Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:1013

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
31-03-2020
Datum publicatie
03-04-2020
Zaaknummer
200.258.789/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzettermijn verstreken. Daad van bekendheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.258.789/01

zaaknummer rechtbank Noord-Holland : 7080248 \ CV EXPL 18-3411

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 31 maart 2020 (bij vervroeging)

inzake

[appellant] ,

wonend te [woonplaats] ,

appellant,

advocaat: mr. P.P. Otte te Limmen,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonend te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. L. Stolk-Hogeterp te Zaandam.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.

[appellant] is bij dagvaarding van 10 april 2019 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Zaandam (hierna: de kantonrechter), van 14 maart 2019, alsmede de daaraan voorafgaande tussenvonnissen, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [appellant] als opposant en [geïntimeerde] als geopposeerde.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven;

- memorie van antwoord, met producties.

Ten slotte is arrest gevraagd.

[appellant] heeft geconcludeerd dat het hof de bestreden vonnissen zal vernietigen en - uitvoerbaar bij voorraad – alsnog [appellant] zal ontheffen van alle verplichtingen voortvloeiende uit het tussen partijen gewezen verstekvonnis van 28 juli 2016, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het geding in alle instanties met nakosten.

[geïntimeerde] heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijk verklaring dan wel afwijzing dan wel ongegrondverklaring van het hoger beroep, met - uitvoerbaar bij voorraad - veroordeling van [appellant] in de kosten van, naar het hof begrijpt, het geding in hoger beroep met nakosten.

Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.

2 Feiten

De kantonrechter heeft in het in deze zaak gewezen tussenvonnis van 22 november 2018 onder 2.1 tot en met 2.6 de feiten vastgesteld die hij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist zijn komen vast te staan, komen de feiten neer op het volgende.

2.1

[appellant] (neef) en [geïntimeerde] (oom) zijn familie van elkaar. Bij vonnis van 28 juli 2016 is [appellant] door de kantonrechter in de procedure met rolnummer 5138239 CV EXPL 16-3295 bij verstek veroordeeld (verder: het verstekvonnis) ter zake van de vordering die

[geïntimeerde] bij dagvaarding van 11 maart 2016 tegen hem had ingesteld. Het betreffende vonnis is bij openbaar exploot d.d. 16 september 2016 aan [appellant] betekend, waarvan op 16 september 2016 kennis is gegeven middels publicatie in de digitale Staatscourant.

2.2

Bij exploot van 25 oktober 2016 is op verzoek van [geïntimeerde] door toegevoegd

gerechtsdeurwaarder T.J.C.M. Kos onder de ABN AMRO Bank N.V. executoriaal

derdenbeslag gelegd ‘op alle gelden, geldswaarden, en/of roerende zaken en vorderingen, die de derdebeslagene onder zich heeft en/of uit een reeds nu bestaande rechtsverhouding zal of mocht verkrijgen, onder zijn of haar berusting heeft en/of mocht krijgen ten behoeve van [appellant] ’, zulks ter verzekering van en om betaling te verkrijgen van de bij het verstekvonnis aan [geïntimeerde] toegewezen bedragen. Dit beslag heeft geen resultaat gehad wegens het niet (langer) bestaan van een rechtsverhouding tussen ABN AMRO Bank N.V. en [appellant] .

2.3

Op 7 december 2017 heeft één van de gerechtsdeurwaarders van deurwaarderskantoor Huyer (verder: Huyer) getracht beslag te leggen op het woonadres van [appellant] . Er werd daar niemand aangetroffen, waarna de gerechtsdeurwaarder een brief heeft achtergelaten.

2.4

Op 11 december 2017 heeft [appellant] Huyer gebeld, van welk telefoongesprek door Huyer de notitie werd gemaakt: “deb belt, heel verhaal, klient zou zijn oom zijn, die probeert de hele familie te belazeren (…) hem gewezen op de uitspraak, client heeft ons verzocht vonnis ten uitvoer te leggen, hij zal advocaat raadplegen, gezegd dat wij zijn reactie binnen 1 week verwachten.”

