Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:976

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
19-03-2019
Datum publicatie
26-03-2019
Zaaknummer
200.222.029/01
Formele relaties
Na verwijzing door: ECLI:NL:HR:2016:2047
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHDHA:2014:2807
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Erfrecht. Verwijzing. Was erflater ten tijde van de totstandkoming van het testament dementerend? Bewijsopdracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JERF 2019/105
FJR 2020/21.4
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

arrest

___________________________________________________________________ _ _

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

zaaknummer : 200.222.029/01

arrest van de meervoudige familiekamer van 19 maart 2019

inzake

[appellante] ,

wonende te [woonplaats a] ,

APPELLANTE in principaal appel,

GEÏNTIMEERDE in incidenteel appel,

advocaat: mr. P.S. Kamminga te Den Haag,

tegen:

1. [geintimeerde sub 1] ,

wonende te [woonplaats b] ;

2. [geintimeerde sub 2] ,

wonende te [woonplaats a] ;

3. [geintimeerde sub 3] ,

wonende te [woonplaats a] ,

GEÏNTIMEERDEN in principaal appel,

APPELLANTEN in incidenteel appel,

advocaat: mr. T.J. Fluitman te Naaldwijk.

1 Het geding na verwijzing door de Hoge Raad

De partijen worden hierna (ook) [appellante] en [geintimeerden] genoemd.

Bij arrest van 9 september 2016 heeft de Hoge Raad onder zaaknummer 15 / 01321 het in deze zaak tussen [appellante] en [geintimeerden] gewezen arrest van het Gerechtshof Den Haag van 24 juni 2014 (zaaknummer 200.095.685) vernietigd en het geding ter verdere behandeling en beslissing verwezen naar dit hof. Bij exploot van 11 augustus 2017 hebben [geintimeerden] [appellante] opgeroepen om voort te procederen voor dit hof.

Voor het verloop van de procedure tot het arrest van de Hoge Raad van 9 september 2016 verwijst het hof naar rechtsoverwegingen 1 en 2 van dat arrest.

[geintimeerden] hebben een memorie na verwijzing genomen, waarin zij hebben geconcludeerd - verkort weergegeven - dat het hof, zo mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het vonnis van de rechtbank vernietigt en, opnieuw rechtdoende met inachtneming van de uitspraak van de Hoge Raad opnieuw beslist op het petitum zoals is verwoord in de memorie van antwoord zijdens [geintimeerden] , onder meer door alsnog de primaire vordering toe te wijzen c.q. het testament van erflater, bij akte verleden op 23 mei 2008 ten overstaan van notaris mr. K.J. van den Dool, te vernietigen, althans nietig te verklaren, met veroordeling van [appellante] in de kosten van het geding in eerste aanleg en in hoger beroep. [geintimeerden] hebben voorts hun in de procedure vóór verwijzing gedane bewijsaanbod herhaald en aangepast.

[appellante] heeft een memorie van na cassatie en verwijzing genomen. Hierin heeft zij geconcludeerd tot beslissing als reeds is geschied door het hof Den Haag bij arrest van 24 juni 2014 onder verbetering en aanvulling van gronden, met veroordeling van [geintimeerden] in de kosten in aanvullende zin na verwijzing.

[geintimeerden] hebben een akte na verwijzing genomen.

[appellante] heeft een antwoordakte na verwijzing genomen.

Ten slotte is arrest gevraagd.

2 Feiten

2.1.

Het hof zal uitgaan van de feiten die de Hoge Raad in zijn arrest van 9 september 2016 onder 3.1 (i) tot en met 3.1 (ix) heeft vermeld, waarvan de juistheid tussen partijen niet in geschil is.

2.2.

Op 28 juli 2008 is overleden [erflater] (hierna: erflater), geboren [in] 1930. Ten tijde van zijn overlijden was erflater weduwnaar en had hij drie dochters, te weten [geintimeerden] .

2.3.

Erflater was tandarts. Tot aan zijn overlijden woonde hij zelfstandig in een aan hem toebehorende woning te [plaats] . Hij oefende in de aan zijn woning grenzende praktijkruimte de tandartspraktijk uit.

2.4.

