Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:978

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
19-03-2019
Datum publicatie
24-07-2019
Zaaknummer
18/00457 en 18/00458
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2018:6554, Bekrachtiging/bevestiging
Cassatie: ECLI:NL:HR:2019:1501
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting. Uitgaven voor specifieke zorgkosten.

Wetsverwijzingen
Wet inkomstenbelasting 2001 6.17
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 24-07-2019
FutD 2019-2032
V-N Vandaag 2019/1792
V-N 2019/42.1.3
Viditax (FutD), 04-10-2019
NTFR 2019/2130
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Kenmerken 18/00457 en 18/00458

19 maart 2019

uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer

op de hoger beroepen van

[X] , wonende te [Z] , belanghebbende,

tegen de uitspraak in de zaken met kenmerken HAA 17/5636 en HAA 17/5637 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur,

(gemachtigde: H.P.E. Bourne).

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft aan belanghebbende over de jaren 2015 en 2016 aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van respectievelijk € 32.355 en € 33.507.

1.2.

Na tegen de hiervoor onder 1.1 vermelde aanslagen gemaakte bezwaren heeft de inspecteur bij uitspraken op bezwaar, gedagtekend 29 november 2017 en 15 december 2017, de aanslagen verminderd tot aanslagen berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van respectievelijk € 31.997 en € 31.714.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen voormelde uitspraken op bezwaar beroepen ingesteld. Bij uitspraak van 24 juli 2018 heeft de rechtbank de beroepen ongegrond verklaard.

1.4.

De tegen deze uitspraak door belanghebbende ingestelde (in één geschrift vervatte) hoger beroepen zijn bij het Hof ingekomen op 9 augustus 2018, aangevuld bij brief van 3 september 2018. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Beide partijen hebben het Hof toestemming verleend tot het achterwege laten van het onderzoek ter zitting als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) in verbinding met artikel 8:108 van die wet. Hierop heeft het Hof – op de voet van voornoemde artikelen – bepaald het onderzoek ter zitting achterwege te laten en het onderzoek gesloten.

2 Feiten

De rechtbank heeft de volgende feiten vastgesteld (in de uitspraak wordt belanghebbende aangeduid als ‘eiser’ en de inspecteur als ‘verweerder’):

Feiten

2015

1. Op 5 maart 2016 heeft eiser een aangifte IB/PVV 2015 ingediend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 26.966. In de aangifte heeft eiser onder meer een bedrag van € 6.242 in aanmerking genomen als specifieke zorgkosten. Het bedrag is als volgt opgebouwd:

Kosten medicijnen € 255

Uitgaven voor hulpmiddelen € 1.636

Uitgaven voor vervoer ivm ziekte of invaliditeit € 150

Dieetkosten € 1.700

Extra uitgaven voor kleding en beddengoed € 310

Genees- en heelkundige hulp € 832

Reiskosten ziekenbezoek € 285

Drempel uitgaven voor extra gezinshulp € 332

Uitgaven specifieke zorgkosten voor toepassing verhoging € 5.168

Grondslag verhoging specifieke zorgkosten € 4.051

Verhoging specifieke zorgkosten (40%) € 1.621 +

Totaal uitgaven specifieke zorgkosten € 6.789

Drempel uitgaven specifieke zorgkosten € 547 -/-

Totaal aftrekbaar bedrag specifieke zorgkosten € 6.242

2. Op 23 juni 2017 heeft verweerder aan eiser een verzoek om informatie met betrekking tot de aftrek specifieke zorgkosten gestuurd.

3. Eiser heeft hierop gereageerd per brief van 5 juli 2017. In de brief is, voor zover hier van belang, het volgende vermeld:

“Gezien bovenstaande alinea, stel ik het volgende voor en ben ik van mening de documenten niet toe te zenden en dat jullie, zoals altijd, gewoon afwijken van de aangifte en de definitieve aanslag toe te zenden zodat wij gelijk beroep kunnen aantekenen bij de Rechtbank Noord-Holland en dan daar de kopieën toe te zenden, dat scheel enorm veel tijd, geld, (…).”

