Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:970

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
22-03-2019
Datum publicatie
07-06-2019
Zaaknummer
23-004396-16
Rechtsgebieden
Materieel strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Fraude KOT. Medeplegen oplichting en medeplegen witwassen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-004396-16

datum uitspraak: 22 maart 2019

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 17 november 2016 in de strafzaak onder parketnummer 13-845069-14 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (België) op [geboortedag] 1975,

adres: [adres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

8 maart 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1 primair:
zij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 16 augustus 2009 tot en met 21 maart 2011 te Amsterdam en/of te Heerlen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen en/of alleen,

met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen, hetzij door het aannemen van een valse naam of van een valse hoedanigheid, hetzij door listige kunstgrepen, hetzij door een samenweefsel van verdichtsels, iemand, te weten de Belastingdienst, heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, tot het ter beschikking stellen van gegevens met geldswaarde in het handelsverkeer, tot het aangaan van een schuld of het teniet doen van een inschuld,

immers heeft/hebben verdachte en/of haar mededader(s) (telkens) – ter verkrijging van Kinderopvangtoeslag - een document, te weten (een) valselijk opgemaakte of vervalste (elektronische) aanvraag Kinderopvangtoeslag/WKO-aanvraag (D-002, pg 184-185) bij de Belastingdienst ingediend, inhoudende (onder meer) dat

- [naam/nummer 1] ) gedurende 145 uur per maand vanaf 1 januari 2009 kinderopvang geniet bij [opvang] en/of [naam 1] gedurende 145 uur per maand vanaf 1 januari 2009 kinderopvang geniet bij [opvang] en/of [naam 2] gedurende 245 uur per maand vanaf 1 januari 2009 kinderopvang geniet bij [opvang] en/of [naam 3] gedurende 245 uur per maand vanaf 1 januari 2009 kinderopvang geniet bij [opvang] en/of [naam/nummer 2]) gedurende 245 uur per maand vanaf 1 januari 2009 kinderopvang geniet bij [opvang]

waardoor verdachte en/of haar mededader(s) de suggestie heeft/hebben gewekt dat de persoon genoemd op de aanvraag Kinderopvangtoeslag/WKO-aanvraag recht had op deze toeslag,

waardoor de Belastingdienst is bewogen tot uitbetaling van voornoemd(e) toeslag(en) ten bedrage van ongeveer 148.209 euro, althans enig geldbedrag;

1 subsidiair:

[medeverdachte 1] en/of een of meer (vooralsnog) onbekend gebleven perso(o)n(en) op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 16 augustus 2009 tot en met 21 maart 2011 te Amsterdam en/of te Heerlen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen en/of alleen,

met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen, hetzij door het aannemen van een valse naam of van een valse hoedanigheid, hetzij door listige kunstgrepen, hetzij door een samenweefsel van verdichtsels, iemand, te weten de Belastingdienst, heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, tot het

ter beschikking stellen van gegevens met geldswaarde in het handelsverkeer, tot het aangaan van een schuld of het teniet doen van een inschuld,

immers heeft/hebben [medeverdachte 1] en/of haar mededader(s) (telkens) - ter verkrijging van Kinderopvangtoeslag - een document, te weten (een) valselijk opgemaakte of vervalste (elektronische) aanvraag Kinderopvangtoeslag/WKO-aanvraag (D-002, pg 184-185) bij de Belastingdienst ingediend, inhoudende (onder meer) dat

- [naam/nummer 1] ) gedurende 145 uur per maand vanaf 1 januari 2009 kinderopvang geniet bij [opvang] en/of [naam 1] gedurende 145 uur per maand vanaf 1 januari 2009 kinderopvang geniet bij [opvang] en/of [naam 2] gedurende 245 uur per maand vanaf 1 januari 2009 kinderopvang geniet bij [opvang] en/of [naam 3] gedurende 245 uur per maand vanaf 1 januari 2009 kinderopvang geniet bij [opvang] en/of [naam/nummer 2]) gedurende 245 uur per maand vanaf 1 januari 2009 kinderopvang geniet bij [opvang] ,

waardoor [medeverdachte 1] en/of haar mededader(s) de suggestie heeft/hebben gewekt dat de persoon genoemd op de aanvraag Kinderopvangtoeslag/WKO-aanvraag recht had op deze toeslag,

waardoor de Belastingdienst is bewogen tot uitbetaling van voornoemd(e) toeslag(en) ten bedrage van ongeveer 148.209 euro, althans enig geldbedrag,

tot het plegen van welk misdrijf verdachte op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2008 tot en met 16 augustus 2009 te Amsterdam, althans in Nederland, opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, immers heeft zij, verdachte, aan [medeverdachte 1] en/of aan een of meer (vooralsnog) onbekend gebleven perso(o)n(en) (onder meer) verstrekt:

-een bankrekeningnummer;

-haar DigiD(-code);

- de geboortedata en sofinummers van haar, haar man en haar kinderen;

2:

zij op of omstreeks de periode van 4 september 2010 tot en met 11 oktober 2011 in de gemeente Amsterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten

een Antwoordformulier kinderopvangtoeslag 2009 (D-004), valselijk heeft opgemaakt of heeft vervalst, met het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, bestaande die valsheid hierin dat zij en/of haar mededader(s) op dit antwoordformulier kinderopvangtoeslag 2009 valselijk en in strijd met de waarheid heeft/hebben vermeld dat

-[naam/nummer 1] , gedurende 1740 uur opvang in een kindercentrum heeft genoten en/of dat het totale bedrag opvangkosten in 2009 10.474,80 euro bedroeg en/of

-[naam 1], BSN [nummer 1], gedurende 1740 uur opvang in een kindercentrum heeft genoten en/of dat het totale bedrag opvangkosten in 2009 10.474,80 euro bedroeg en/of

-[naam 2], BSN [nummer 2], gedurende 2940 uur opvang in een kindercentrum heeft genoten en/of dat het totale bedrag opvangkosten in 2009 16.992,00 euro bedroeg en/of

-[naam 3], BSN [nummer 3], gedurende 2940 uur opvang in een kindercentrum heeft genoten en/of dat het totale bedrag opvangkosten in 2009 16.992,00 euro bedroeg en/of

-[naam/nummer 2], gedurende 2940 uur opvang in een kindercentrum heeft genoten en/of dat het totale bedrag opvangkosten in 2009 16.992,00 euro bedroeg;

3:

zij in of omstreeks de periode van 21 september 2009 tot en met 6 maart 2014 te Amsterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen en/of alleen van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, althans heeft witgewassen

immers heeft/hebben verdachte en/of haar mededader(s) (een) voorwerp(en), te weten een of meer geldbedrag(en) (van in totaal 90.259 euro) verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, althans van een voorwerp, te weten genoemd(e) geldbedrag(en) gebruik gemaakt,

terwijl zij wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat bovenomschreven voorwerp(en) -onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de rechtbank.

Vrijspraak feit 2

Met de advocaat-generaal en de verdediging acht het hof niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken. Onvoldoende is immers komen vast te staan dat de verdachte aan de onder 2 ten laste gelegde valsheid in geschrifte een voldoende substantiële bijdrage heeft geleverd.

Bewijsoverwegingen

Ten aanzien van feit 1

De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat de verdachte moet worden vrijgesproken van hetgeen haar onder 1 is ten laste gelegd wegens het ontbreken van wetenschap. Zij was zich er niet van bewust dat zij iets fout deed en dat zij geen recht had op kinderopvangtoeslag. De verdachte heeft vertrouwd op een professional.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Op 16 augustus 2009 is kinderopvangtoeslag aangevraagd op naam en met de DigiD van de verdachte. De toeslag is met terugwerkende kracht aangevraagd voor vijf kinderen vanaf 1 januari 2009. De Belastingdienst heeft bij voorlopige beschikking van 18 september 2009 aan de verdachte kinderopvangtoeslag toegekend. De toeslagaanvragen op naam van de verdachte zijn door de Belastingdienst automatisch gecontinueerd voor de jaren 2010 en 2011, onder de vermelding dat wijzigingen, die tot een ander toeslagbedrag kunnen leiden, doorgegeven moeten worden.

