Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:1014

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
31-03-2020
Datum publicatie
03-04-2020
Zaaknummer
200.259.772/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Executiegeschil. Uitleg van arrest van hof Amsterdam van 13 november 2018 t.a.v. de vraag of daarbij ook wettelijke (handels)rente is toegewezen over de (niet uitdrukkelijk gevorderde maar wel verschuldigde) btw over de hoofdsom tot de betaling waarvan Wagemaker c.s. bij dat arrest zijn veroordeeld. Geen vergoeding van volledige proceskosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.259.772/01 KG

zaak-/rolnummer rechtbank Noord-Holland : C/15/285852/ KG ZA 19-152

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 31 maart 2020

inzake

1 [X] BEHEER B.V.,

2. [X] FLOWERS B.V.,

beide gevestigd te [vestigingsplaats] , gemeente [gemeente] ,

appellanten, tevens incidenteel geïntimeerden,

advocaat: mr. H. van Lingen te Alkmaar,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonend te [woonplaats] ,

geïntimeerde, tevens incidenteel appellant,

advocaat: mr. Ch.W.A. van Dam te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [X] c.s. en [geïntimeerde] genoemd.

[X] c.s. zijn bij dagvaarding van 14 mei 2019 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Noord-Holland van 18 april 2019, in kort geding onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [X] c.s. als eiseressen in conventie, tevens verweersters in reconventie, en [geïntimeerde] als gedaagde in conventie, tevens eiser in reconventie.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met producties;

- memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel appel, met producties;

- memorie van antwoord in incidenteel appel;

- akte uitlating van de zijde van [geïntimeerde] , met producties;

- antwoordakte uitlating van de zijde van [X] c.s.

Ten slotte is arrest gevraagd.

[X] c.s. hebben, na eisvermeerdering bij memorie van grieven, geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis in conventie zal vernietigen en alsnog [geïntimeerde] zal verbieden om op straffe van de verbeurte van een dwangsom na te noemen arrest van dit hof ten uitvoer te leggen en, voorts, [geïntimeerde] zal veroordelen tot betaling aan [X] c.s. van een bedrag van € 6.500,00, met rente, met beslissing over de proceskosten.

[geïntimeerde] heeft geconcludeerd tot, zakelijk, verwerping van het principale appel en afwijzing van de vorderingen van [X] c.s., alsmede – in het incidentele appel – tot veroordeling van [X] c.s. tot betaling aan [geïntimeerde] van bedragen van € 7.383,46 (met verdere rente) en € 10.375,56, kennelijk onder vernietiging van het bestreden vonnis, voor zover in reconventie gewezen, met beslissing over de proceskosten.

[X] c.s. hebben geconcludeerd tot, zakelijk, verwerping van het incidentele appel, met beslissing over de proceskosten.

2 Feiten

De voorzieningenrechter heeft in het bestreden vonnis 2.1 tot en met 2.7 de feiten opgesomd die hij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt. Deze feiten komen neer op het volgende.

( a) [X] c.s. exploiteren een bloembollenbedrijf. [geïntimeerde] heeft een advieskantoor dat onder meer begeleiding biedt bij de aanvraag van fiscale regelingen en subsidies. Tussen partijen is een overeenkomst van opdracht gesloten op grond waarvan [geïntimeerde] vanaf december 2006 tot en met april 2010 werkzaamheden voor [X] c.s. heeft verricht.

( b) Tussen partijen is een geschil ontstaan over de betaling van de werkzaamheden van

[geïntimeerde] . Hierover hebben partijen in twee instanties als hierna te melden geprocedeerd.

( c) Bij vonnis van 19 oktober 2016 heeft de rechtbank Noord-Holland [X] c.s. onder meer veroordeeld tot betaling aan [geïntimeerde] van “een bedrag van € 22.687,50 (...), te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over dit bedrag met ingang van 7 februari 2011 tot de dag van volledige betaling”. Verder heeft de rechtbank [X] c.s. veroordeeld om een bedrag van € 3.717,22 ter zake van de kosten van de door de rechtbank in dat geding benoemde deskundige aan [geïntimeerde] te voldoen. Het bedrag van € 22.687,50 is, naar blijkt uit overweging 2.9 van dat vonnis, inclusief btw.