4. Per brief van 7 juli 2017 heeft verweerder aan eiser zijn voornemen tot afwijken van de aangifte IB/PVV 2015 kenbaar gemaakt. In de brief is, voor zover hier van belang, het volgende vermeld:

“In mijn brief heb ik vragen gesteld over de diverse onderdelen van de specifieke zorgkosten. Omdat u de gevraagde gegevens niet heeft verstrekt, zal ik de aftrek specifieke zorgkosten als volgt vaststellen:

Kosten medicijnen € 0

Uitgaven voor hulpmiddelen € 0

Uitgaven voor vervoer (1) € 150

Dieetkosten (2) € 850

Extra uitgaven kleding en beddengoed € 0

Genees- en heelkundige hulp € 0

Reiskosten ziekenbezoek € 0

Totaal € 1.000

Verhoging 40% € 400

€ 1.400

Af: drempel € 547 -/-

Aftrekbaar € 853

Ad 1: vervoerskosten:

Ik ga akkoord met het door u in de aangifte vermelde bedrag aan vervoerskosten van € 150.

Ad 2: dieetkosten:

In mijn bezit is een dieetbevestiging van 2015 van uw echtgenote. Hierin is voorgeschreven een dieet nummer 8 (COPD) energieverrijkt i.c.m. eiwitverrijkt en nummer 3 (ondervoeding) energieverrijkt i.c.m. eiwitverrijkt.

Op grond van de wettelijke bepaling van artikel 37, lid 3a Uitvoeringsregeling IB 2001 kan eenzelfde dieettypering die meerdere keren in aanmerking zou kunnen komen slechts éénmaal het bedrag behorende bij die dieettypering in aanmerking komen. De aftrek bedraagt dus € 850.”

5. Met dagtekening 28 juli 2017 is aan eiser de onderhavige aanslag IB/PVV 2015 opgelegd, overeenkomstig de voorgenomen afwijking door verweerder.

6. Eiser heeft hiertegen op 5 augustus 2017 bezwaar gemaakt.

7. Per brief van 9 augustus 2017 heeft verweerder eiser een verzoek om informatie gestuurd. Hierop is door eiser gereageerd per e-mail van 19 augustus 2017. Op 22 augustus 2017 heeft verweerder eiser een nader verzoek om aanvullende informatie gestuurd. Hierop heeft eiser per e-mail van 10 september 2017 gereageerd.

8. Per brief van 18 september 2017 heeft verweerder zijn vooraankondiging van de uitspraak op bezwaar gestuurd. In de brief is, voor zover hier van belang, het volgende vermeld:

“Ik ben van mening dat u recht heeft op een aftrek in verband met zorgkosten van € 1.211. Op de bijlage treft u de specificatie van de aftrek aan. (…).

[Bijlage]

Uitgaven voor voorgeschreven medicijnen € 256

Uitgaven voor hulpmiddelen € 0

Uitgaven voor aanpassingen aan een woning € 0

Uitgaven voor andere aanpassingen € 0

Uitgaven voor vervoer van een zieke € 150

Uitgaven voor extra gezinshulp € 0

Uitgaven voor een dieet op doktersvoorschrift € 850

Extra uitgaven voor kleding en beddengoed € 0 +

€ 1.256

Ontvangen vergoeding voor de Specifieke uitgaven (af) € 0 -/-

Subtotaal ‘Specifieke uitgaven’ € 1.256 A

Factor van A € 502 +

Totaal van de ‘Specifieke uitgaven’ € 1.758 B

Overige uitgaven

Genees- en heelkundige hulp € 0

Reiskosten ziekenbezoek € 0 +

Totaal van de ‘Overige uitgaven’

C € 0 +

Totaal van de ziektekosten of andere buitengewone uitgaven € 1.758 D

Drempel E € 547 -/-

Aftrekbedrag (D min E) € 1.211”

9. Op 20 oktober 2017 heeft eiser gereageerd op de vooraankondiging van de uitspraak op bezwaar. Verweerder heeft in reactie daarop op 23 november 2017 een e-mail aan eiser gestuurd.

