Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:983

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
19-03-2019
Datum publicatie
27-03-2019
Zaaknummer
200.182.546/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2015:2249
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2015:8040
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHAMS:2016:1996
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHAMS:2017:9
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

Artikel 377a lid 3 BW.

Wel family life, geen omgangsregeling bepaald.

Uit het ouderschapsonderzoek volgt dat moeder, juridische en biologische vader daarvoor te weinig draagkracht hebben. Ouders moeten zelf hulp zoeken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Zaaknummer: 200.182.546/ 01

Zaaknummer rechtbank: C/14/131821 / FA RK 11-840

Beschikking van de meervoudige kamer van 19 maart 2019 inzake

[de biologische vader] ,

wonende te [woonplaats a] ,

verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: de biologische vader,

advocaat: mr. E. Balikci-Yildiz te 's-Gravenhage,

en

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats b] ,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. M.J.R. Roethof te Arnhem.

In zijn adviserende taak is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming

locatie: Haarlem

hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Het hof heeft in deze zaak beschikkingen gegeven op respectievelijk 24 mei 2016 en 3 januari 2017, waarnaar het hof verwijst.

Bij die laatste beschikking is een deskundigenonderzoek in de vorm van een zogeheten ouderschapsonderzoek gelast.

1.2.

Op 18 september 2017 is bij de griffie van dit hof het eindrapport van 15 september 2017 van de deskundige, mevrouw drs. G.M.M. de Boer (hierna: de deskundige), binnengekomen.

1.3.

De behandeling van de zaak is op 24 januari 2019 voortgezet. Verschenen zijn:

- de biologische vader, bijgestaan door mr. F. Yildiz, advocaat te Den Haag,

- de moeder, samen met de juridische vader, de heer [X] , bijgestaan door mr. A.E. Bakker, advocaat te Arnhem

- de raad, vertegenwoordigd door mevrouw D.M. van Dijk.

Als informant is verschenen de ambulant begeleider van de biologische vader, de heer Michiel Kloeg, werkzaam bij Esdégé-Reigersdaal.

2. Nadere beoordeling van het hoger beroep

2.1.

Het hof heeft in de beschikking van 3 januari 2017 vastgesteld dat tussen de biologische vader en de kinderen family life heeft bestaan en dat er tussen hen een nauwe persoonlijke betrekking bestaat. Het hof heeft daarom geoordeeld dat de biologische vader kan worden ontvangen in zijn verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling. Het hof heeft een ouderschapsonderzoek gelast teneinde antwoord te krijgen op de vraag of de biologische vader een rol in het leven van de kinderen kan vervullen, en zo ja welke en op welke termijn en met welke begeleiding of hulpverlening. Het hof heeft daartoe nadere vragen geformuleerd zoals benoemd in 4.15. van de beschikking van 3 januari 2017.

2.2.

Uit het ouderschapsonderzoek blijkt - kort samengevat - het volgende. De deskundige acht belemmeringen aanwezig om op korte termijn te komen tot afspraken over contactherstel tussen de kinderen en de biologische vader. Bij beide kinderen is sprake van verwarring en ontkenning ten aanzien van het bestaan van de biologische vader. De emoties en gedachten aangaande hem zijn negatief. Voor contact met de biologische vader hebben de kinderen daarom volop vertrouwen en positieve steun nodig van de moeder en de juridische vader en van de biologische vader hebben zij emotionele stabiliteit en inleving nodig. Deze voorwaarden zijn echter bij de moeder, de juridische vader en de biologische vader niet aanwezig. De moeder kampt met negatieve gevoelens bij de herinnering aan de biologische vader en heeft niet het inzicht dat de negatieve emoties betreffende de biologische vader van invloed zijn op de kinderen. Ook samen met de juridische vader is er onvoldoende draagvlak om de kinderen te steunen in contact met de biologische vader. Daarnaast heeft de deskundige geen goede inschatting kunnen maken van de actuele en de te verwachten draagkracht van de biologische vader, alsmede welke ondersteuning hij bij contactherstel eventueel nodig zou hebben. De biologische vader heeft in de laatste fase van het onderzoek alle persoonlijke informatie geblokkeerd uit angst en zelfbescherming. Hoewel dit voorstelbaar en begrijpelijk is, duidt dit volgens de deskundige op een beperkt vermogen om voorrang te geven aan het belang van de kinderen bij een weloverwogen onderzoeksuitkomst.

