 175.000,- inmiddels heeft betaald, zodat Liquid op grond van de vaststellingsovereenkomst niets meer van [geïntimeerde] heeft te vorderen.

3.9.

In de onder 3.7 en 3.8 beschreven omstandigheden is het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat de overschrijdingen door [geïntimeerde] van de betalingstermijn die partijen bij de vaststellingsovereenkomst zijn overeengekomen, het vervallen van die overeenkomst en het herleven van het arbitraal vonnis tot gevolg zouden hebben. Die overschrijdingen hebben dat gevolg dan ook niet, zoals de voorzieningenrechter met verwijzing naar het bepaalde in artikel 6:248, tweede lid, BW, waarop [geïntimeerde] zich heeft beroepen, terecht heeft geoordeeld. Liquid is door de tekortkomingen van [geïntimeerde] , zowel afzonderlijk als tezamen bezien, niet in een redelijk belang geschaad: [geïntimeerde] heeft zijn schuld op grond van de vaststellingsovereenkomst geheel voldaan, de overschrijdingen van de overeengekomen betalingstermijn hebben de voldoening van die schuld niet betekenisvol vertraagd en die tijdsoverschrijdingen hebben Liquid evenmin in een ander opzicht noemenswaardig benadeeld. Dan gaat het niet aan daaraan het rechtsgevolg te verbinden dat de vaststellingsovereenkomst zou zijn vervallen. Hierbij is niet van belang dat bij het arbitraal vonnis aan Liquid een hoger bedrag is toegewezen dan bij de vaststellingsovereenkomst bepaald: Liquid heeft bij de totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst met het daarin bepaalde lagere bedrag ingestemd, het arbitraal vonnis is in zoverre door die overeenkomst achterhaald en de tijdsoverschrijdingen door [geïntimeerde] doen hieraan niet af.

3.10.

De slotsom uit het bovenstaande is dat het hoger beroep tevergeefs is ingesteld. De bespiegelingen van Liquid in de memorie van grieven over de beoordeling van haar bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van het arbitraal vonnis en de hierbij aan te leggen toetsingsmaatstaf behoeven, bij gebrek aan belang, geen bespreking, omdat niet het arbitraal vonnis maar de vaststellingsovereenkomst de rechtsverhouding tussen partijen beheerst en een bevoegdheid van Liquid tot tenuitvoerlegging van het arbitraal vonnis dus ontbreekt. Het onder 3.2 genoemde, op 13 september 2012 verleende, verlof tot tenuitvoerlegging van het arbitraal vonnis maakt dit niet anders. Het voorgaande leidt ertoe dat het bestreden vonnis van de voorzieningenrechter zal worden bekrachtigd. Als de in het ongelijk gestelde partij zal Liquid worden veroordeeld in de kosten van het geding in hoger beroep.

4 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt Liquid in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 318,- aan verschotten en € 1.074,- voor salaris advocaat;

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.M.A. Verscheure, W.H.F.M. Cortenraad en A.C.M. Kuypers en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2020.