Er is bij de Belastingdienst een aantal wijzigingen met betrekking tot deze aanvraag ontvangen:

  • -

    op 4 september 2010 zijn per post jaaropgaven over het jaar 2009 ontvangen, met daarop het totaal aantal uren opvang dat de kinderen van de verdachte en [medeverdachte 2], destijds de echtgenoot van de verdachte, bij kinderopvang [opvang] , onderdeel van [bedrijf], zouden hebben genoten. Op grond van deze jaaropgaven is de kinderopvangtoeslag over 2009 definitief vastgesteld;

  • -

    op 4 september 2010 is met de DigiD van de verdachte een wijziging ingediend ten aanzien van één van de kinderen, voor wie de kinderopvangtoeslag werd stopgezet met ingang van 1 september 2010. Op grond van deze informatie is het bedrag aan kinderopvangtoeslag verlaagd;

  • -

    op 18 maart 2011 is met de DigiD van de verdachte een wijziging doorgegeven ten aanzien van een ander kind, voor wie de kinderopvangtoeslag is stopgezet eerst met ingang van 1 juli 2011. Een dag later, op 19 maart 2011, is deze wijziging gewijzigd met dien verstande dat de kinderopvangtoeslag voor dit kind werd stopgezet met ingang van 1 januari 2011.

De laatste uitbetaling door de Belastingdienst heeft plaatsgevonden op 21 maart 2011. In totaal is in de jaren 2009, 2010 en 2011 een bedrag van € 148.209 aan kinderopvangtoeslag, die is aangevraagd op naam van de verdachte, uitbetaald op de bankrekening van de medeverdachte [medeverdachte 1]. [medeverdachte 1] heeft in dezelfde periode in totaal negentien keer een geldbedrag overgemaakt naar de rekening van [medeverdachte 2]. In totaal heeft [medeverdachte 1] € 90.529 op de rekening van [medeverdachte 2] betaald.

De kinderen van [medeverdachte 2] en de verdachte hebben in de ten laste gelegde periode geen kinderopvang genoten.

De verdachte heeft in haar verhoor verklaard dat [medeverdachte 1] haar heeft benaderd met de mededeling dat zij contacten had met de Belastingdienst en dat de verdachte en [medeverdachte 2] kinderopvangtoeslag konden krijgen. De verdachte heeft de gegevens van zichzelf en haar kinderen aan [medeverdachte 1] verstrekt, alsmede de inloggegevens van haar DigiD. [medeverdachte 1] heeft met deze gegevens kinderopvangtoeslag aangevraagd, die werd gestort op de bankrekening van [medeverdachte 1]. Een deel van dit geld werd vervolgens betaald aan [medeverdachte 2]. De verdachte heeft verklaard niets te weten van een jaaropgave of een wijzigingsverzoek, maar, zo verklaarde zij ter terechtzitting in eerste aanleg, zij heeft wel enkele documenten getekend. De brieven die de verdachte van de Belastingdienst ontving waarin gegevens moesten worden ingevuld heeft zij, conform de afspraak die zij daaromtrent met [medeverdachte 1] had gemaakt, telkens aan [medeverdachte 1] overgedragen. [medeverdachte 2] en de verdachte hebben met het geld een nieuwe auto, een vakantie en boodschappen betaald.

Het hof is met de rechtbank van oordeel dat [medeverdachte 1] als initiator van de aanvraag voor kinderopvangtoeslag moet worden beschouwd. De verdachte was zich voorafgaand aan deze aanvraag echter bewust van waartoe kinderopvangtoeslag bedoeld was en van het gegeven dat geen van haar kinderen op dat moment opvang genoot. Toch heeft zij al haar persoonlijke gegevens, inclusief de inlogcode voor haar DigiD, aan [medeverdachte 1] verstrekt, met het doel om [medeverdachte 1] de kinderopvangtoeslag namens haar te laten aanvragen. De kinderopvang werd daarnaast niet direct gestort op haar rekening of op de rekening van haar toenmalige echtgenoot, maar op de rekening van [medeverdachte 1]. Dit betroffen bovendien grote geldbedragen. Zij is voorts meermalen door haar man gewaarschuwd dat zij geen recht hadden op het geld. Al deze omstandigheden maken dat de verklaring van de verdachte dat zij zich er niet of onvoldoende van bewust is geweest dat zij geen recht had op kinderopvangtoeslag, ongeloofwaardig is.

De eerste aanvraag en de later ingediende wijzigingen hebben een keten aan jarenlange uitbetalingen door de Belastingdienst in werking gezet, waardoor uiteindelijk een bedrag van € 148.209,00 ten onrechte is uitbetaald.

Medeplegen

Medeplegen kan worden bewezenverklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan van een strafbaar feit sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. Ook indien het ten laste gelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering tijdens het begaan van het strafbare feit, maar uit gedragingen die doorgaans met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht (zoals het verstrekken van inlichtingen, op de uitkijk staan, helpen bij de vlucht), kan sprake zijn van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. De materiële of intellectuele bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit zal dan van voldoende gewicht moeten zijn. Bij de beoordeling of daaraan is voldaan, kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, zijn aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.