[appellante] , geboren [in] 1951 en gehuwd met [Y] , heeft in de jaren 1970-1980 als tandartsassistent in de praktijk van erflater gewerkt. Vanaf 2001 is zij weer in de praktijk komen werken.

2.5.

Erflater heeft in een op 23 mei 2008 ten overstaan van notaris mr. K.J. van den Dool verleden akte (hierna: het testament) zijn eerdere wilsbeschikkingen gedeeltelijk herroepen, [appellante] tot zijn enige erfgenaam benoemd en de dochters als verwachters van [appellante] , en aan de dochters een geldbedrag gelegateerd.

2.6.

Op 22 juli 2008 is erflater opgenomen in het ziekenhuis Reinier de Graaf groep, locatie Reinier de Graaf Gasthuis, alwaar hij in aanwezigheid van de dochters is overleden.

2.7.

In het ziekenhuisverslag is onder meer opgenomen:

“(…)

23/7/’08:

Al jaren cardiale klachten. (…)

(…)

CT-schedel: forse atrofie van het brein, geen bloeding of (voorlopig verslag) infarct.

(…)

Tijdens gesprek patiënt: weet niet waarom opgenomen – gaf aan dat hij van dochters moest, maar geen klachten had. Later zij hij dat hij door benauwdheid hier op de afdeling is gekomen. Laatste tijd slecht gegeten en gedronken. Kookt zelf niet, nooit. Loopt de laatste tijd slechter. Merkt zelf wel verward is geweest. Er is volgens hem nu niets aan de hand. Heeft ernstig façade gedrag + confabuleert over bijna alles. Heeft goed contact volgens hem met dochters, regelmatig contact. Vindt dit prettig. Wordt verzorgd door [Y] . Geeft aan dat zij geen liefdesrelatie hebben maar dat zij assistente is en een goede vriendin.

(…)”

2.8.

In een brief van dr. H.J. Gilhuis, neuroloog, van 28 augustus 2008 aan de huisarts van erflater is onder meer het volgende opgenomen:

“(…)

Bovengenoemde patiënt werd op 23-7-2008 op de CCU van de Reinier de Graaf Groep, locatie [plaats] gezien i.v.m. cognitieve functiestoornissen.

(…)

Conclusie: Multi-infarct dementie bij gegeneraliseerd vaatlijden en atriumfibrilleren.

Bespreking: (…) Gezien de ernst van de afwijkingen bij neurologisch onderzoek en op de ct scan cerebrum, zijn de afwijkingen minstens 2-3 jaar aanwezig.

(…)”

2.9.

In een brief van dr. H.J. Gilhuis van 8 oktober 2008 aan de advocaat van de dochters is onder meer het volgende opgenomen:

“(…)

Antwoord vraag 1:

Compos mentis betekent helder. Patiënt was helder, doch dementieel. Zoals reeds in ons schrijven staat aangegeven kan er gezien de anamnese en afwijking bij aanvullend onderzoek er vanuit gegaan worden dat deze afwijkingen al enige jaren bestonden. Gezien de ernst van de geheugenstoornissen, het gebrek aan ziekte inzicht, het gebrek aan oordelingsvermogen, het gebrek aan visueel-spatieel inzicht, allemaal passend bij een matig dementieel syndroom, kom ik tot de conclusie dat patiënt niet handelingsbekwaam was begin 2008.

(…)”

2.10.

In een brief van mrs. K.J. van de Dool en Th.J.H. Dröge van 28 mei 2009 aan de advocaat van [appellante] is onder meer opgenomen:

“(…)

In totaal zijn er met [erflater] drie besprekingen bij ons op kantoor gevoerd.

Deze besprekingen zijn gedaan in aanwezigheid van een kandidaat-notaris, maar overigens zonder aanwezigheid van anderen.

(…)

De eerste bespreking werd gevoerd door de heer Dröge, de beide andere besprekingen door de heer Van den Dool. Dat de heer Dröge niet alle gesprekken heeft gevoerd is gelegen in het feit dat hij [erflater] via de plaatselijke Rotary ook in de persoonlijke sfeer goed kende en ook zelf maar de schijn van professioneel onvoldoende afstand of onafhankelijkheid wilde voorkomen.