2.5

Op 11 december 2017 heeft mr. Fridsma een e-mail gezonden aan Huyer met onder andere de volgende inhoud: “Tot mij heeft zich gewend de heer [appellant] wonende te [adres] . Hij gaf mij aan dat hij recent een schrijven van u zou hebben ontvangen waarin hem is aangegeven een bedrag te moeten betalen aan de heer [geïntimeerde] . De heer [appellant] gaf mij aan dat hij nooit een dagvaarding en evenmin een vonnis heeft mogen ontvangen. Voor zover er een procedure in deze zaak is gevoerd ontvang ik graag een afschrift van de betekende dagvaarding alsmede van het vonnis.”

2.6

Bij e-mail van 12 december 2017 heeft Huyer aan mr. Fridsma onder meer meegedeeld: ‘Naar aanleiding van uw e-mail treft u in de bijlagen aan de dagvaarding, het gewezen vonnis en het exploot van betekening en bevel.’ (...).

2.7

Op 13 december 2017 heeft Huyer per e-mail aan mr. Fridsma bericht: ‘Voor die brief verwijzen wij u naar uw cliënt. Deze brief wordt ter plekke ingevuld en achtergelaten. Hiervan is geen kopie beschikbaar.’ (...)

2.8

Op 25 januari 2018 is op verzoek van [geïntimeerde] door toegevoegd gerechtsdeurwaarder J. Kroon onder de Volksbank N.V. executoriaal derdenbeslag gelegd ‘op alle gelden, geldswaarden, en/of roerende zaken en vorderingen, meer speciaal op, doch niet beperkt tot rekeningnummer [nummer] die de derdebeslagene onder zich heeft en/of uit een reeds nu bestaande rechtsverhouding zal of mocht verkrijgen, onder zijn of haar berusting heeft en/of mocht krijgen ten behoeve van [appellant] ’, zulks ter verzekering van en om betaling te verkrijgen van de bij het verstekvonnis aan [geïntimeerde] toegewezen bedragen en executiekosten. Dit beslag heeft geen resultaat gehad wegens het ontbreken van een creditsaldo.

2.9

Bij e-mail van 2 juli 2018 heeft [X] van Huyer aan de advocaat van [appellant] meegedeeld: ‘Naar aanleiding van uw mail dd heden (...) berichten wij u als volgt. Wij mogen toch aannemen dat uw client niet alleen louter met een ontkenning van een vordering bij u aanklopt, doch u ook voorziet van relevante bescheiden. Immers, deze hebben wij vorig jaar december ook al op verzoek gezonden aan Fridsman & Vervest advocaten in Heemskerk. Er is helemaal geen sprake van een vermeende vordering. In de door u aangehaalde brief van 28 juni jl ziet u dat wij uw cliënt hebben bezocht om tot beslag roerende zaken over te gaan. Zoals u weet, kan dat alleen maar uit krachte van een (executoriale) titel. In casu zijn wij danook belast met de tenuitvoerlegging van een vonnis, uw client welbekend. Een kopie van dit vonnis stuur ik u ter info in een separate mail.

2.10

Op 17 juli 2018 heeft [appellant] de verzetdagvaarding laten uitbrengen.

3 Beoordeling

3.1

Bij het onder 2.1 genoemde verstekvonnis van 28 juli 2016 is [appellant] veroordeeld om aan [geïntimeerde] te betalen € 10.665,- te vermeerderen met de wettelijke rente over € 9.800,- vanaf 27 oktober 2016, alsmede proceskosten. De hoofdsom heeft betrekking op een openstaand bedrag krachtens een geldlening.