( d) Op 25 oktober 2016 hebben [X] c.s. aan [geïntimeerde] voldaan een bedrag van € 18.750,00 (onder vermelding van “Hoofdsom”), een bedrag van € 3.937,50 (onder

vermelding van “B.T.W. van Hoofdsom 18.750,-”), een bedrag van € 3.717, 22 (onder vermelding van “tegemoetkoming kosten deskundige”) en een bedrag van € 12.793,38

(onder vermelding van “wettelijke handelsrente”). Derhalve hebben [X] c.s. in totaal € 39.198,10 betaald aan [geïntimeerde] .

( e) Bij arrest van 13 november 2018 (verder ook: het arrest) heeft dit hof voormeld vonnis vernietigd en [X] c.s. veroordeeld om aan [geïntimeerde] te betalen “het bedrag van € 48.661,22 exclusief btw, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente met ingang van 7 februari 2011 tot de dag der volledige voldoening, alsmede het bedrag van € 7.434,85”. Dit laatste bedrag betrof de kosten van de in eerste aanleg benoemde deskundige. Het arrest is in kracht van gewijsde gegaan.

( f) [geïntimeerde] heeft de door hem ter zake van de overeenkomst met [X] c.s. verschuldigde btw (pas) na het vonnis van 19 oktober 2016 respectievelijk het arrest van 13 november 2018 aan de belastingdienst afgedragen, telkens berekend op basis van het door de rechter in hoofdsom bepaalde bedrag.

( g) Op 1 december 2018 hebben [X] c.s. aan [geïntimeerde] betaald bedragen van € 52.493,83 (onder vermelding van “Hoofdsom + rente”) en € 6.281,35 (onder vermelding van “BTW hoofdsom”). Op 5 december 2018 hebben [X] c.s. aan [geïntimeerde] betaald een bedrag van € 3.717,63 als aanvullend deel van de kosten van de deskundige.

( h) Tussen partijen is vervolgens een geschil ontstaan over de vraag hoeveel [X] c.s. op grond van het arrest aan [geïntimeerde] moeten betalen. [geïntimeerde] heeft het arrest op 6 februari 2019 aan [X] c.s. doen betekenen en beslaglegging aangekondigd.

3 Beoordeling

3.1.

In de eerste aanleg van dit kort geding hebben [X] c.s. in conventie gevorderd dat de voorzieningenrechter [geïntimeerde] zou verbieden om tot executiemaatregelen op basis van het arrest over te gaan, op straffe van verbeurte van een dwangsom. In reconventie heeft [geïntimeerde] van [X] c.s. de betaling gevorderd van bedragen van € 13.883,46 subsidiair € 5.465,70 op grond van het arrest alsmede € 5.470,71 voor de kosten van juridische bijstand na dat arrest. Bij het bestreden vonnis heeft de voorzieningenrechter de over en weer gevorderde voorzieningen geweigerd, [X] c.s. verwezen in de kosten van het geding in conventie en [geïntimeerde] in die van het geding in reconventie.

3.2.

Alvorens de grieven te behandelen, overweegt het hof dat tussen partijen niet in geschil is dat [X] c.s. op 7 mei 2019 no een bedrag van € 6.500,00 aan [geïntimeerde] hebben betaald.

3.3.1.

De grieven 1 en 2 in principaal appel kunnen tezamen worden behandeld. Zij strekken ten betoge dat de voorzieningenrechter ten onrechte (in de overwegingen 4.3 en 4.4 van het bestreden vonnis) heeft geoordeeld dat het arrest van 13 november 2018 aldus moet worden uitgelegd dat, kort gezegd, de veroordeling van [X] c.s. tot betaling van de wettelijke handelsrente vanaf 7 februari 2011 tevens betrekking heeft op de door [geïntimeerde] verschuldigde btw over het door het hof in hoofdsom exclusief btw toegewezen bedrag van € 48.661,22 en dat daaraan niet afdoet dat [geïntimeerde] de door hem verschuldigde btw pas na het vonnis van 19 oktober 2016 respectievelijk het arrest van 13 november 2018 aan de fiscus heeft voldaan omdat – aldus de voorzieningenrechter – de wettelijke rente een fixum is en de werkelijke schade niet relevant is. [X] c.s. betogen dat de wettelijke (handels)rente weliswaar een gefixeerde schadevergoeding betreft voor het missen van (dat wil zeggen: het niet kunnen beschikken over) een geldbedrag, maar dat [geïntimeerde] de btw-bedragen feitelijk niet heeft gemist en dus ter zake geen (door [X] c.s. te vergoeden) schade heeft geleden. [geïntimeerde] heeft immers de door hem verschuldigde btw telkens pas betaald na voormelde rechterlijke uitspraken en [X] c.s. hebben de met de btw gemoeide bedragen eveneens kort na die uitspraken aan [geïntimeerde] voldaan.