(…)

De persoon, zijn situatie, motieven en inhoudelijke wensen voor het testament waren voor ons reden om de grootst mogelijke zorgvuldigheid te betrachten bij het maken van het nieuwe testament. Dit heeft, naast het voorgaande, met name vorm gekregen in het tegen het “doorzagen” aan door te spreken en te vragen op deze punten. In alle gesprekken toonde [erflater] een consistente gedragslijn in zijn antwoorden en reacties. Verder gaf hij in zijn antwoorden en reacties er blijk van de gevolgen van het nieuwe testament te overzien en te doorzien.

Samenvattend kunnen wij stellen en bevestigen dat in onze waarneming [erflater] zijn verklaringen zoals juridisch vastgelegd in het nieuwe testament heeft gewild. Er zijn ons in de gesprekken geen feiten of aanwijzingen gebleken waaruit een discrepantie tussen de (uiterste) wil en de verklaring zou kunnen worden afgeleid.

(…)”

3 Het geschil in hoger beroep na verwijzing

3.1.

[geintimeerden] hebben in eerste aanleg - na wijziging van eis - gevorderd:

(i) Primair: de nietigverklaring dan wel vernietiging van het testament van erflater van 23 mei 2008 (hierna: het testament);

Subsidiair: te verklaren voor recht dat [appellante] aan het testament van erflater van 23 mei 2008 geen rechten kan ontlenen, alsmede te verklaren voor recht dat gelding heeft, en ten gevolge daarvan dient te worden uitgevoerd, het testament van erflater van 15 maart 2006;

Meer subsidiair:

(a) te verklaren voor recht dat de uitvoering van het testament naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is;

(b) te verklaren voor recht dat [appellante] naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid een ongewijzigde uitvoering van het testament niet mag verwachten;

(c) de gevolgen van het testament te wijzigen in die zin dat aan [appellante] slechts toekomt 5% van de waarde van hetgeen [appellante] op grond van het testament als enig erfgenaam zou toekomen, althans een zodanig percentage in goede justitie door het hof te bepalen;

(ii) [appellante] te veroordelen om aan [geintimeerden] inzage te verschaffen, zoveel als mogelijk middels verificatoire bescheiden, in de totale omvang van de door haar van erflater ontvangen giften/schenkingen, zowel ten aanzien van de aard als van de waarden van deze giften/schenkingen, door haar van erflater ontvangen sedert 1 augustus 2003.

Dit zowel wat betreft de “directe” giften in de vorm van door [appellante] zelf ontvangen gelden en door [appellante] zelf ontvangen zaken, als wat betreft de “indirecte” giften in de vorm van door erflater ten behoeve van [appellante] aan derden gedane betalingen;

(iii) [appellante] te veroordelen, zoveel als mogelijk middels verificatoire bescheiden, aan [geintimeerden] volledige rekening en verantwoording af te leggen over de periode dat zij als enig erfgenaam en executeur de nalatenschap van erflater heeft beheerd;

(iv) Te bepalen dat [appellante] vanaf de dag van betekening van het vonnis een aan [geintimeerden] te betalen dwangsom verbeurt van € 1.000,00 voor ieder dag of gedeelte daarvan dat [appellante] in gebreke blijft aan het onder ii of iii gevorderde te voldoen, dit met een maximum van € 500.000,00;

( v) [appellante] te veroordelen in de kosten van deze procedure, waaronder de kosten van gehoorde getuigen, van de gelegde conservatoire beslagen, alsmede in de feitelijke kosten van de door [geintimeerden] ingeschakelde derden en deskundigen, een en ander op te maken bij staat.

3.2.

[appellante] heeft de vorderingen in conventie bestreden. In reconventie heeft zij gevorderd, op voorwaarde dat de vordering in conventie wordt afgewezen, na wijziging van eis en zakelijk weergegeven, dat de rechtbank:

(i) verklaart voor recht dat [geintimeerden] aansprakelijk zijn voor de waardevermindering van de woning/praktijk en de aandelen gedurende de periode van de beslagen, met verwijzing naar de schadestaatprocedure;

(ii) [geintimeerden] veroordeelt in de proceskosten.

3.3.

[geintimeerden] hebben verweer gevoerd tegen de voorwaardelijke vordering in reconventie.

3.4.