3.2

[appellant] heeft tegen dit verstekvonnis op 17 juli 2018 een verzetdagvaarding laten uitbrengen en ontheffing gevorderd van de verplichtingen die voor hem voortvloeien uit het vonnis van 28 juli 2016. Hij heeft daarbij betwist enig bedrag aan [geïntimeerde] verschuldigd te zijn. [geïntimeerde] heeft allereerst aangevoerd dat [appellant] niet tijdig verzet heeft gedaan omdat de verzettermijn in elk geval is aangevangen na 11 december 2017 en door [appellant] niet binnen vier weken nadien verzet is ingesteld. De kantonrechter heeft in het tussenvonnis van 22 november 2018 overwogen: “(U)it het vorenstaande (kan) worden afgeleid dat aan de daad van mr. Fridsma (het sturen van het e-mailbericht aan Huyer op 11 december 2017) (zal) een daad van [appellant] zelf, waaruit zijn bekendheid met het vonnis noodzakelijkerwijs voortvloeit, zal zijn voorafgegaan. Vermoed wordt dan ook dat [appellant] op 11 december 2017 bekend was met (de inhoud van) het vonnis en dat hij met mr. Fridsma overleg heeft gevoerd over het instellen van verzet. Dat zou betekenen dat op dat moment de verzettermijn is aangevangen en dat [appellant] het verzet niet tijdig heeft ingesteld. Het is derhalve aan [appellant] om bijzondere omstandigheden aan te voeren, die het tegendeel bewijzen.’ [appellant] is in de gelegenheid gesteld dat tegenbewijs te leveren. [appellant] heeft vervolgens een e-mailbericht van mr. Fridsma geciteerd waarin laatstgenoemde verklaart dat zij inderdaad stukken heeft opgevraagd bij deurwaarder Huyer, dat zij deze stukken ook heeft ontvangen en dat zij deze stukken “ongetwijfeld” heeft doen toekomen aan [appellant] , maar zich niet meer kan herinneren of dat per post en/of per mail is gedaan. De kantonrechter overweegt op basis hiervan in het bestreden eindvonnis van 14 maart 2019 dat [appellant] hiermee geen bijzonderheden heeft aangevoerd, die anders doen vermoeden dan dat hij op 11 december 2017 bekend was met de inhoud van het verstekvonnis van 28 juli 2016. [appellant] heeft gelet daarop niet tijdig verzet ingesteld en hij is niet-ontvankelijk in zijn verzet, aldus de kantonrechter.

3.3

Tegen deze beslissing keert [appellant] zich in hoger beroep. Onder aanvoering van gronden betoogt [appellant] dat hij zich niet kan verenigen met de tegenbewijsopdracht en het oordeel van de kantonrechter dat hij niet in deze tegenbewijs-opdracht is geslaagd. Hij noch mr. Fridsma had op 11 december 2017 kennis van het verstekvonnis; [appellant] had mr. Fridsma benaderd omdat hij een brief had ontvangen van deurwaarder Huyer waar het verstekvonnis niet bij zat. Tot een opdracht aan mr. Fridsma is het niet gekomen; mr. Fridsma heeft ook geen dossier inzake [appellant] aangemaakt. Dat [appellant] het verstekvonnis op 11 december 2017 niet kende, blijkt ook uit de op die dag door mr. Fridsma aan Huyer verzonden e-mail. Volgens [appellant] kon de kantonrechter daarmee niet tot het vermoeden komen dat [appellant] op 11 december 2017 wél over het verstekvonnis beschikte. En voor zover dit rechtsvermoeden wel juist mocht zijn, blijkt uit de verklaring van mr. Fridsma dat zij feitelijk niet weet of zij het vonnis al dan niet gekregen heeft, en of zij het heeft doorgezonden, zodat het tegenbewijs wel is geleverd, aldus [appellant] . [appellant] acht het bestreden vonnis inhoudelijk onjuist, omdat de schuldbekentenis waaruit het openstaand bedrag aan geldleningen zou blijken, nagenoeg onleesbaar en kennelijk vervalst is.

3.4

[geïntimeerde] voert bij memorie van antwoord aan dat [appellant] niet op voldoende duidelijke wijze grieven tegen het bestreden vonnis heeft geformuleerd. [geïntimeerde] voegt daar aan toe het oordeel van de kantonrechter te onderschrijven, en meer in het bijzonder van oordeel te zijn dat er op 11 december 2017 een daad van bekendheid van [appellant] met het verstekvonnis was en hij naar aanleiding daarvan mr. Fridsma heeft ingeschakeld. Volgens [geïntimeerde] heeft de kantonrechter daarom terecht genoemd bewijsvermoeden aangenomen en eveneens terecht geoordeeld dat het tegenbewijs hiervan niet geleverd is. [geïntimeerde] acht daarbij van belang dat [appellant] voor het leveren van tegenbewijs geen getuigen heeft opgeroepen, hoewel de kantonrechter dat wel had gesuggereerd.