3.3.2.

Het hof oordeelt als volgt. Het gaat in deze zaak om de uitleg van (het dictum van) het arrest van 13 november 2018, meer concreet om de uitleg van deze passage in het dictum:

“veroordeelt [X] (dat is [X] c.s.; hof) hoofdelijk om aan [geïntimeerde] te voldoen het bedrag van € 48.661,22 exclusief btw, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente met ingang van 7 februari 2011 tot de dag der volledige voldoening (…)”.

3.3.3.

In overweging 4.2 van het bestreden vonnis heeft de voorzieningenrechter, niet door enige grief aangevallen en overigens met juistheid, overwogen dat het dictum moet worden uitgelegd in het licht en met inachtneming van de overwegingen die tot de beslissing hebben geleid.

3.3.4.

De voorzieningenrechter heeft, voorts, in overweging 4.3 van het bestreden vonnis, wederom niet door enige grief aangevallen en overigens met juistheid, geoordeeld dat het, gelet op de evidente verschuldigdheid van de btw door [X] c.s., niet aannemelijk is dat [geïntimeerde] , die – toevoeging van het hof – niet uitdrukkelijk de betaling van btw over de hoofdsom had gevorderd, ervan heeft afgezien om in de procedures mede betaling van de btw te vorderen, althans dat het hof de vordering in die zin heeft opgevat en dat, in dit licht bezien, de veroordeling van [X] c.s. tot betaling van € 48.661,22 exclusief btw moet worden uitgelegd als titel tot inning van deze hoofdsom te vermeerderen met btw.

3.3.5.

Waar aldus vaststaat dat de passage “het bedrag van € 48.661,22 exclusief btw” in het arrest van 13 november 2018 moet worden verstaan als “het bedrag van € 48.661,22 te vermeerderen met btw”, kan de daarop volgende passage “te vermeerderen met de wettelijke handelsrente met ingang van 7 februari 2011 tot de dag der volledige voldoening” – bij gebreke van overwegingen van het hof in het arrest die tot een ander oordeel nopen – niet anders worden uitgelegd dan dat de veroordeling tot het betalen van de wettelijke handelsrente (vanaf 7 februari 2011) ook betrekking heeft op de btw-component van de veroordeling. Dat dit de juiste uitleg is wordt nog bevestigd door het feit dat de rechtbank bij het vonnis van 19 oktober 2016 de wettelijke handelsrente onmiskenbaar heeft toegewezen over het (volle) bedrag van € 22.687,50, terwijl dat bedrag inclusief btw was, en [X] c.s. in het appel dat tot het arrest van 13 november 2018 heeft geleid, tegen die beslissing geen grief hebben gericht. De omstandigheid dat het hof, anders dan de rechtbank had gedaan, het bedrag in hoofdsom exclusief btw heeft toegewezen leidt niet tot een ander oordeel, te minder omdat – zoals [X] c.s. zelf opperen – [geïntimeerde] de hoofdsom (nu eenmaal) exclusief btw had gevorderd. Of de gevolgen van deze beslissing gewenst en/of redelijk zijn, nu inmiddels is gebleken dat [geïntimeerde] de btw in feite pas na meergenoemde rechterlijke uitspraken heeft betaald, doet niet ter zake.

3.3.6.

De slotsom is dat de onderhavige grieven falen.

3.4.1.

Grief 3 in principaal appel houdt allereerst in dat de voorzieningenrechter in overweging 4.6 van het bestreden vonnis ten onrechte heeft geoordeeld dat [geïntimeerde] daadwerkelijk nog een bedrag van [X] c.s. te vorderen heeft.

3.4.2.

Voor zover de grief voortbouwt op de grieven 1 en 2 van [X] c.s., faalt deze op de gronden waarop die andere grieven zijn verworpen: [geïntimeerde] kon en kan aanspraak maken op (onder meer) de wettelijke handelsrente vanaf 7 februari 2011 over de onderhavige btw.

3.4.3.

In het kader van deze grief vorderen [X] c.s. tevens het door hen na het bestreden vonnis aan [geïntimeerde] voldane bedrag van € 6.500,00 als onverschuldigd betaald terug. Het hof zal deze vordering afwijzen omdat [X] c.s., het zij herhaald, nou eenmaal de wettelijke handelsrente vanaf 7 februari 2011 over de onderhavige btw verschuldigd zijn en niet hebben gesteld dat zij [geïntimeerde] ter zake inmiddels meer hebben betaald dan waartoe zij gehouden zijn, laat staan tot een bedrag van € 6.500,00.