De rechtbank Den Haag heeft bij vonnis van 8 juni 2011 met zaaknummer 328404 / HA ZA 09-201 de primaire vordering in conventie afgewezen maar de subsidiaire vordering toegewezen en voor recht verklaard dat [appellante] naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid geen rechten kan ontlenen aan de uiterste wilsbeschikking die [erflater] in zijn testament van 23 mei 2008 heeft gemaakt, alsmede [appellante] veroordeeld in de proceskosten, inclusief de kosten van beslag. De overige vorderingen in conventie heeft de rechtbank afgewezen. Voorts heeft de rechtbank verstaan dat aan de voorwaarde waaronder de reconventionele vordering is ingesteld niet is voldaan.

3.5.

[appellante] is van dit vonnis in hoger beroep gekomen. Zij vordert vernietiging van dit vonnis en, opnieuw rechtdoende, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de voorwaardelijke vorderingen van [appellante] alsnog toe te wijzen, zo nodig onder aanvulling/wijziging van (rechts-)gronden, dit met veroordeling van [geintimeerden] in de kosten van de procedure in beide instanties, met veroordeling van [geintimeerden] tot vergoeding van de wettelijke rente over die proceskosten indien deze niet binnen 14 dagen na veroordeling daartoe zijn voldaan.

3.6.

[geintimeerden] concluderen de vorderingen in het principaal appel niet-ontvankelijk te verklaren dan wel af te wijzen met bekrachtiging van het vonnis van de rechtbank van 8 juni 2011. In voorwaardelijk incidenteel appel vorderen [geintimeerden] gelijk zij in eerste aanleg hebben gedaan, voor het geval het hof het vonnis van de rechtbank van 8 juni 2011 vernietigt voor zover dit betreft de verklaring voor recht dat [appellante] naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid geen rechten kan ontlenen aan de uiterste wilsbeschikking die [erflater] in zijn testament van 23 mei 2008 heeft gemaakt, met dien verstande dat [appellante] veroordeeld dient te worden in de kosten van de procedure in beide instanties, daaronder begrepen de kosten van de gehoorde getuigen, van de gelegde (conservatoire) beslagen, alsmede de wettelijke rente over de proceskosten vanaf 14 dagen nadat deze door [appellante] aan [geintimeerden] verschuldigd zijn.

3.7.

Beide partijen hebben zowel in eerste aanleg als in hoger beroep een bewijsaanbod gedaan.

3.8.

Het hof Den Haag heeft bij arrest van 24 juni 2014 het bestreden vonnis vernietigd en, opnieuw rechtdoende, uitvoerbaar bij voorraad, [geintimeerden] bevolen om binnen 14 dagen na datum van het arrest over te gaan tot opheffing van het conservatoire beslag dat zij hebben gelegd op de aandelenportefeuille van erflater alsmede met betrekking tot het woonhuis/praktijkpand van erflater te [plaats] , onder veroordeling van [geintimeerden] in de proceskosten in beide instanties.

Het hof Den Haag heeft daartoe, samengevat, het volgende overwogen. Niet is gebleken van wilsonbekwaamheid van erflater bij het maken van het testament. Het moet er derhalve voor worden gehouden dat het testament de wil van een wilsbekwame erflater weergeeft. De benoeming van [appellante] tot bezwaarde erfgename is dan ook rechtsgeldig en [geintimeerden] en kleinkinderen zijn legatarissen. De visie van de rechtbank dat de erfstelling buiten toepassing moet worden gelaten vanwege de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid vindt geen steun in het recht. Tot slot heeft het hof Den Haag het voorwaardelijk incidenteel appel van [geintimeerden] afgewezen, aangezien [geintimeerden] in hoger beroep ter toelichting op hun voorwaardelijke grieven 1 tot en met 6 slechts hebben verwezen naar hetgeen zij in eerste aanleg hebben gesteld en geen nieuwe feiten en omstandigheden hebben gesteld of aangegeven op grond waarvan de rechtbank tot een onjuiste conclusie is gekomen en niet zoals zou moeten exact geformuleerd waartegen hun bezwaren zich richten.

3.9.

[geintimeerden] hebben tegen het arrest van het hof Den Haag van 24 juni 2014 beroep in cassatie ingesteld. [appellante] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

3.10.