De hierboven geschetste constructie is opgetuigd door de verdachte en [medeverdachte 1]. De rol van de verdachte bestond uit het verstrekken van alle benodigde informatie om de uitbetaling te doen plaatsvinden, het vervolgens blijven verstrekken van de benodigde formulieren om de uitbetaling te doen blijven plaatsvinden en het opstrijken van een groot gedeelte van de buit. Hierdoor heeft zij zo nauw en bewust met [medeverdachte 1] en/of anderen samengewerkt dat zij de oplichting van de Belastingdienst heeft medegepleegd. Dat zij de aanvraag en de wijzigingen niet zelf fysiek heeft gedaan c.q. doorgevoerd, maar dat [medeverdachte 1] deze handelingen heeft uitgevoerd of doen uitvoeren, doet aan dit oordeel niet af. Het leveren van de gegevens die nodig zijn om kinderopvangtoeslag aan te vragen en het afgeven van de correspondentie die van de Belastingdienst wordt ontvangen, zijn essentiële gedragingen voor de gepleegde oplichtingen en van zodanig gewicht dat deze tezamen kunnen worden aangemerkt als medeplegen.

De verweren worden verworpen.

Ten aanzien van feit 3

De raadsvrouw van de verdachte heeft primair vrijspraak van het onder 3 ten laste gelegde betoogd wegens het ontbreken van wetenschap en opzet. Subsidiair heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat een kortere periode en een lager geldbedrag bewezen moeten worden verklaard aangezien de ex-echtgenoot van de verdachte, [medeverdachte 2], al in 2010 bij haar is weggegaan en zij vanaf dat moment niet meer de beschikking over de gelden had.

Het hof overweegt daarover het volgende.

Uit de bewezenverklaring van feit 1 volgt dat de verdachte wist dat de op de rekening van haar echtgenoot gestorte gelden van misdrijf afkomstig waren en dat het verweer in zo verre dus niet opgaat. De verdachte en haar man zijn op enig moment uit elkaar gegaan. Dit is volgens hen in 2010 gebeurd, maar ook staat vast dat zij in augustus 2010 nog met elkaar op vakantie zijn geweest. Het vertrek van de echtgenoot moet dus tussen augustus 2010 en 1 januari 2011 hebben plaatsgevonden. Aangenomen moet worden dat de verdachte vanaf dat moment geen beschikking meer heeft gehad over het geld dat op de bankrekening van [medeverdachte 2] werd gestort en het (gewoonte)witwassen niet meer heeft medegepleegd. Zij zal daarom worden vrijgesproken van hetgeen haar onder feit 3 is ten laste gelegd voor zover het de periode na 31 december 2010 betreft.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 3 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1 primair:

zij op meer tijdstippen in de periode van 16 augustus 2009 tot en met 21 maart 2011 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen, hetzij door het aannemen van een valse hoedanigheid, door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, iemand, te weten de Belastingdienst, heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, immers hebben verdachte en haar mededader(s) telkens ter verkrijging van Kinderopvangtoeslag een document, te weten een valselijk opgemaakte aanvraag Kinderopvangtoeslag/WKO-aanvraag (D-002, pg 184-185) bij de Belastingdienst ingediend, inhoudende onder meer dat

- [naam/nummer 1] ) gedurende 145 uur per maand vanaf 1 januari 2009 kinderopvang geniet bij [opvang] ,

- [naam 1] gedurende 145 uur per maand vanaf 1 januari 2009 kinderopvang geniet bij [opvang] ,

- [naam 2] gedurende 245 uur per maand vanaf 1 januari 2009 kinderopvang geniet bij [opvang] ,

- [naam 3] gedurende 245 uur per maand vanaf 1 januari 2009 kinderopvang geniet bij [opvang] en

- [naam/nummer 2]) gedurende 245 uur per maand vanaf 1 januari 2009 kinderopvang geniet bij [opvang]

waardoor verdachte en haar mededader(s) de suggestie hebben gewekt dat de persoon genoemd op de aanvraag Kinderopvangtoeslag/WKO-aanvraag recht had op deze toeslag,

waardoor de Belastingdienst is bewogen tot uitbetaling van voornoemde toeslag ten bedrage van € 148.209;

3:

zij in en omstreeks de periode van 21 september 2009 tot en met 31 december 2010 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers hebben verdachte en haar mededaders voorwerpen, te weten meerdere geldbedragen verworven, voorhanden gehad, overgedragen en omgezet, terwijl zij wist dat bovenomschreven voorwerpen onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf.

