Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:1003

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
11-03-2020
Datum publicatie
24-04-2020
Zaaknummer
23-001254-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Materieel strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

vernieling ex art. 350 Sr, verwerping overmacht in de zin van noodtoestand

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-001254-19

datum uitspraak: 11 maart 2020

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 26 maart 2019 in de gevoegde strafzaken onder de parketnummers 13-002661-19 en 13-051937-19 en 13-056533-19 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Marokko) op [geboortedag] 1970,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 26 februari 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlasteleggingen

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

Zaak met parketnummer 13-002661-19 (hierna: zaak A):

hij op of omstreeks 3 januari 2019 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk een deur van een woning of een ruit van een woning, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [woningbouw] toebehoorde, heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;

Zaak met parketnummer 13-051937-19 (in eerste aanleg gevoegd, hierna: zaak B):

hij, op of omstreeks 3 maart 2019 te Amsterdam, opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 1,48 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine en/of ongeveer 5 tabletten, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde amfetamine en/of MDMA een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
Zaak met parketnummer 13-056533-19 (in eerste aanleg gevoegd, hierna: zaak C):

hij op of omstreeks 8 maart 2019 te Amsterdam scheermesjes, een doosje en een kaars, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan winkelbedrijf [winkel], heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een iets andere bewezenverklaring en een andere strafoplegging komt dan de politierechter.

Bespreking van het in hoger beroep gevoerde bewijsverweer

In zaak A

De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de verdachte uit overmacht – in de zin van noodtoestand – heeft gehandeld. De raadsman heeft daartoe gesteld dat 3 januari 2019 een koude dag was; de verdachte was dakloos en zocht die dag een plek om te slapen. Om die reden probeerde hij een leegstaande woning binnen te komen. Bij die poging heeft hij de woning beschadigd. Nu sprake is van overmacht, is de aan de verdachte verweten gedraging niet wederrechtelijk, aldus de raadsman.

Het hof verwerpt het verweer en overweegt daartoe als volgt.

Het beroep op overmacht in de zin van noodtoestand raakt in dit geval de bewijsvraag, omdat in de tenlastelegging is opgenomen dat de verdachte ‘wederrechtelijk’ heeft gehandeld.

Uitzonderlijke omstandigheden kunnen in een individueel geval meebrengen dat gedragingen die door de wetgever strafbaar zijn gesteld, niettemin gerechtvaardigd kunnen worden geacht, onder meer indien moet worden aangenomen dat daarbij is gehandeld in een noodtoestand, dat wil zeggen – in het algemeen gesproken – dat de pleger van het feit, staande voor de noodzaak te kiezen uit onderling strijdige plichten en belangen, de zwaarwegende heeft laten prevaleren. Voor een geslaagd beroep op overmacht in de zin van noodtoestand is verder vereist dat sprake is van een gedraging die voortvloeit uit een actuele, concrete nood, een gedraging die is geëigend om aan die nood (het belangenconflict) een einde te maken en die tevens voldoet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.

Het hof is van oordeel dat het dossier geen aanknopingspunt biedt voor de vaststelling dat zich de situatie van een objectiveerbare (actuele) noodtoestand heeft voorgedaan. Het enkele feit dat de verdachte de nacht op een warme plek wenste door te brengen, maakt niet dat sprake is van uitzonderlijke omstandigheden die de aan de verdachte verweten gedraging rechtvaardigden.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak A, zaak B en zaak C ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

Zaak A:

hij op 3 januari 2019 te Amsterdam opzettelijk en wederrechtelijk een deur van een woning, die aan [woningbouw] toebehoorde, heeft beschadigd;


Zaak B:

hij op 3 maart 2019 te Amsterdam een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine en 5 tabletten bevattende MDMA opzettelijk aanwezig heeft gehad;


Zaak C:

hij op 8 maart 2019 te Amsterdam scheermesjes en een kaars, die toebehoorden aan winkelbedrijf [winkel], heeft weggenomen met het oogmerk om deze zich wederrechtelijk toe te eigenen.

Hetgeen in deze zaken meer of anders ten laste is gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezen verklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het in zaak A bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen.

Het in zaak B bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Het in zaak C bewezen verklaarde levert op:

diefstal.

Strafbaarheid van de verdachte

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg in zaak A, zaak B en zaak C bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 weken met aftrek van voorarrest, waarvan 2 weken voorwaardelijk en een proeftijd van 2 jaren.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

De raadsman heeft op de terechtzitting in hoger beroep bepleit dat aan de verdachte een geheel voorwaardelijke straf wordt opgelegd. Daartoe heeft de raadsman – kort gezegd – aangevoerd dat er een verbetering zichtbaar is in het leven van de verdachte, nu de verdachte heeft gebroken met zijn verleden, een (vaste) woning heeft gekregen en contacten onderhoudt met de reclassering.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich allereerst schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van amfetamine en MDMA. Uit het dossier blijkt bovendien dat de verdachte de bedoeling had om deze verdovende middelen te verkopen. De verdachte sprak immers een politieagent in burger aan met de vraag of hij XTC wilde kopen.

De verdachte heeft zich verder schuldig gemaakt aan vernieling en winkeldiefstal. Met deze gedragingen heeft de verdachte inbreuk gemaakt op het eigendom van anderen en hen financiële schade berokkend.

Anders dan door de raadsman bepleit, wordt in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zoals die op de terechtzitting in hoger beroep naar voren zijn gebracht, geen aanleiding gezien de door de politierechter opgelegde straf in een voorwaardelijke vorm te gieten. De oplegging van een geheel voorwaardelijke straf doet naar het oordeel van het hof geen recht aan de ernst van de feiten. Daarbij is van belang dat de verdachte blijkens een hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 13 februari 2020 al herhaaldelijk, ook recent nog, onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke delicten, waaronder tot deels voorwaardelijke vrijheidsstraffen. Deze veroordelingen, en dus ook voorwaardelijk opgelegde vrijheidsstraffen, hebben de verdachte niet ervan kunnen weerhouden zich opnieuw schuldig gemaakt aan het plegen van strafbare feiten. Gelet hierop het voorgaande is het hof van oordeel dat niet kan worden volstaan met aan andere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, en van een langere duur dan door de politierechter is opgelegd.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van vijf weken passend en geboden.

Beslag

Het in zaak A ten laste gelegde en bewezen verklaarde is begaan met behulp van de hierna te noemen in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen. Zij behoren de verdachte toe. Zij zullen daarom worden verbeurd verklaard.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf zijn gegrond op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 33, 33a, 57, 63, 310 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in zaak A, zaak B en zaak C ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het in zaak A, zaak B en zaak C bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) weken.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- Goednummer PL1300-2019002066-5687823, hamer;

- Goednummer PL1300-2019002066-5687824, beitel;

- Goednummer PL1300-2019002066-5687825, schroevendraaier.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. H.A. van Eijk, mr. N.A. Schimmel en mr. K.J. Veenstra, in tegenwoordigheid van mr. S. Bor, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 11 maart 2020.