De Hoge Raad heeft in het arrest van 9 september 2016 geoordeeld dat de onderdelen 2.1.1, 2.1.2, 2.3 en 2.4 niet tot cassatie kunnen leiden, welk oordeel gelet op artikel 81 lid 1 RO geen nadere motivering behoeft. Voorts heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de klachten van de onderdelen 2.1.4 en 2.2.2, die beide betrekking hebben op het passeren door het hof Den Haag van het bewijsaanbod van [geintimeerden] , doel treffen en dat de overige klachten van het middel geen behandeling behoeven.

3.11.

Zoals hiervoor weergegeven concluderen [geintimeerden] bij memorie na verwijzing – kort weergegeven – tot vernietiging van het bestreden vonnis en tot het opnieuw beslissen op het petitum zoals verwoord in de memorie van antwoord van de zijde van [geintimeerden] . Zij voeren daartoe – samengevat – het volgende aan. Na verwijzing ligt allereerst voor de primaire vordering tot nietigverklaring van het testament. [geintimeerden] stellen dat dit nietig is omdat erflater op het moment dat het is gepasseerd niet meer in staat was zijn wil te bepalen. De Hoge Raad heeft in dat kader geoordeeld dat [geintimeerden] door overlegging van de medische verklaringen aan hun stelplicht hebben voldaan en dat zij een voldoende gespecificeerd en ter zake dienend bewijsaanbod hebben gedaan. Het hof dient derhalve te beoordelen of [appellante] – in het licht van hetgeen [geintimeerden] hebben gesteld – dit voldoende heeft betwist, en, in het bevestigende geval, [geintimeerden] conform haar bewijsaanbod een bewijsopdracht te geven. In dat kader wensen [geintimeerden] , naast het overleggen van schriftelijke stukken, onder meer doch niet uitsluitend de nader in de memorie na verwijzing onder 23 genoemde getuigen voor te dragen.

3.12.

[appellante] voert het volgende verweer. De grieven van [geintimeerden] in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep liggen als zodanig niet meer ter beoordeling voor, aangezien deze zijn afgedaan met rov. 22 van het arrest van het Hof Den Haag en de verwerping door de Hoge Raad van de klachten voor zover daartegen gericht. De inhoudelijke bezwaren die met de grieven aan de orde zijn gesteld zijn daarmee afgedaan en als verworpen aan te merken. Na verwijzing rest derhalve alleen ter beoordeling de vraag of gevolg gegeven zou moeten worden aan de grief voor zover gericht tegen het passeren van het bewijsaanbod van [geintimeerden] in eerste aanleg dat erflater dementerend was ten gevolge waarvan hij niet meer tot vrije wilsvorming in staat was. [appellante] meent dat het bewijsaanbod van [geintimeerden] , niet voldoende specifiek en ter zake dienend is, ook gelet op het summiere bewijsaanbod zoals nader geformuleerd in de memorie na verwijzing van [geintimeerden] onder 23. Ook betoogt [appellante] dat aan het bewijsaanbod zoals dat is gedaan bij memorie na verwijzing geen gevolg dient te worden gegeven nu het niet kan dienen tot beslissing van de zaak dan wel in strijd is met de goede procesorde.

[appellante] voert verder aan dat, voor zover het bewijsaanbod dat [geintimeerden] heeft gedaan bij memorie na verwijzing strekt tot het alsnog overleggen van schriftelijke stukken, dit in strijd is met de goede procesorde. [appellante] is voorts van mening dat de suggestie ‘onder meer maar niet uitsluitend bepaalde met name genoemde getuigen voor te dragen’ onvoldoende specifiek is en bovendien dat de genoemde getuigen die [geintimeerden] zou willen horen niets ter zake dienend kunnen bijdragen aan het bewijsaanbod.

3.13.

Bij akte na verwijzing betwisten [geintimeerden] de stelling van [appellante] dat na verwijzing nog altijd de vraag voorligt of het door [geintimeerden] gedane bewijsaanbod ter zake dienend en gespecificeerd is. De Hoge Raad heeft immers geoordeeld dat het hof Den Haag een beslissing had moeten geven op het door [geintimeerden] gedane bewijsaanbod Bovendien ligt in het in rov. 3.7.3 en 3.7.4 van het arrest van de Hoge Raad besloten dat het door [geintimeerden] gedane bewijsaanbod zowel ter zake dienend als voldoende gespecificeerd was.