10. Met dagtekening 29 november 2017 heeft verweerder uitspraak op bezwaar gedaan overeenkomstig de vooraankondiging. Er is gedeeltelijk tegemoet gekomen aan het bezwaarschrift.

2016

11. Op 7 maart 2017 heeft eiser een aangifte IB/PVV 2016 ingediend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 28.947. In de aangifte heeft eiser onder meer een bedrag van € 2.454 in aanmerking genomen als specifieke zorgkosten. Het bedrag is als volgt opgebouwd:

Kosten medicijnen € 261

Uitgaven voor hulpmiddelen € 191

Dieetkosten € 900

Extra uitgaven voor kleding en beddengoed € 300

Genees- en heelkundige hulp € 600

Uitgaven specifieke zorgkosten voor toepassing verhoging € 2.252

Grondslag verhoging specifieke zorgkosten € 1.652

Verhoging specifieke zorgkosten (40%) € 661 +

Totaal uitgaven specifieke zorgkosten € 2.913

Drempel uitgaven specifieke zorgkosten € 459 -/-

Totaal aftrekbaar bedrag specifieke zorgkosten € 2.454

12. Op 24 juni 2017 heeft verweerder aan eiser een verzoek om informatie met betrekking tot de aftrek specifieke zorgkosten gestuurd.

13. Eiser heeft hierop gereageerd per brief van 5 juli 2017 (zie onder 3).

14. Per brief van 12 juli 2017 heeft verweerder aan eiser zijn voornemen tot afwijken van de aangifte IB/PVV 2016 kenbaar gemaakt. In de brief is, voor zover hier van belang, het volgende vermeld:

“Inkomen uit werk en woning (box 1)

Uitkeringen

In de aangifte hebt u € 9.207 aangegeven voor uitkeringen die u hebt ontvangen van het UWV. Uit mijn informatie blijkt dat u een bedrag van € 14.868 aan uitkeringen hebt ontvangen. Omdat voor deze inkomsten een lager bedrag is aangegeven, is het totaal van de inkomsten uit loondienst te laag. Ik ben dan ook van plan op dit punt van de aangifte af te wijken met een bedrag van € 5.661.

Persoonsgebonden aftrek

Specifieke zorgkosten: correctie(s) in uitgaven

Geen aftrek omdat u de gevraagde informatie niet hebt verstrekt. Ik ben dan ook van plan op dit punt van de aangifte af te wijken met € 2.454.

Restant persoonsgebonden aftrek

Er is geen sprake van een restant persoonsgebonden aftrek.

Ik ben dan ook van plan op dit punt van de aangifte af te wijken met een bedrag van € 650.”

15. Met dagtekening 1 september 2017 is aan eiser de onderhavige aanslag IB/PVV 2016 opgelegd, overeenkomstig de voorgenomen afwijking door verweerder.

16. Eiser heeft hiertegen op 2 september 2017 bezwaar gemaakt.

17. Per brief van 20 oktober 2017 heeft verweerder eiser een verzoek om informatie gestuurd. Hierop is door eiser gereageerd per e-mail van 9 november 2017.

18. Per brief van 16 november 2017 heeft verweerder zijn vooraankondiging van de uitspraak op bezwaar gestuurd. In de brief is, voor zover hier van belang, het volgende vermeld:

“Samenvatting van uw bezwaar

U maakt bezwaar tegen de correctie van de inkomsten en de zorgkosten.

(…)

Beoordeling van uw bezwaar

Ik ben van mening dat u recht heeft op een persoonsgebonden aftrek ik verband met ziektekosten van € 1.793. Een specificatie van de aftrek treft u aan op het laatste blad van deze brief.

Inkomsten

Op blad (nog invullen) treft u de rubriek “Pensioen, lijfrente of andere uitkering” aan zoals u uw aangifte heeft gedaan. De uitkering van het UWV heeft u voor een onjuist bedrag in uw aangifte vermeld. De correctie is terecht en juist aangebracht. In uw brief van 2 september 2017 lees ik dat u kennelijk over de juiste gegevens beschikt.

