Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:1012

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
31-03-2020
Datum publicatie
03-04-2020
Zaaknummer
200.264.610/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Huur woonruimte; het hof acht het, evenals de kantonrechter, hoogstwaarschijnlijk dat de bodemrechter zal oordelen dat de ernst van de tekortkoming, het beroep van huurder op zijn gezondheidssituatie ten spijt, van voldoende gewicht is om de ontbinding te rechtvaardigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.264.610/01 KG

zaak- en rolnummer rechtbank Amsterdam : 7850334 KK EXPL 19-608

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 31 maart 2020
(bij vervroeging)

inzake

[appellant] ,
wonend te [woonplaats] ,

appellant,

advocaat: mr. Z. Sivro te Amsterdam,

tegen

WONINGSTICHTING EIGEN HAARD,

gevestigd te Amsterdam,
geïntimeerde,

advocaat: mr. J. Groenewoud te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellant] en Eigen Haard genoemd.

[appellant] is bij dagvaarding van 6 augustus 2019 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter) van 23 juli 2019, in kort geding gewezen tussen Eigen Haard als eiseres en [appellant] als gedaagde.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven;

- memorie van antwoord, met producties.

[appellant] heeft geconcludeerd - kort gezegd - dat het hof het vonnis, voor zover daarbij de door Eigen Haard gevorderde ontruiming is toegewezen (hierna: het bestreden vonnis), zal vernietigen en opnieuw rechtdoende deze zal afwijzen, met veroordeling van Eigen Haard in de proceskosten van beide instanties, met nakosten.

Eigen Haard heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis met veroordeling van [appellant] in de kosten van het hoger beroep, waaronder de nakosten.

Ten slotte is arrest gevraagd.

2 Feiten

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis onder ‘Uitgangspunten’ onder 1.1. tot en met 1.7. de feiten opgesomd die zij tot uitgangspunt heeft genomen.
Tegen deze opsomming zijn geen grieven gericht, zodat deze feiten ook het hof tot uitgangspunt strekken. Samengevat, en voor zover in dit hoger beroep van belang, komen de feiten neer op het volgende:


a. [appellant] huurt sinds 1 september 1984 van Eigen Haard de woning aan het adres [adres] (hierna: de woning).
De woning is gelegen op de eerste verdieping en betreft een sociale huurwoning.

b. Artikel 5 van de huurovereenkomst luidt, voor zover hier van belang, als volgt:
5.1. De woning is bestemd te worden gebruikt als woonruimte voor huurder/huurster en zijn/haar huishouden. Hij/zij zal de woning naar behoren stofferen en meubileren. Huurder/huurster verplicht zich de woning waarin begrepen alle aan- en toebehoren overeenkomstig de bestemming te gebruiken en deze bestemming niet te veranderen.
5.2. Huurder/huurster zal de woning als een goed huurder/huurster gebruiken en onderhouden.
(…)
5.7. Het is de huurder/huurster zonder schriftelijke toestemming van de corporatie niet toegestaan de woning voor een deel of in zijn geheel onder te verhuren of aan derden in gebruik te geven (…).

c. Eigen Haard is een onderzoek gestart nadat zij een melding ontving van overlast veroorzaakt door het verblijf van jongeren in de woning. In de periode van 6 november 2017 tot en met 11 juni 2018 hebben medewerkers van Eigen Haard vijf onaangekondigde huisbezoeken afgelegd, waarbij niemand is aangetroffen in de woning.

d. Bij brieven van 5 en 25 juli 2018 heeft Eigen Haard [appellant] uitgenodigd voor een gesprek omdat zij vermoedde dat hij zijn hoofdverblijf niet in de woning had.

e. Op 2 augustus 2018 heeft Eigen Haard een gesprek gehad met [A] , een zoon van [appellant] . In het door Eigen Haard opgestelde verslag van het gesprek is opgenomen: Zoon [A] toont op verzoek ID. Hij geeft aan dat vader een gebroken been heeft en in het ziekenhuis ligt. Ik vraag of hij in het buitenland verblijft. Dit klopt. Vader zou in Marokko zijn.

