Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:96

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
21-01-2019
Datum publicatie
21-01-2019
Zaaknummer
23-004151-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Mega Gunn. Criminele organisatie. Medeplegen van schending van een ambtsgeheim.

Vernietiging van het vonnis waarvan beroep ten aanzien van feit 2 en ten aanzien van de strafoplegging en doet in zoverre opnieuw recht. Bevestiging van het vonnis voor het overige.

Gevangenistraf van 15 maanden, waarvan 7 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-004151-15

datum uitspraak: 21 januari 2019

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 28 september 2015 in de strafzaak onder parketnummer 15-840182-13 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

adres: [adres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 8, 15, 16, 19, 20 november 2018 en 7 januari 2019, en overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is door het openbaar ministerie hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw, mr. J.A. Baaijens, naar voren is gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof bevestigt het vonnis waarvan beroep, met uitzondering van de vrijspraak van feit 2 en de strafoplegging.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is – onder feit 2 – ten laste gelegd:

(zaaksdossier B06)

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 september 2013 tot en met 6 mei 2014 te Schiphol en/of Heeswijk/Dinther en/of Schijndel en/of Maastricht en/of Culemborg, in elk geval een of meer plaats(en) in Nederland en/of Brussel, in elk geval een of meer plaats(en) in België en/of Dominicaanse Republiek,

(telkens) heeft deelgenomen aan een organisatie,

welke organisatie werd gevormd door een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, waartoe hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) en/of andere personen behoorden, welke organisatie het oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10, derde, vierde en vijfde lid en/of 10a eerste lid, te weten:

- het (telkens) tezamen en in vereniging met anderen, (telkens) opzettelijk binnen het grondgebied

van Nederland brengen van (telkens) een hoeveelheid cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I (artikel 2A OW jo 10 lid 5 OW) en/of

- het (telkens) tezamen en in vereniging met anderen (telkens) om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van cocaïne van (telkens) een hoeveelheid cocaïne, (telkens) zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen,

* (telkens) zich en/of een of meer anderen gelegenheid en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen en/of

* (telkens) een of meer anderen getracht te bewegen om dat/die feit feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of daarbij behulpzaam te zijn en/of daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen en/of

* (telkens) voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of anderen betaalmiddelen voorhanden heeft gehad waarvan hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstig redenen had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat/die feit(en).

Overwegingen ten aanzien van het bewijs van feit 2

Het standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het feit wettig en overtuigend kan worden bewezen. Volgens de advocaat-generaal heeft de verdachte, door het opvragen en doorspelen van informatie aan [J.B.] (hierna: [J.B.] ), alsmede door het geven van adviezen, deelgenomen aan de criminele organisatie die door [H.V.] (hierna: [H.V.] ), [H.H.] (hierna: [H.H.] ) en [J.B.] werd gevormd.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat mogelijk wel bewezen kan worden dat [H.V.] , [H.H.] en [J.B.] een criminele organisatie als bedoeld in artikel 11a OW (oud) hebben gevormd, maar dat de verdachte van deelneming aan deze organisatie vrijgesproken dient te worden. De verdachte had immers geen opzet op deelneming aan de organisatie en tevens ontbrak bij hem de wetenschap dat de organisatie het oogmerk had om cocaïne in te voeren.

Bewijsvoering van het hof

Beoordelingskader

Het hof stelt voorop dat deelneming aan georganiseerde illegale drugshandel tem tijde van het ten laste gelegde strafbaar was gesteld in artikel 11a (tegenwoordig 11b) van de Opiumwet. Dat artikel is een zogenoemde specialis van artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht, zodat de bij dat artikel behorende jurisprudentie ook van toepassing is op dit artikel 11a van de Opiumwet.

Van deelneming aan een criminele organisatie is sprake indien een betrokkene behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in, dan wel ondersteunt, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. In het bestanddeel deelneming aan een criminele organisatie ligt tevens het opzet van de betrokkene besloten. Om tot een bewezenverklaring van deelneming aan de organisatie te komen, dient de betrokkene in zijn algemeenheid te weten (in de zin van onvoorwaardelijk opzet), dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. Volgt uit de bewijsvoering dat de betrokkene aan de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie bijdragende of ondersteunende handelingen heeft verricht, dan ligt daarin zijn wetenschap met betrekking tot dat oogmerk besloten. Niet vereist is dat de betrokkene moet hebben samengewerkt, althans bekend moet zijn geweest met alle personen die deel uitmaken van de organisatie.

Het hof overweegt als volgt.

Het bestaan van de organisatie

Uit de bewijsmiddelen volgt dat [H.V.] , [H.H.] en [J.B.] in de periode van 27 augustus 2013 tot 6 mei 2014 een organisatie als bedoeld in artikel 11a OW (oud) hebben gevormd die het oogmerk had om een materiaal bevattende cocaïne binnen het grondgebied van Nederland binnen te brengen. In deze periode hebben de deelnemers aan de organisatie op 14 oktober 2013 vanuit de Dominicaanse Republiek via de luchthaven Schiphol bijna 30 kilo van een materiaal bevattende cocaïne het grondgebied van Nederland binnengebracht (B01). Ook hebben deze deelnemers op 2 januari 2014, vanuit de Dominicaanse Republiek via de luchthaven te Brussel een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne het grondgebied van Nederland binnengebracht (B03). In de periode van 28 december 2013 tot en met 13 maart 2014 hebben de deelnemers aan de organisatie voorbereidingshandelingen gepleegd teneinde wederom een materiaal bevattende cocaïne, via de luchthaven van Brussel, het grondgebied van Nederland binnen te brengen (B05 en B02).