(…)

[Bijlage]

Specificatie ziektekosten of andere buitengewone uitgaven 2016

Uitgaven voor voorgeschreven medicijnen € 261

Uitgaven voor hulpmiddelen € 0

Uitgaven voor aanpassingen aan een woning € 0

Uitgaven voor andere aanpassingen € 0

Uitgaven voor vervoer van een zieke € 50

Uitgaven voor extra gezinshulp € 0

Uitgaven voor een dieet op doktersvoorschrift € 900

Extra uitgaven voor kleding en beddengoed € 0 +

€ 1.211

Ontvangen vergoeding voor de Specifieke uitgaven (af) € 0 -/-

Subtotaal ‘Specifieke uitgaven’ € 1.211 A

Factor van A € 484 +

Totaal van de ‘Specifieke uitgaven’ € 1.695 B

Overige uitgaven

Genees- en heelkundige hulp € 650

Reiskosten ziekenbezoek € 0 +

Totaal van de ‘Overige uitgaven’

C € 650 +

Totaal van de ziektekosten of andere buitengewone uitgaven € 2.345 D

Drempel E € 552 -/-

Aftrekbedrag (D min E) € 1.793”

19. Op 6 december 2017 heeft eiser gereageerd op de vooraankondiging van de uitspraak op bezwaar.

20. Met dagtekening 15 december 2017 heeft verweerder uitspraak op bezwaar gedaan overeenkomstig de vooraankondiging. Er is gedeeltelijk tegemoet gekomen aan het bezwaarschrift.”

Nu de hiervoor vermelde feiten door partijen op zichzelf niet zijn bestreden zal ook het Hof daarvan uitgaan.

3 Geschil in hoger beroep

3.1.

Evenals bij de rechtbank is in hoger beroep in geschil of de aanslagen naar de juiste bedragen zijn opgelegd. Het geschil spitst zich toe op de vraag of, en zo ja in hoeverre, belanghebbende een aftrek toekomt voor uitgaven voor specifieke zorgkosten (genees- en heelkundige hulp).

3.2.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

4 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft met betrekking tot het geschil het volgende overwogen:

Beoordeling van het geschil

26. Met betrekking tot het jaar 2015 zijn de volgende aftrekposten in geschil: kosten voor hulpmiddelen, extra kosten van een op medisch voorschrift gehouden dieet, kosten van extra kleding en beddengoed, kosten voor genees- en heelkundige hulp en kosten voor reizen in verband met het regelmatig bezoeken van wegens ziekte of invaliditeit langer dan een maand verpleegde personen. Met betrekking tot het jaar 2016 zijn de volgende aftrekposten in geschil: kosten voor hulpmiddelen en kosten van extra kleding en beddengoed. De rechtbank zal hierna de verschillende aftrekposten afzonderlijk behandelen.

Aftrek van kosten voor hulpmiddelen (2015 en 2016)

27. Eiser heeft zich voor het jaar 2015 op het standpunt gesteld dat hij recht heeft op aftrek van € 1.636 ter zake van kosten voor hulpmiddelen. Voor het jaar 2016 heeft eiser zich op het standpunt gesteld dat hij recht heeft op aftrek van € 191 ter zake van kosten voor hulpmiddelen. Verweerder heeft deze standpunten bestreden.

28. Op grond van artikel 6.17, eerste lid, aanhef en onderdeel d, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001), komen uitgaven voor andere hulpmiddelen, voor zover deze hulpmiddelen van een zodanige aard zijn dat zij hoofdzakelijk door zieke of invalide personen wordt gebruikt, voor aftrek in aanmerking. Op eiser rust, bij betwisting door verweerder, de bewijslast dit aannemelijk te maken.