3.14.

Bij antwoord akte na verwijzing voert [appellante] aan dat de akte na verwijzing van [geintimeerden] is aan te merken als een verkapte nadere conclusie, die niet toelaatbaar is in appel (vgl. HR 28 februari 1986, NJ 1987, 172). Voor zover daarmee [geintimeerden] hun stellingen hebben aangevuld, dient daaraan voorbij te worden gegaan. Voorts betoogt [appellante] dat na verwijzing ter beoordeling slechts voorligt de vraag of het bewijsaanbod zoals dat besloten lag in de memorie in appel en door de Hoge Raad geformuleerd in rov. 3.7.3 voldoende specifiek en ter zake dienend is. Daarover heeft de HR niets beslist, omdat dat met de klacht niet aan de orde was. De HR heeft slechts beslist dat [geintimeerden] in het kader van de stelplicht voldoende toelichting hebben gegeven op het bewijsaanbod.

3.15.

Het hof oordeelt als volgt.

Toelaatbaarheid akte na verwijzing

3.16.

De akte na verwijzing van [geintimeerden] is toegelaten door de rolrechter van het hof. Het hof ziet geen aanleiding op deze beslissing terug te komen, mede gelet op de door [appellante] aangegrepen mogelijkheid tot het nemen van een antwoordakte na verwijzing, waarin [appellante] ook inhoudelijk heeft gereageerd.

Omvang van de rechtsstrijd na verwijzing

3.17.

Ingevolge artikel 424 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) dient de verwijzingsrechter de uitspraak van de Hoge Raad in acht te nemen bij zijn beoordeling van het geding na verwijzing. Het hof is als verwijzingsrechter gebonden aan alle niet of tevergeefs in cassatie bestreden beslissingen. Thans gaat het in ieder geval om de vraag of [geintimeerden] alsnog tot bewijslevering dienen te worden toegelaten. In dat verband overweegt het hof allereerst dat [geintimeerden] in eerste aanleg en in hoger beroep bewijs hebben aangeboden van de stelling dat erflater dementerend was en niet meer in staat was zijn wil te verklaren alsmede niet meer in staat was zijn wil en verklaring op elkaar af te stemmen, maar ook van de stelling dat [appellante] erflater zo heeft bewogen dat erflater haar uiteindelijk tot enig erfgenaam heeft benoemd. Het hof leidt uit de dagvaarding in eerste aanleg, randnummers 39 tot en met 54, af dat [geintimeerden] deze laatste stelling hebben aangevoerd in verband met hun beroep op artikel 4:43 BW. Zowel de rechtbank als het hof Den Haag hebben het beroep van [geintimeerden] op dit artikel afgewezen. [geintimeerden] hebben hiertegen door middel van onderdeel 2.1.1 van het cassatiemiddel geklaagd. De Hoge Raad heeft dit onderdeel gelet op artikel 81 RO afgedaan. Na verwijzing ligt het beroep op artikel 4:43 BW dan ook niet meer ter beoordeling voor. Derhalve betreft de vraag of [geintimeerden] dienen te worden toegelaten tot bewijslevering slechts hun stelling dat erflater dementerend was en niet meer in staat was zijn wil te verklaren alsmede niet meer in staat was zijn wil en verklaring op elkaar af te stemmen.

3.18.

