Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:1004

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
11-03-2020
Datum publicatie
24-04-2020
Zaaknummer
23-001097-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Materieel strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

mishandeling, bewijsoverweging, anoniem gebleven getuigen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-001097-19

datum uitspraak: 11 maart 2020

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 20 maart 2019 in de strafzaak onder parketnummer 13-245522-18 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1991,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 26 februari 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 3 december 2018 te Amsterdam, in ieder geval in Nederland [benadeelde] heeft mishandeld door haar

- meermalen, althans eenmaal (met een vuist) in, op of tegen het gezicht, althans het hoofd te slaan, en/of - in haar buik, althans tegen het lichaam te schoppen;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij komt dan de politierechter.

Bewijsoverweging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het hem ten laste gelegde. Daartoe heeft hij aangevoerd, kort gezegd, dat uit de verklaring van de verdachte blijkt dat hij zich heeft moeten verdedigen tegen de aangeefster waardoor hem een beroep op noodweer toekomt. Volgens de raadsman is de andersluidende verklaring van de aangeefster niet aannemelijk en is de door een anoniem gebleven getuige afgelegde verklaring onbetrouwbaar, zodat deze buiten beschouwing dient te blijven.

Het hof overweegt als volgt.

Op 3 december 2018 zijn de aangeefster en de verdachte al fietsend met elkaar in botsing geraakt. Uit de verklaring van de aangeefster en een beperkt anoniem gebleven getuige (hierna: de getuige) blijkt dat de verdachte vervolgens op de aangeefster is afgelopen en haar een vuistslag in het gezicht heeft gegeven. Het hof ziet op basis van de stukken geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van deze verklaringen. Het feit dat de getuige tijdens het verhoor door de rechter-commissaris op enkele punten (iets) anders heeft verklaard dan de aangeefster en dan zelf eerder bij de politie – bijvoorbeeld ten aanzien van het aantal (vuist)slagen – maakt de verklaringen van de getuige niet onbetrouwbaar. Daarbij is van belang dat de verklaringen van de getuige en die van de aangeefster in hoofdlijnen en op essentiële punten – namelijk (i) dat de verdachte op de aangeefster is afgelopen, haar heeft geslagen en haar in haar buik heeft getrapt en (ii) dat de aangeefster de verdachte niet heeft geslagen – overeenkomen en elkaar ondersteunen. De verklaring van de verdachte dat de aangeefster hem heeft geslagen en aldus de confrontatie zocht, vindt geen steun in het dossier en is niet aannemelijk geworden.

Nu niet aannemelijk is dat de verdachte zich in een situatie heeft bevonden waarin hij door de aangeefster wederrechtelijk werd aangerand en waartegen een noodzakelijke verdediging geboden was, faalt zijn beroep op noodweer.

Voorwaardelijk verzoek

Het hof acht zich gelet op het voorgaande voldoende voorgelicht over hetgeen op 3 december 2018 is voorgevallen. Het hof acht het opvragen van mogelijk nog aanwezige camerabeelden, zoals door de raadsman is verzocht in het geval het hof niet tot een vrijspraak van het ten laste gelegde komt, niet noodzakelijk. Het hof wijst het voorwaardelijke verzoek van de raadsman daarom af.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 3 december 2018 te Amsterdam [benadeelde] heeft mishandeld door haar met een vuist in het gezicht te slaan en in haar buik te schoppen.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezen verklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte

De raadsman van de verdachte heeft betoogd dat de verdachte heeft gehandeld vanuit noodweerexces, zodat hij niet strafbaar is. Dit verweer slaagt niet. Het hof heeft hiervoor overwogen dat geen sprake is geweest van een noodweersituatie. Reeds daarom komt de verdachte geen beroep op noodweerexces toe.

Ook overigens is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een taakstraf van 50 uren subsidiair 25 dagen met aftrek van voorarrest.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

De raadsman heeft het hof verzocht de verdachte een geldboete op te leggen in plaats van een taakstraf.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft de aangeefster, nadat zij fietsend met elkaar in botsing waren gekomen, mishandeld. Uit de toelichting die de aangeefster op de schadevordering heeft gegeven, blijkt dat deze mishandeling een grote impact op haar heeft gehad. Ze heeft een periode slecht geslapen en heeft aan het voorval langdurig een angstig gevoel overgehouden. De mishandeling vond bovendien plaats op een drukke straat, waarbij verschillende omstanders getuige waren van het agressieve optreden van de verdachte. Eén van de omstanders, die de verdachte van de aangeefster had weggetrokken, durfde hem zelfs niet los te laten omdat de verdachte dreigde om ook hem te slaan. Aldus heeft de verdachte ook omstanders gevoelens van schrik en onveiligheid bezorgd. De verdachte heeft op geen enkele wijze inzicht getoond in de laakbaarheid van zijn handelen. Hij heeft juist de schuld volledig op de aangeefster willen afschuiven.

Het hof is, op grond van het voorgaande en mede in het licht van de straffen die naar aanleiding van soortgelijke incidenten plegen te worden opgelegd, van oordeel dat een taakstraf zoals door de politierechter is opgelegd passend en geboden is.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding voor een bedrag van € 350,00. De benadeelde partij heeft in het schadeopgaveformulier verschillende schadeposten genoemd, bestaande uit de volgende schadeposten:

  1. jas/vest € 200,00;

  2. broek € 100,00;

  3. trui € 50,00.

De benadeelde partij is bij het vonnis waarvan beroep in haar vordering niet-ontvankelijk verklaard. Zij heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering. De benadeelde partij heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat als gevolg van de vuistslag op haar lip, en niet door de botsing, bloed op haar kleding is gekomen.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden toegewezen tot een bedrag van € 250,00, nu op basis van de toelichting van de benadeelde partij en aan de hand van de stukken uit het dossier aannemelijk is geworden dat zij bloed op haar kleding heeft gekregen.

Namens de verdachte heeft de raadsman verzocht de vordering van de benadeelde partij af te wijzen.

Met betrekking tot de gevorderde materiële schade overweegt het hof als volgt.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden, hetgeen overigens ook steun vindt in de bewijsmiddelen. Het hof zal de omvang van de schade aan de kleding schatten en begroot deze op € 250,00.

Voor het overige is onvoldoende gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden. De verdachte is in zoverre niet tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering voor het overige zal worden afgewezen.

Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 22c, 22d, 36f, 63 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 50 (vijftig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 25 (vijfentwintig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van € 250,00 (tweehonderdvijftig euro) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde], ter zake van het bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 250,00 (tweehonderdvijftig euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 5 (vijf) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op. Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 3 december 2018.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. H.A. van Eijk, mr. N.A. Schimmel en mr. K.J. Veenstra, in tegenwoordigheid van mr. S. Bor, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 11 maart 2020.