29. Eiser heeft voor het jaar 2015 de kosten van een door hem aangeschaft bed in aftrek gebracht. Eiser heeft aangevoerd dat hij en zijn echtgenote dit bed in de woonkamer gebruiken wanneer zij na een operatie thuis moeten revalideren. De rechtbank is van oordeel dat, hoewel zij de noodzaak van het bed aanneemt, de aanschafkosten niet voor aftrek in aanmerking komen. Eiser heeft, tegenover de gemotiveerde betwisting door verweerder, niet aannemelijk gemaakt dat het bed een bijzondere hoedanigheid heeft en als zodanig hoofdzakelijk door zieke of invalide personen wordt gebruikt, zodat het bed niet als hulpmiddel kan worden aangemerkt en de aanschafkosten niet voor aftrek in aanmerking komen. Voor het jaar 2015 heeft eiser voorts de kosten van de verzekering van zijn snorscooter in aftrek gebracht. Ook met betrekking tot deze aftrekpost is de rechtbank van oordeel dat eiser, tegenover de gemotiveerde betwisting door verweerder, niet aannemelijk heeft gemaakt dat een snorscooter hoofdzakelijk door zieke of invalide personen wordt gebruikt, zodat de snorscooter niet als hulpmiddel kan worden aangemerkt en de verzekeringskosten niet voor aftrek in aanmerking komen.

30. Eiser heeft voor het jaar 2016 de kosten van een door de buurt aangeschaft AED apparaat, waaraan eiser voor een bedrag van € 35 heeft bijgedragen, in aftrek gebracht. De rechtbank is van oordeel dat een AED apparaat niet als hulpmiddel kan worden aangemerkt. Een AED is een apparaat dat het hartritme weer kan herstellen bij een hartstilstand. Dit gebeurt door het geven van een elektrische schok. Weliswaar wordt het apparaat gebruikt in geval van ziekte, namelijk bij een hartstilstand, maar niet aannemelijk is dat de uitgave verband houdt met ziekte van eiser of zijn echtgenote.

31. Eiser heeft voor het jaar 2016 eveneens de kosten van aangeschafte contactlenzen en een bril in aftrek gebracht. Op grond van artikel 6.17, tweede lid, aanhef en ten eerste, van de Wet IB 2001, worden contactlenzen en brillen niet als hulpmiddel in de zin van artikel 6.17, eerste lid, aanhef en onderdeel d, van de Wet IB aangemerkt. Eiser heeft met betrekking tot de bril een beroep gedaan op de uitspraak van de rechtbank van 28 februari 2018 (nrs. 17/2989 tot en met 17/2991, ECLI:NL:RBNHO:2018:2329). De rechtbank is van oordeel dat het beroep hierop faalt. In dat specifieke geval had de bril niet de functie van ondersteuning van het gezichtsvermogen zoals is opgenomen in artikel 6.17, tweede lid, van de Wet IB 2001. In het onderhavige geval heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat de contactlenzen en de bril een andere functie hebben dan ter ondersteuning van het gezichtsvermogen. Dat de bril op medisch voorschrift van een arts is verstrekt brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. De rechtbank komt tot de conclusie dat verweerder de aftrek van kosten voor hulpmiddelen terecht heeft gecorrigeerd.

Aftrek van extra kosten van een op medisch voorschrift gehouden dieet (2015)

32. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat hij recht heeft op aftrek van, in totaal, € 1.700 voor extra kosten van een op medisch voorschrift gehouden dieet. Verweerder heeft bij de uitspraak op bezwaar een bedrag van € 850 in aftrek toegelaten en stelt zich op het standpunt dat eiser geen recht heeft op een hogere aftrek.

33. Op grond van artikel 6.17, eerste lid, onderdeel f, van de Wet IB 2001, juncto artikel 37, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 (hierna: de Uitvoeringsregeling), voor zover hier van belang, worden de extra kosten van een op voorschrift van een arts of diëtist gehouden dieet bepaald aan de hand van de in artikel 37 van de Uitvoeringsregeling opgenomen tabel. Verweerder heeft een kostenaftrek van één dieet, € 850, toegestaan. Eiser stelt dat zijn echtgenote twee diëten volgde, voor COPD en ondervoeding, en zodoende recht heeft op twee keer de kostenaftrek, zijnde (2 x € 850 =) € 1.700.