f. Op 3 januari 2019 heeft Eigen Haard een onaangekondigd huisbezoek afgelegd. In het door Eigen Haard opgestelde verslag van dit huisbezoek is opgenomen:
“12.00 uur, er wordt niet open gedaan. Nr. [nummer] meldt: ‘De zoon zit er nog steeds in, […] is er niet, we ervaren nog steeds geluidsoverlast van zoon en vrienden.’
Dan wordt de deur open gedaan en er komt een man uit de woning die een plastic tas bij zich heeft. Ik vraag of hij de zoon van […] is. Hij zegt dat dat klopt. Ik vraag of hij [A] of [appellant] is. Hij zegt [A] te zijn en begint weg te lopen.
(…)
Zijn vader zou in het ziekenhuis liggen en hij weet niet wanneer die terugkomt.
g. Op 22 mei 2019 heeft Eigen Haard van de wijkagent R. Lasschuit de volgende melding per e-mail ontvangen:
Ik kreeg van een collega een mail dat de woning/het trappenhuis aan de [adres] ernstig vervuild is en bewoond wordt door meerdere personen, 5 slaapplaatsen, terwijl er slechts 1 persoon zou moeten wonen. Is dit bij jou bekend? De volgende tekst kreeg ik van de collega toegestuurd: De deur was niet afgesloten, maar er bleek niemand aanwezig te zijn. Er staat 1 persoon op het adres ingeschreven, maar we troffen 5 beslapen bedden aan. Verder was de woning van opgang tot aan de zolder compleet uitgeleefd. Werkelijk alles was oud, stuk en smerig.

3
3. Beoordeling

3.1

Eigen Haard heeft in eerste aanleg - samengevat en voor zover hier van belang - gevorderd dat [appellant] zal worden veroordeeld om de woning binnen zeven dagen na betekening van het vonnis te ontruimen.
Daartoe heeft Eigen Haard gesteld dat [appellant] de verplichtingen uit de huurovereenkomst niet nakomt. Uit onderzoek is gebleken dat [appellant] niet meer in de woning woont maar elders verblijft. Een van de zonen van [appellant] en zijn vrienden gebruiken de woning. Deze personen verwaarlozen en vervuilen de woning en veroorzaken overlast, aldus Eigen Haard.

3.2

De kantonrechter heeft de vordering tot ontruiming van de woning toegewezen en daarbij een termijn van vier weken na betekening van het vonnis gegeven. De kantonrechter heeft daartoe overwogen dat is gebleken dat [appellant] in ieder geval in de periode van juli 2018 tot juni 2019 zonder overleg met Eigen Haard niet in de woning heeft verbleven en het gebruik daarvan heeft afgestaan, althans geen toezicht heeft uitgeoefend of laten uitoefenen. Voor het feit dat de politie in mei 2019 een volledig uitgeleefde en ernstig vervuilde woning heeft aangetroffen met vijf beslapen bedden heeft [appellant] geen verklaring gegeven. [appellant] was, als huurder, verantwoordelijk voor het gebruik van de woning en het valt hem aan te rekenen dat hij de woning een jaar lang heeft verlaten en dat hij het gebruik van de woning aan een van zijn zoons heeft overgelaten zonder dat hij toezicht daarop heeft gehouden. Deze tekortkoming rechtvaardigt, naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter, de ontbinding van de huurovereenkomst in een eventuele bodemprocedure, gezien de lange periode waarover deze zich uitstrekt en mede gezien het feit dat de woning een sociale huurwoning is waarvoor lange wachttijden bestaan. Voor zover [appellant] weer zijn intrek heeft genomen in de woning is daarmee de ernstige schending van zijn huurdersverplichtingen niet ongedaan gemaakt. De tekortkoming is niet van geringe betekenis en zal naar verwachting in een bodemprocedure ontbinding van de huurovereenkomst tot gevolg hebben, aldus nog steeds de kantonrechter.