3.5

Het hof oordeelt als volgt. Verzet moet, voor zover in deze zaak relevant, worden ingesteld binnen vier weken na een daad waaruit noodzakelijkerwijs voortvloeit dat het vonnis althans de hoofdinhoud daarvan aan de veroordeelde bekend is. Naar zeggen van [appellant] heeft hij op 11 december 2017 telefonisch contact opgenomen met Huyer, naar aanleiding van de vondst van een (door zijn hond) versnipperd briefje op zijn deurmat, waarop slechts de naam en het telefoonnummer van Huyer nog te lezen waren. Van dat telefoongesprek op 11 december 2017 heeft Huyer de hierboven onder 2.4 weergegeven aantekeningen gemaakt. Uit die aantekeningen, die door [appellant] op geen enkele wijze zijn weersproken, blijkt dat [appellant] een ‘heel verhaal’ houdt, dat hij ervan op de hoogte was wie de wederpartij in de betreffende procedure was, namelijk [geïntimeerde] , dat gesproken is over een vonnis en dat [geïntimeerde] verzocht heeft dat vonnis ten uitvoer te leggen. In het bestreden tussenvonnis is onder 4.4 vermeld – zonder dat [appellant] zich hiertegen bij memorie van grieven heeft gekeerd – dat mr. Fridsma op

11 december 2017 aan Huyer heeft geschreven zoals hierboven onder 2.5 is genoemd. De mededeling van mr. Fridsma, dat [appellant] haar ervan op de hoogte had gesteld recent een schrijven van Huyer te hebben ontvangen waarin was ‘aangegeven een bedrag te moeten betalen aan de heer [geïntimeerde] ’, komt niet overeen met de verklaring van [appellant] in eerste aanleg, dat in het door zijn hond versnipperde briefje ‘slechts de naam en het telefoonnummer van Huyer nog te lezen was’. Het hof acht het standpunt van [appellant] , dat hij van het vonnis, noch de inhoud ervan, op de hoogte was toen hij op

11 december 2017 Huyer belde, niet aannemelijk. Zoals uit de telefoonnotitie van Huyer blijkt, is in het telefoongesprek op 11 december 2017 tussen [appellant] en Huyer zowel gesproken over het verstekvonnis als over de tenuitvoerlegging daarvan. Die bekendheid bij [appellant] leidde tot zijn verzoek aan mr. Fridsma om contact op te nemen met Huyer. Het hof is, met de kantonrechter, van oordeel dat deze gang van zaken leidt tot het vermoeden dat [appellant] op 11 december 2017 bekend was met de hoofdinhoud van het vonnis. In zoverre faalt [appellant] ’ betoog tot het tegendeel. Ook juist was het oordeel van de kantonrechter [appellant] toe te laten tot het leveren van tegenbewijs. [appellant] is ook naar het oordeel van het hof niet geslaagd in het leveren van dat tegenbewijs. Hij citeert slechts een naar zijn zeggen van mr. Fridsma ontvangen bericht, waarin deze heeft verklaard de stukken ‘ongetwijfeld’ aan [appellant] te hebben doorgezonden. Het hof acht die summiere verklaring onvoldoende om te kunnen dienen als tegenbewijs van het vermoeden dat [appellant] al op 11 december 2017 van de hoofdinhoud van het verstekvonnis op de hoogte was. [appellant] heeft nagelaten op andere wijze tegenbewijs te leveren, bijvoorbeeld door het doen horen van getuigen. Hij heeft voorts ook in hoger beroep geen nader bewijs aangeboden. Het hof is daarmee van oordeel dat de verzettermijn is gaan lopen op 11 dan wel 12 of uiterlijk 13 december 2017; de op 17 juli 2018 uitgebrachte verzetdagvaarding is daarom te laat uitgebracht, zodat [appellant] niet-ontvankelijk is in het verzet.

3.6

Het voorgaande brengt mee dat het hoger beroep tevergeefs is ingesteld. Een inhoudelijke bespreking van de gronden van het verzet van [appellant] komt daarom niet aan de orde. Als de in het ongelijk gestelde partij zal [appellant] worden verwezen in de kosten van het geding in appel.

4 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt de vonnissen waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 324,- aan verschotten en € 1.074,- voor salaris en op € 157,- voor nasalaris, te vermeerderen met € 82,- voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit arrest plaatsvindt;

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. G.C. Boot, W.H.F.M. Cortenraad en F.J. Verbeek en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2020.