34. De rechtbank volgt eiser daarin niet en overweegt daartoe het volgende. Artikel 37, derde lid en onderdeel a, van de Uitvoeringsregeling bepaalt dat voor de toepassing van het eerste lid geldt dat voor eenzelfde dieettypering die meerdere keren in aanmerking zou komen, éénmaal het bedrag in aftrek kan worden gebracht behorende bij die dieettypering. Een dieettypering is blijkens de onder het eerste lid van artikel 37 van de Uitvoeringsregeling opgenomen tabel het dieet bij het ziektebeeld en de aandoening. Uit de tabel volgt dat het dieet (de dieettypering) ‘energieverrijkt in combinatie met eiwitverrijkt’ van toepassing is bij de aandoeningen COPD en bij ondervoeding. Gelet hierop heeft eiser recht op éénmaal het bedrag dat in aftrek kan worden gebracht behorende bij die dieettypering, zijnde een bedrag van € 850. Verweerder heeft de aftrek van extra kosten van een op medisch voorschrift gehouden dieet terecht gecorrigeerd.

Aftrek van kosten voor extra kleding en beddengoed (2015 en 2016)

35. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat hij voor het jaar 2015 recht heeft op aftrek van € 310 en voor het jaar 2016 recht heeft op aftrek van € 300, ter zake van kosten voor extra uitgaven voor kleding en beddengoed. Verweerder heeft deze standpunten bestreden.

36. Op grond van artikel 6.17, eerste lid, onderdeel g, van de Wet IB 2001 juncto artikel 38, eerste lid, onderdelen a en b, van de Uitvoeringsregeling, voor zover hier van belang, worden uitgaven voor extra kleding en beddengoed in aanmerking genomen voor een bedrag van € 310 indien de genoemde uitgaven voortvloeien uit ziekte of invaliditeit van een persoon die tot het huishouden van de belastingplichtige behoort en de ziekte of invaliditeit ten minste een jaar heeft geduurd of vermoedelijk zal duren. Op eiser rust, bij betwisting door verweerder, de bewijslast dit aannemelijk te maken.

37. Eiser heeft aangevoerd dat hij bijna een jaar op bed heeft gelegen als gevolg van de vele operaties die hij heeft moeten ondergaan vanwege zijn reumatische artrose. Daardoor heeft hij extra kosten moeten maken voor onder meer hoeslakens en dekbedovertrekken. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser met deze stellingen niet aannemelijk gemaakt dat hij extra kosten voor kleding en beddengoed heeft moeten maken. De enkele omstandigheid dat eiser gedurende lange tijd op bed heeft gelegen acht de rechtbank daartoe onvoldoende. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat eiser niet met stukken heeft kunnen onderbouwen dat hij in dat opzicht extra uitgaven heeft moeten doen. Zoals eiser zelf ter zitting heeft toegelicht is alleen een enkele betaling terug te vinden op de door hem overgelegde bankafschriften, maar beschikt hij niet over de bonnen van de gedane uitgaven. Gelet op dit een en ander heeft verweerder de aftrek van kosten voor extra kleding en beddengoed terecht gecorrigeerd.

Aftrek van kosten voor genees- en heelkundige hulp (2015)

38. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat hij recht heeft op aftrek van € 832 ter zake van kosten voor genees- en heelkundige hulp. Verweerder heeft dit standpunt bestreden.

39. Op grond van artikel 6.17, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet IB 2001, komen uitgaven voor genees- en heelkundige hulp, met uitzondering van ooglaserbehandelingen ter vervanging van bril of contactlenzen, voor aftrek in aanmerking. Uitgaven die ten laste komen van een verplicht of overeengekomen (vrijwillig) eigen risico komen niet voor aftrek in aanmerking (artikel 6.18, eerste lid, aanhef en onderdeel f, Wet IB 2001). Op eiser rust, gelet op de betwisting door verweerder, de bewijslast dit aannemelijk te maken.