3.3

Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt [appellant] op met twee grieven, die zich lenen voor gezamenlijke behandeling. Zij houden, kort gezegd, in dat de kantonrechter onvoldoende rekening heeft gehouden met het belang van [appellant] bij het behouden van zijn woning.

3.4

Het hof stelt voorop dat het zich verenigt met het in overweging 8 van het bestreden vonnis vervatte oordeel dat Eigen Haard een spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorziening omdat de woning niet, althans in ieder geval lange tijd niet, werd gebruikt door [appellant] en de voorziening bovendien strekt tot beëindiging van onrechtmatig gebruik van een - relatief schaarse - sociale huurwoning. Dit belang is ook thans nog aanwezig.

3.5

Een veroordeling tot ontruiming van een gehuurde woning is een ingrijpende maatregel, waarvoor in kort geding slechts plaats is als met een voldoende mate van waarschijnlijkheid valt te verwachten dat een bodemprocedure tot dezelfde uitkomst zal leiden en van de eisende partij niet kan worden gevergd dat deze de uitkomst van de bodemprocedure afwacht.

3.6

[appellant] heeft niet bestreden dat hij tekort is geschoten in de nakoming van de huurovereenkomst doordat hij zonder overleg met Eigen Haard in ieder geval in de periode van juli 2018 tot juni 2019 de woning heeft verlaten en het gebruik hiervan heeft overgelaten aan een van zijn zoons zonder dat hij daarop toezicht heeft gehouden. Ook heeft hij niet bestreden dat er in de periode overlast is geweest en dat de politie in mei 2019 een volledig uitgeleefde en ernstig vervuilde woning heeft aangetroffen met vijf beslapen bedden. De grieven van [appellant] richten zich louter tegen het voorlopig oordeel van de kantonrechter dat de aard van de tekortkoming, gezien de lange periode waarover deze zich uitstrekt en het feit dat de woning een sociale huurwoning is, de ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigt. Ter onderbouwing van zijn grieven herhaalt [appellant] deels zijn stellingen uit de eerste aanleg: hij heeft gezondheidsproblemen en verbleef in Marokko vanwege zijn gezondheid. [appellant] heeft echter niet, althans onvoldoende, toegelicht dat de kantonrechter deze stellingen niet heeft meegewogen in zijn voorlopig oordeel. Ook in hoger beroep heeft [appellant] nagelaten om concreet en met stukken te onderbouwen waarom zijn langdurig verblijf in Marokko maakt dat de verweten tekortkomingen de ontbinding van de huurovereenkomst met haar gevolgen niet rechtvaardigen. In hoger beroep voegt [appellant] hieraan toe dat hij is aangewezen op wijkgebonden zorg door een wijkverpleegkundige en dat hij deze zorg elders niet (of niet gemakkelijk) kan krijgen. [appellant] licht deze stelling evenwel op geen enkele manier toe. Ook heeft hij geen gegevens overgelegd waaruit blijkt dat hij inderdaad wijkgebonden zorg nodig heeft en dat hij deze niet elders zou kunnen verkrijgen. [appellant] heeft geen andere feiten of omstandigheden genoemd die duiden op een belang zijnerzijds bij het behoud van de woning.

3.7

Gelet op wat hiervoor is overwogen acht het hof het, evenals de kantonrechter, hoogstwaarschijnlijk dat de bodemrechter zal oordelen dat de ernst van de tekortkoming, het beroep van [appellant] op zijn gezondheidssituatie ten spijt, van voldoende gewicht is om de ontbinding te rechtvaardigen.
De slotsom is dat de beidegrieven falen en dat [appellant] zal worden veroordeeld in de kosten van het geding.

4 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het bestreden vonnis;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van Eigen Haard begroot op € 741,- aan verschotten en € 1.074,- aan salaris en op € 157,- voor nasalaris, te vermeerderen met € 82,- voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit arrest plaatsvindt.

Dit arrest is gewezen door mrs. E.K. Veldhuijzen van Zanten, C.A.H.M. ten Dam en E.A. Minderhoud en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2020.