3.4.4.

Evenmin bestaat aanleiding om [geïntimeerde] vanaf heden de (verdere) tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis te verbieden omdat [X] c.s. niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij thans aan al hun verplichtingen op grond van het arrest van 13 november 2018 hebben voldaan.

3.4.5.

Voorts houdt de grief in dat de voorzieningenrechter [X] c.s. ten onrechte in de kosten van het geding in conventie heeft verwezen.

3.4.6.

Echter, omdat uit al het voorgaande blijkt dat de voorzieningenrechter de door [X] c.s. in eerste aanleg gevraagde voorzieningen terecht heeft geweigerd, valt op de door [X] c.s. gewraakte kostenveroordeling niets aan te merken.

3.4.7.

De conclusie is dat de grief geen succes heeft.

3.5.1.

Het hof begrijpt [geïntimeerde] aldus dat hij in incidenteel appel allereerst opkomt tegen de afwijzing door de voorzieningenrechter van zijn reconventionele vordering tot betaling van € 13.883,46 subsidiair € 5.465,70 wegens wettelijke handelsrente over de btw, met dien verstande dat [geïntimeerde] (het primaire deel van) deze vordering in appel vanwege de door [X] c.s. na het bestreden vonnis gedane betaling van € 6.500,00 heeft verminderd tot € 7.383,46, met verdere rente.

3.5.2.

De grief faalt. Mede in het licht van de afwijzing van deze vordering door de voorzieningenrechter had [geïntimeerde] nader dienen toe te lichten waarom zijn renteberekening de juiste is, zeker nu hij zich op het onhoudbare standpunt stelt dat de door [X] c.s. op grond van het vonnis van 19 oktober 2016 gedane betaling van wettelijke handelsrente over de bij dat vonnis toegewezen btw-component niet ter zake doet omdat dat vonnis bij het arrest van 13 november 2018 is vernietigd en het hof een andere veroordeling heeft uitgesproken.

3.6.1.

Voorts komt [geïntimeerde] in incidenteel appel op tegen de (niet gemotiveerde) afwijzing door de voorzieningenrechter van zijn vordering in reconventie tot betaling van een bedrag van € 5.470,71 wegens de kosten van rechtskundige bijstand die hij na het arrest van 13 november 2018 heeft moeten maken, welke vordering [geïntimeerde] in appel heeft vermeerderd tot een bedrag van € 10.375,56.

3.6.2.

Ook deze grief heeft geen succes. Voor zover [geïntimeerde] de betaling vordert van kosten van juridische bijstand die hij heeft gemaakt na het arrest van 13 november 2018 en vóór de onderhavige kortgedingprocedure in eerste aanleg, ontbeert de vordering een deugdelijke grondslag. Voor zover [geïntimeerde] aanspraak maakt op betaling door [X] c.s. van de volledige proceskosten in verband met de onderhavige kortgedingprocedure in twee instanties, heeft te gelden dat niet kan worden geoordeeld dat [X] c.s. misbruik van procesrecht hebben gemaakt en/of de onderhavige procedure onrechtmatig hebben ingesteld door hun standpunt met betrekking tot het niet verschuldigd zijn van de wettelijke handelsrente vanaf 7 februari 2011 over de btw-component (in twee instanties) aan de rechter voor te leggen, ook al is dat standpunt zowel door de voorzieningenrechter als door het hof verworpen.

3.7.

De slotsom is dat de grieven falen, zowel in het principale- als in het incidentele appel. Het vonnis waarvan beroep zal daarom integraal worden bekrachtigd en het over en weer voor het eerst in appel gevorderde zal worden afgewezen. [X] c.s. en [geïntimeerde] zullen als de in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van het geding in principaal appel respectievelijk in incidenteel appel.

4 Beslissing

Het hof:

rechtdoende in principaal appel en incidenteel appel:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep en wijst het door partijen over en weer voor het eerst in appel gevorderde af;

veroordeelt [X] c.s. in de kosten van het geding in principaal appel, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 324,00 aan verschotten en € 1.074,00 voor salaris van de advocaat;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in incidenteel appel, tot op heden aan de zijde van [X] c.s. begroot op € 537,00 voor salaris van de advocaat;

verklaart dit arrest ten aanzien van deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mr. R.J.M. Smit, mr. J.C.W. Rang en mr. J.C. Toorman en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2020.