De Hoge Raad oordeelt in rov. 3.6 dat de stelplicht en bewijslast van de stelling dat erflater ten tijde van de totstandkoming van het testament niet in staat was zijn wil in vrijheid te vormen bij [geintimeerden] rust en dat in de regel wordt voldaan aan de stelplicht van voornoemde stelling door een voldoende onderbouwde verklaring in het geding te brengen die deze stelling ondersteunt, en oordeelt vervolgens in rov. 3.7.3, na de opsomming van de door [geintimeerden] aangeboden getuigen en van de verklaringen van Gilhuis en het ziekenhuisverslag, dat door (ook in hoger beroep) uitdrukkelijk bewijs aan te bieden dat erflater dementerend was, [geintimeerden] tevens aan de op hen rustende onder 3.6. genoemde stelplicht hebben voldaan. Vervolgens oordeelt de Hoge Raad dat het hof Den Haag niet zonder meer het bewijsaanbod van [geintimeerden] had mogen passeren. In rov. 3.7.4. overweegt de Hoge Raad voorts dat aan dit oordeel niet afdoet dat het in hoger beroep gedane bewijsaanbod niet van een nadere toelichting was voorzien, aangezien de in eerste aanleg gegeven toelichting op het bewijsaanbod, waarnaar zij in hoger beroep hebben verwezen, gelet op het in 3.6 overwogene, voldoende was. Uit het voorgaande leidt het hof af dat de Hoge Raad de stelling van [geintimeerden] voldoende gemotiveerd acht en dat [geintimeerden] derhalve hebben voldaan aan hun stelplicht, met als gevolg dat het hof Den Haag niet stilzwijgend het bewijsaanbod van [geintimeerden] had mogen passeren.

Het hof verwerpt het standpunt van [appellante] dat de grieven van [geintimeerden] in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep als zodanig niet meer ter beoordeling voorliggen. De Hoge Raad neemt in rov. 3.7.1 aan dat het hof Den Haag in rov. 22 doelt op de algemene maatstaf die voor grieven geldt en dat het onderdeel, voor zover het daarover klaagt, faalt. Voor zover [appellante] betoogt dat het feit dat de Hoge Raad onderdeel 2.2.2 van het cassatiemiddel, voor zover dat is gericht tegen overweging 22 van het arrest van het hof Den Haag, heeft verworpen, betekent dat ook overweging 24 van dat arrest is komen vast te staan, slaagt dit betoog niet. Onderdeel 2.2.2 slaagt immers voor zover het betreft de stelplicht van [geintimeerden] en daarover gaat rechtsoverweging 24.

Gelet op het arrest van de Hoge Raad behoeft na verwijzing derhalve allereerst behandeling de grief van [geintimeerden] tegen de afwijzing door de rechtbank van de primaire vordering van [geintimeerden] , voor zover [geintimeerden] daaraan ten grondslag leggen dat erflater ten tijde van de totstandkoming van het testament dementerend was, ten gevolge waarvan hij niet meer tot vrije wilsvorming in staat was. In dat kader dient het hof te beoordelen of [geintimeerden] dienen te worden toegelaten tot bewijslevering.

Bewijsaanbod van [geintimeerden]

3.19.

Teneinde toe te komen aan de fase van bewijslevering dient vast komen te staan dat [appellante] de stelling van [geintimeerden] voldoende gemotiveerd heeft betwist. [appellante] heeft betwist dat sprake was van een geestelijke stoornis, dat erflater tot voor zijn overlijden niet onder medische behandeling was en hij zijn beroep als tandarts nog naar behoren kon uitoefenen. [appellante] heeft een groot aantal verklaringen overgelegd van onder andere patiënten waarin wordt verklaard dat zij tot zijn overlijden nog naar tevredenheid patiënt bij erflater waren en dat hij zijn werk als tandarts nog naar behoren uitoefende. Voorts heeft [appellante] gewezen op de door haar overgelegde brief van mrs. K.J. van de Dool en Th.J.H. Dröge van 28 mei 2009 (zie onder 2.10) waarin onder andere staat dat er voorafgaand aan het sluiten van het testament drie gesprekken met erflater zijn geweest, dat naar de waarneming van de heren Van den Dool en Dröge erflater het testament heeft gewild en dat geen feiten of aanwijzingen zijn gebleken waaruit een discrepantie tussen de wil en de verklaring zou kunnen worden afgeleid. Gelet hierop heeft [appellante] de stelling van [geintimeerden] voldoende gemotiveerd betwist.

3.20.