De deskundige acht het wenselijk dat beide biologische ouders psycho-educatie krijgen over de invloed van trauma op hechtingsrelaties. Daarnaast acht de deskundige het wenselijk dat de ouders begeleiding aanvaarden bij het vormen van een neutraal positief verhaal ten behoeve van de statusvoorlichting en dat de moeder begeleiding krijgt en zal aanvaarden bij het uitgebreid informeren van de biologische vader over de ontwikkeling en het welzijn van de kinderen op zeer frequente basis. De deskundige ziet bij het laatste een rol weggelegd voor de juridische vader om de moeder daarin te steunen.

2.3.

De biologische vader heeft op 24 januari 2019 ter zitting aangevoerd dat de deskundige in het onderzoek, ondanks aanwijzingen van de heer Kloeg, onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn beperkingen en daardoor verkeerde conclusies heeft getrokken. De stukken die de biologische vader niet wilde overhandigen betroffen zijn familie en zijn niet relevant voor de moeder. Hij heeft wel informatie verschaft betreffende zijn beperkingen en het is dus niet zo dat de biologische vader niet wilde meewerken aan het onderzoek. De biologische vader wil juist graag omgang met de kinderen en stemt ermee in dat deze omgang begeleid zal plaatsvinden. Hij acht contact met hem juist in het belang van de kinderen, zodat het beeld dat zij van hem hebben kan worden bijgesteld. De moeder werkt echter niet mee aan de totstandkoming van de omgang en heeft ook niet meegewerkt aan de statusvoorlichting van de kinderen. Het negatieve beeld dat de moeder van de biologische vader heeft, wordt overgebracht op de kinderen, waardoor zij een vertekend beeld van hem hebben. Daarnaast zijn de moeder en de juridische vader niet bereid informatie over de kinderen te verstrekken. De biologische vader acht het positief dat de moeder thans wel wil meewerken aan statusvoorlichting en heeft de hoop dat er daarna toch een omgangsregeling met de kinderen opgestart kan worden.

2.4.

De moeder heeft op 24 januari 2019 ter zitting aangevoerd aan dat zij zich aansluit bij het advies van de deskundige: de kinderen, de moeder en de biologische vader kunnen de omgang nog niet aan. De moeder probeert met enige regelmaat het onderwerp “de andere vader” aan te kaarten, maar de kinderen zijn er, aldus de moeder, nog niet aan toe en ontwijken het onderwerp. De moeder heeft meegewerkt aan alle onderzoeken en zij is bereid te praten met de huisarts dan wel een psycholoog teneinde de statusvoorlichting goed voor te bereiden. Meer dan dit is op dit moment volgens de moeder niet mogelijk, hetgeen ook naar voren komt uit het rapport van de deskundige.

2.5.

De raad acht omgang tussen de biologische vader en de kinderen thans niet mogelijk. Omgang gaat de draagkracht van de kinderen te boven en ook de draagkracht van de biologische vader en de moeder. De raad adviseert een betere statusvoorlichting, omdat de kinderen een angstig beeld van de biologische vader hebben en het onderwerp “de andere vader” steeds meer beladen raakt. De raad adviseert daarom de plicht tot het geven van statusvoorlichting in de beschikking op te nemen. Een therapeut zou de moeder, de juridisch vader en de biologische vader kunnen helpen om een gezamenlijk verhaal te vormen.

2.6.

Het hof overweegt het volgende

Ingevolge 1:377a lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (BW) ontzegt de rechter het recht op omgang slechts, indien:
a. omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van

het kind, of
b. de ouder of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of
c. het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang

met zijn ouder of degene met wie hij in een nauwe persoonlijke betrekking staat heeft doen blijken, of
d. omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.

2.7.