40. Eiser heeft aangevoerd dat hij heeft betaald voor behandelingen bij een fysiotherapeut. Ter onderbouwing hiervan heeft hij een overzicht van de behandelingen overgelegd alsmede de polisvoorwaarden van zijn aanvullende zorgverzekering. Uit de polisvoorwaarden volgt dat de zorgverzekering 20 behandelingen vergoed en dat eiser zelf 20 behandelingen dient te vergoeden uit hoofde van het eigen risico. Dat betekent dat de eerste 40 behandelingen niet voor aftrek in aanmerking komen op grond van het hiervoor vermelde wetsartikel. Dat eiser of zijn echtgenote meer dan 40 behandelingen heeft gehad is niet aannemelijk geworden. Op de door eiser overgelegde overzichten van de behandelingen staan minder dan 40 behandelingen vermeld. Verweerder heeft de aftrek van kosten voor genees- en heelkundige hulp terecht gecorrigeerd.

Aftrek van kosten voor reizen in verband met het regelmatig bezoeken van zieke personen (2015)

41. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat hij recht heeft op aftrek van € 285 ter zake van kosten voor reizen in verband met het regelmatig bezoeken van wegens ziekte of invaliditeit langer dan een maand verpleegde personen. Verweerder heeft dit standpunt bestreden.

42. Op grond van artikel 6.17, eerste lid, aanhef en onderdeel h, van de Wet IB 2001, komen uitgaven voor reizen in verband met het regelmatig bezoeken van wegens ziekte of invaliditeit langer dan een maand verpleegde personen met wie de bezoeker bij aanvang van de ziekte of invaliditeit een gezamenlijke huishouding voerde, indien de afstand tussen de woning of verblijfplaats van de bezoeker en de plaats waar de verpleging plaatsvindt, gemeten langs de meest gebruikelijke weg meer beloopt dan 10 kilometer, voor aftrek in aanmerking. Op eiser rust, bij betwisting door verweerder, de bewijslast dit aannemelijk te maken.

43. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat hij en zijn echtgenote samen naar afspraken in het ziekenhuis gingen en dat met de overgelegde afsprakenkaarten aannemelijk is gemaakt dat de kosten door zijn echtgenote, als bezoeker, zijn gemaakt. Verweerder heeft hier tegenin gebracht dat aan eiser zelf reeds aftrek van kosten is toegekend op basis van de afsprakenkaarten en dat daarin alle vervoerskosten ten aanzien van zowel eiser zelf als van zijn echtgenote zijn verdisconteerd.

44. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de gemotiveerde betwisting door verweerder, eiser niet inzichtelijk heeft gemaakt dat meer kosten zijn gemaakt dan waarvoor reeds aftrek is verleend. Eiser heeft niet aan zijn bewijslast voldaan zodat verweerder de aftrek van kosten voor reizen in verband met het regelmatig bezoeken van zieke personen terecht heeft gecorrigeerd.

Slotsom

45. Gelet op het vorenoverwogene dienen de beroepen ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

46. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.”

5 Beoordeling van het hoger beroep

Aftrek van kosten voor hulpmiddelen (2015 en 2016)

5.1.

Belanghebbende stelt ook in hoger beroep dat hij voor het jaar 2015 recht heeft op aftrek van € 1.636 ter zake van kosten voor hulpmiddelen (aanschaf bed en verzekering snorscooter). Voor het jaar 2016 stelt belanghebbende dat hij recht heeft op aftrek van € 191 ter zake van kosten voor hulpmiddelen (aanschaf AED apparaat, contactlenzen en bril).

5.2.

Voor wat betreft voornoemde geschilpunten is het Hof van oordeel dat de rechtbank in rechtsoverwegingen 28 tot en met 31 op goede gronden een juiste beslissing heeft genomen. Het Hof neemt de gronden van de rechtbank derhalve over en maakt die tot de zijne. Hetgeen belanghebbende in hoger beroep naar voren heeft gebracht werpt geen nieuw of ander licht op de zaak.

Aftrek van extra kosten van een op medisch voorschrift gehouden dieet (2015)

5.3.

Belanghebbende stelt ook in hoger beroep dat hij recht heeft op aftrek van, in totaal,

€ 1.700 voor extra kosten van een op medisch voorschrift gehouden dieet. De inspecteur heeft in zijn optiek ten onrechte slechts € 850 in aftrek toegelaten.