Ten aanzien van de stelling van [appellante] dat het bewijsaanbod niet voldoende specifiek en ter zake dienend is als gevolg waarvan het bewijsaanbod van [geintimeerden] gepasseerd moet worden, overweegt het hof als volgt. In eerste aanleg hebben [geintimeerden] aangeboden hun stellingen te bewijzen, in het bijzonder door het overleggen van verklaringen van deskundigen alsmede door het horen van meer dan twintig getuigen dan wel deskundigen. In hun memorie na verwijzing hebben [geintimeerden] hun bewijsaanbod bevestigd en enkele met name genoemde getuigen voorgedragen. De bezwaren die [appellante] tegen de getuigen heeft, komen erop neer dat hun verklaringen niet kunnen dienen tot een beslissing van de zaak. De omstandigheid dat twee van de door [geintimeerden] genoemde medisch deskundigen niet in contact zijn geweest met erflater staat er niet aan in de weg dat zij vanuit hun deskundigheid kunnen verklaren. Dat geldt ook voor dr. Gilhuis, behandelend neuroloog van erflater. Gelet op het arrest van de Hoge Raad is het hof van oordeel, anders dan [appellante] stelt, dat nog niet is komen vast te staan dat uit de verklaring van dr. Gilhuis niet kan worden afgeleid dat erflater ten tijde van het opmaken van het testament niet wilsbekwaam was. Evenmin valt in te zien dat [geintimeerden] en patiënten niet (nader) zouden kunnen verklaren ten aanzien van feiten en omstandigheden in verband met de wils(on)bekwaamheid van erflater. De bezwaren van [appellante] tegen de door [geintimeerden] genoemde getuigen treffen dan ook geen doel. [appellante] stelt voorts dat het in strijd met de goede procesorde is voor zover het bewijsaanbod zoals gedaan bij memorie na verwijzing strekt tot het alsnog overleggen van schriftelijke stukken: [geintimeerden] had die stukken voor het arrest van het hof Den Haag van 24 juni 2014 moeten overleggen, dan wel (naar het hof begrijpt) bij de memorie na verwijzing zelf, voor zover dat laatste al niet in strijd met de goede procesorde zou zijn geweest gelet op de beperkingen van de behandeling na verwijzing. Ook dit betoog volgt het hof niet. Op grond van artikel 152 Rv kan bewijs worden geleverd met alle middelen, tenzij de wet anders bepaalt. Het staat [geintimeerden] dan ook in zijn algemeenheid vrij bewijs te leveren door middel van schriftelijke stukken, zij het dat dit wordt begrensd door de goede procesorde indien het hof van oordeel is dat de desbetreffende stukken eerder hadden moeten worden ingediend. Gelet op het voorgaande acht het hof het bewijsaanbod van [geintimeerden] voldoende specifiek en ter zake dienend. Evenzo staat het [geintimeerden] in beginsel vrij bij het bewijsaanbod te vermelden dat zij onder meer maar niet uitsluitend bepaalde met name genoemde getuigen willen voordragen.

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat het bewijsaanbod van [geintimeerden] voldoende specifiek en ter zake dienend is.

3.21.

Het hof zal [geintimeerden] overeenkomstig het door [geintimeerden] gedane aanbod tot het bewijs van hun stelling toelaten, als na te noemen. Voor het overige zal het hof iedere beslissing aanhouden.

4 Beslissing

Het hof:

laat [geintimeerden] toe tot het bewijs van hun stelling dat erflater ten tijde van de totstandkoming van het testament dementerend was en niet meer in staat was zijn wil te verklaren alsmede niet meer in staat was zijn wil en verklaring op elkaar af te stemmen;

beveelt dat, indien [geintimeerden] getuigen willen doen horen, een getuigenverhoor zal plaatshebben voor mr. J. Jonkers, daartoe tot raadsheer‑commissaris benoemd, in het Paleis van Justitie, IJdok 20 te Amsterdam op 28 mei 2019 om 9.30 uur;

bepaalt dat de advocaat van [geintimeerden] dient na te (laten) gaan of partijen, hun advocaten en de door [geintimeerden] voor te brengen getuigen op de hierboven bepaalde dag en tijd kunnen verschijnen en dat deze – zo dat niet het geval mocht zijn – uiterlijk op 16 april 2019 schriftelijk en onder opgave van de verhinderdata van alle voornoemde betrokkenen in de periode van 3 juni 2019 tot 30 september 2019 aan het (enquêtebureau van het) hof dient te verzoeken een nieuwe datum te bepalen;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. J. Jonkers, C.M.J. Peters en M.C. Schenkeveld en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 19 maart 2019.