Het hof stelt voorop dat, voor zover de biologische vader heeft beoogd te stellen dat de deskundige onzorgvuldig heeft gehandeld, hij deze stelling onvoldoende heeft onderbouwd. Het hof ziet dan ook geen aanleiding om het rapport van de deskundige terzijde te leggen en zal de bevindingen van de deskundige in zijn oordeel betrekken. Gelet op de bevindingen van de deskundige acht het hof het vaststellen van een omgangsregeling tussen de biologische vader en de kinderen in strijd met zwaarwegende belangen van de kinderen. Daarbij is voorts het volgende overwogen. Het laatste contact van de biologische vader met de kinderen dateert van [datum] 2010, op de eerste verjaardag van [kind B] ; [kind A] was toen bijna drie jaar oud. In juni 2014 zijn de kinderen door de toenmalige gezinsvoogd geïnformeerd over het bestaan van de biologische vader, omdat de moeder en de juridische vader zich niet in staat voelden om hun eigen negatieve gevoelens en gedachten bij de kinderen weg te houden en op een neutrale manier informatie over de biologische vader te geven. De kinderen waren toen 7,4 en 5,4 jaar oud. De kinderen reageerden met angst en weerstand. Het negatieve beeld dat de kinderen thans ook nog hebben van de biologische vader is hoofdzakelijk gevormd door de moeder en de juridische vader en de kinderen lijken geen ruimte te hebben voor andere, meer positieve beelden. In deze situatie acht het hof het aannemelijk dat gedwongen contact tussen de biologische vader en de kinderen een negatieve weerslag op de ontwikkeling van de kinderen zal hebben. Eerst zal de statusvoorlichting voortgezet moeten worden op een bij de ontwikkeling van de kinderen passende, positieve of tenminste neutrale manier. Voor de kinderen is belangrijk dat dit zal worden gedaan door iemand die veilig voor hen is. Van de biologische vader hebben de kinderen emotionele stabiliteit en inleving in hun positie nodig. De biologische vader heeft echter geen persoonlijke en actuele informatie aan de deskundige verschaft, waardoor er geen zicht is op zijn psychische stabiliteit en op zijn functioneren. Wel blijkt uit de stukken dat hij sinds 2009 kampt met fysiek en psychisch letsel (PTSS) als gevolg van een mishandeling, dat hij een beperkt leervermogen en PDD-NOS heeft, maar welke persoonlijke beperkingen dit veroorzaakt, wilde de biologische vader niet inzichtelijk maken met informatie van derden. Daarnaast is duidelijk dat de gevoelens en gedachten van de biologische vader over de moeder negatief en spanning gevend zijn, waardoor hij nog niet in staat kan worden geacht een duidelijk en neutraal verhaal te vormen en te vertellen terwijl de kinderen het nodig hebben dat de biologische vader het verleden aanvaardt en verwerkt, en enigszins ontspannen communiceert.

De moeder heeft haar eigen negatieve gevoelens en herinneringen nog niet voldoende verwerkt en kan daardoor niet openstaan voor gevoelens en behoeften van de kinderen betreffende de biologische vader als deze afwijken van haar eigen gevoelens en behoeften. De moeder kan (nog) geen duidelijk en neutraal beeld bieden over het contact met de biologische vader en lijkt hiervoor ook niet gemotiveerd. Zij heeft onvoldoende inzicht in het belang van de kinderen en kan niet de benodigde emotionele veiligheid bieden, ook niet samen met de juridische vader. Zolang dat speelt, zullen de kinderen in verwarring zijn, hetgeen schadelijk voor hen is.

Het hof sluit zich aan bij de conclusie van de deskundige dat het wenselijk is dat de biologische vader en de moeder psycho-educatie krijgen over de invloed van trauma op hechtingsrelaties en het risico van intergenerationele overdracht hiervan en daarnaast begeleiding aanvaarden bij het vormen van een neutraal positief verhaal ten behoeve van de statusvoorlichting, alsmede dat de moeder begeleiding krijgt en aanvaardt bij het uitgebreid informeren van de biologische vader over de ontwikkeling en het welzijn van de kinderen op frequente basis. De moeder en de juridische vader hebben zich ter zitting op 24 januari 2019 bereid verklaard zich daarvoor tot een professioneel hulpverlener te wenden (via bijvoorbeeld de huisarts, intern begeleider van school of de psychiatrische hulp die de moeder in verband met haar MS ontvangt). Wellicht ten overvoede adviseert het hof de biologische vader acht te slaan op het advies van de deskundige en daaromtrent te overleggen met zijn begeleiders.

Gelet op al het voorgaande zal geen omgangsregeling worden vastgesteld tussen de biologische vader en de kinderen en zal de bestreden beschikking van de rechtbank worden bekrachtigd.

2.8.

Het hof ziet gelet op de aard van deze procedure geen aanleiding de biologische vader te veroordelen in de kosten van de procedure, zoals door de moeder is verzocht, en zal deze kosten tussen partijen compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

2.9.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

3 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.F.G.H. Beckers, mr. G.W. Brands-Bottema en mr. S.F.M. Wortmann, in tegenwoordigheid van mr. E.L. Baauw als griffier en is op 19 maart 2019 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.