Hetgeen onder 1 primair en 3 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezen verklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, die na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 primair en 3 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 primair bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd.

Het onder 3 bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van gewoontewitwassen

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1 primair en 3 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden, waarvan twee maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, en tot een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 en 3 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, waarvan twee maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en tot een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft de Belastingdienst opgelicht door kinderopvangtoeslag aan te laten vragen, waarbij zij, samen met haar mededader, onjuiste informatie aan de Belastingdienst heeft verstrekt. Een gedeelte van de uitbetaalde kinderopvangtoeslag heeft de verdachte samen met haar ex-echtgenoot witgewassen en dit alles heeft de verdachte gedaan terwijl zij niet heeft gewerkt en terwijl zij wist dat haar kinderen geen opvang genoten. De verdachte heeft door haar handelen op grove wijze misbruik gemaakt van een regeling die de overheid in het leven heeft geroepen om ouders met kinderen in de gelegenheid te stellen te (blijven) werken en hun kinderen buitenshuis te laten opvangen. De verdachte heeft het vertrouwen, dat in haar door de overheid mocht worden gesteld, door haar handelen beschaamd en daarmee de samenleving ernstig benadeeld. De kinderopvangtoeslag wordt immers betaald uit gemeenschapsgeld. Het hof rekent het de verdachte aan dat zij de Belastingdienst, en daarmee de samenleving, aanzienlijk financieel nadeel (bijna € 150.000) heeft toegebracht. Hiervan heeft de verdachte, samen met haar echtgenoot, ruim € 70.000 opgestreken. Daarnaast heeft de verdachte zich met betrekking tot de ontvangen bedragen, samen met haar echtgenoot, schuldig gemaakt aan gewoontewitwassen, waarop ook met een straf moet worden gereageerd.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 22 februari 2019 is zij niet eerder strafrechtelijk veroordeeld.

De raadsvrouw heeft verzocht geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen omdat de verdachte de zorg draagt voor haar kinderen en haar medische en financiële situatie zorgelijk zijn. Daarnaast heeft zij betoogd dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelet op het tijdsverloop geen passende sanctie is.

Op een fraude van deze omvang kan eigenlijk niet anders dan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf worden gereageerd. Het hof is het met de advocaat-generaal eens dat de door de rechtbank opgelegde gevangenisstraf onvoldoende recht doet aan de ernst van de feiten. Weliswaar is aannemelijk dat de verdachte tot het plegen van de fraude mede is overgehaald door de medeverdachte [medeverdachte 1] en zal een langdurige gevangenisstraf ook de kinderen van de verdachte duperen, maar dit maakt niet dat met een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf en een onvoorwaardelijke taakstraf, zoals door de raadsvrouw bepleit, kan worden volstaan. Ook het tijdsverloop sinds het plegen van de feiten is daarvoor onvoldoende reden. De verdediging heeft ook nog medische omstandigheden aangevoerd, maar deze zijn niet met enig stuk onderbouwd. Het is dan ook niet komen vast te staan dat deze in strafmatigende zin in aanmerking moeten worden genomen.

In beginsel is de door de advocaat-generaal geëiste gevangenisstraf, gelet op alle omstandigheden, passend en geboden. Het daarnaast nog opleggen van de door de advocaat-generaal geëiste taakstraf biedt onvoldoende meerwaarde.

Het hof constateert dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In eerste aanleg is de strafzaak aangevangen op 6 maart 2014, de datum waarop de verdachte bij de politie is verhoord. Nu de procedure in hoger beroep is afgerond bij arrest van 22 maart 2019, heeft de procedure als geheel een periode van vijf jaren bestreken. Uitgaande van een redelijke termijn van twee jaren per instantie is deze periode overschreden met een jaar. Het hof zal deze overschrijding meewegen in de strafmaat in die zin dat op de duur van het onvoorwaardelijk gedeelte van de gevangenisstraf een maand in mindering zal worden gebracht.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 47, 57, 326 en 420ter van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 3 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair en 3 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 2 (twee) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. P.C. Römer, mr. A.P.M. van Rijn en mr. R.P. den Otter, in tegenwoordigheid van

mr. M. Gieske, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

22 maart 2019.

De griffier is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

=========================================================================

[…]