5.4.

Voor wat betreft voornoemd geschilpunt is het Hof van oordeel dat de rechtbank in rechtsoverwegingen 33 en 34 op goede gronden een juiste beslissing heeft genomen. Het Hof neemt de gronden van de rechtbank derhalve over en maakt die tot de zijne. Hetgeen belanghebbende in hoger beroep naar voren heeft gebracht werpt geen nieuw of ander licht op de zaak.

Aftrek van kosten voor extra kleding en beddengoed (2015 en 2016)

5.5.

Belanghebbende stelt (ook in hoger beroep) dat hij voor het jaar 2015 recht heeft op aftrek van € 310 en voor het jaar 2016 recht heeft op aftrek van € 300, ter zake van kosten voor extra uitgaven voor kleding en beddengoed.

5.6.

Voor wat betreft de gestelde aftrekpost voor kosten voor extra kleding en beddengoed is het Hof van oordeel dat de rechtbank in rechtsoverwegingen 36 en 37 op goede gronden een juiste beslissing heeft genomen. Het Hof neemt de gronden van de rechtbank derhalve over en maakt die tot de zijne. Ter aanvulling overweegt het Hof dat belanghebbende ook ter zake van de door hem gestelde aanschaf van ‘huispakken’ niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij extra kosten voor kleding en beddengoed heeft moeten maken in de voorliggende jaren. Hierbij neemt het Hof, gelijk de rechtbank heeft gedaan, in aanmerking dat belanghebbende niet met stukken of anderszins heeft kunnen onderbouwen dat hij in dat opzicht extra uitgaven heeft moeten doen. De door belanghebbende gestelde omstandigheid dat zijn echtgenote geen bon vraagt of niet pint wanneer dat wel had gemoeten baat hem niet; zulks ligt in belanghebbendes risicosfeer. Hetgeen overigens door belanghebbende in hoger beroep naar voren is gebracht werpt geen nieuw of ander licht op de zaak.

Aftrek van kosten voor genees- en heelkundige hulp (2015)

5.7.

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat hij recht heeft op aftrek van € 832 ter zake van kosten voor genees- en heelkundige hulp (ter zake behandelingen bij een fysiotherapeut).

5.8.

Voor wat betreft de gestelde aftrekpost voor kosten voor de fysiotherapeut is het Hof van oordeel dat de rechtbank in rechtsoverwegingen 39 en 40 op goede gronden een juiste beslissing heeft genomen. Het Hof neemt de gronden van de rechtbank derhalve over en maakt die tot de zijne. Hetgeen belanghebbende in hoger beroep naar voren heeft gebracht werpt geen nieuw of ander licht op de zaak.

Aftrek van kosten voor reizen in verband met het regelmatig bezoeken van zieke personen (2015)

5.9.

Belanghebbende stelt dat hij recht heeft op aftrek van € 285 ter zake van kosten voor reizen in verband met het regelmatig bezoeken van wegens ziekte of invaliditeit langer dan een maand verpleegde personen.

5.10.

Voor wat betreft voornoemde gestelde aftrekpost is het Hof van oordeel dat de rechtbank in rechtsoverwegingen 42 tot en met 44 op goede gronden een juiste beslissing heeft genomen. Het Hof neemt de gronden van de rechtbank derhalve over en maakt die tot de zijne. Voorts merkt het Hof op dat, zo er al kosten zouden zijn, ook niet aannemelijk is geworden dat sprake is van het regelmatig bezoeken “van wegens ziekte of invaliditeit langer dan een maand (cursivering Hof) verpleegde personen”. Hetgeen belanghebbende in hoger beroep naar voren heeft gebracht werpt geen nieuw of ander licht op de zaak.

De slotsom

5.11.

De slotsom is dat de hoger beroepen van belanghebbende niet slagen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd dient te worden.

6 Kosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een kostenveroordeling op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

7 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is gedaan door mrs. M.J. Leijdekker, voorzitter, B.A. van Brummelen en N. Djebali, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. M.H. Hogendoorn als griffier. De beslissing is op 19 maart 2019 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.