[H.V.] had vrijwel dagelijks contact met [H.H.] en [J.B.] enerzijds en met onbekend gebleven mannen van Dominicaanse afkomst uit Rotterdam anderzijds. Veel van dit contact ging over het zenden van koeriers naar de Dominicaanse Republiek om verdovende middelen Nederland binnen te brengen. [H.V.] zorgde voor afstemming met de onbekend gebleven Dominicanen met betrekking tot het zenden van de koeriers naar de Dominicaanse Republiek. Hij voerde hiertoe regelmatig telefoongesprekken, stuurde en ontving ping-berichten en had ontmoetingen met de betreffende mannen. In sommige gevallen stuurde hij [J.B.] naar de Dominicaanse mannen in Rotterdam om informatie door te geven, te krijgen of geld te brengen. Afspraken, gemaakt met de Dominicaanse mannen uit Rotterdam, werden nagekomen door het daadwerkelijk zenden van de koeriers en het regelen van afhalers/begeleiders van de koeriers. [H.V.] had hierdoor een centrale rol in de organisatie.

[H.H.] bracht de koeriers aan die naar de Dominicaanse Republiek konden vliegen om verdovende middelen te smokkelen. Hierbij fungeerde [H.H.] als een tussenpersoon tussen [H.V.] enerzijds en een man met de naam “opa”. [H.H.] had soms zelf rechtstreeks contact met de koeriers, maar meestal ging dit via “opa”.

[J.B.] voerde opdrachten uit die hij van [H.V.] kreeg. Zo heeft [J.B.] onder meer tickets geboekt voor koeriers, tickets geboekt voor afhalers/begeleiders van de koeriers, geld gebracht naar de onbekend gebleven Dominicaanse mannen in Rotterdam en naar de koerier [R.F.] in Brussel (B03) en contact onderhouden met koeriers en afhalers/begeleiders. Daarnaast heeft [J.B.] actief personen benaderd om als koerier of afhaler/begeleider te functioneren.

De handelingen van de verdachte

 Bevragingen in de computersystemen van de Koninklijke Marechaussee

Uit de bewijsmiddelen ter zake van feit 1 blijkt dat de verdachte, op verzoek van [J.B.] , in de computersystemen van de Koninklijke Marechaussee diverse personen heeft bevraagd. De verkregen informatie, onder meer inhoudende dat de betreffende persoon “schoon” was of dat er “niets met hem aan de hand was”, heeft hij teruggekoppeld aan [J.B.] . Meerdere van de personen die de verdachte heeft bevraagd, kunnen in verband worden gebracht met drugssmokkel door de hiervoor bedoelde organisatie. Ook heeft de verdachte aan [J.B.] , op diens verzoek, informatie verstrekt uit het proces-verbaal met betrekking tot de invoer van cocaïne op 14 oktober 2013, in verband met welke invoer – onder anderen – [C.G.] was aangehouden.

Het hof overweegt dat het voor de organisatie van belang was om te weten of de koeriers voorkwamen in de politiesystemen, omdat dit – naar als feit van algemene bekendheid mag worden verondersteld – een verhoogd risico op controle met zich bracht. Informatie uit het genoemde proces-verbaal betreffende – kortweg – de betrapping van [C.G.] was voor de organisatie van belang om de identiteit van een mogelijke tipgever te achterhalen.

 Adviezen en ondersteuning

Met betrekking tot de adviserende en ondersteunende rol van de verdachte bevinden zich in het dossier diverse afgeluisterde gesprekken. Het hof zal hieronder deze gesprekken naar onderwerp rangschikken en vervolgens zijn interpretatie van het betreffende gesprek weergeven.

Europeaan

Op 28 augustus 2013 om 10:43 uur wordt [J.B.] gebeld door [H.V.] . [J.B.] zegt: “hé luister, ik ben gister bij hem geweest. (...) En die van vrijdag weet je wel is dat wel een Europese jongen?” [H.V.] antwoordt: “ja zeker dat is een Duitser.” Hierop zegt [J.B.] : “een Duitser, ok. (…) Kijk als het geen Europese was, dan als die binnenkomt dan worden er gelijk vragen aan hem gesteld. Wat die hier komt doen, hoelang die blijft, waar die verblijft… (…) Ja want dan uh, kijken ze of die nog genoeg geld bij ’m hebt. Want uh als je hier op vakantie komt moet je minimaal 43 euro per dag bij je hebben en zo.” Om 17:25 uur wordt [J.B.] wederom door [H.V.] gebeld. [J.B.] zegt dan: “ik was bij hem geweest. (…) Ja precies wat ie zei als het een Europeaan is dan is het goed als het geen Europeaan is dan krijgt ie vragen wat ie hier komt doen waar die blijft dat soort dingen toch.” [H.V.] antwoordt: “ok dat heb ik allemaal al doorgebeld. (…) Want ik krijg precies de datums en deze weekend komt er al iemand”. Even later in het gesprek zegt [J.B.] : “die andere euh euh voor over twee weken zeg maar. (…) Die jongen wordt vrijdagavond nagekeken.” [H.V.] antwoordt: “oké, dat is heel mooi.”

Op 22 januari 2014 belt [H.V.] naar ene [L.B.] . In dit gesprek zegt [H.V.] : “ja he luister…eh… die komt vandaar af. Ja, nou die kunnen we niet gebruiken zo’n mens. Moet van hier zijn of van België weet gij. Niet. En hij is donker ook al. (…) Die moeten we net niet hebben.”

Op 21 maart 2014 stuurt [H.V.] een ping-bericht naar El Grande, één van de onbekend gebleven Dominicanen in Rotterdam. De inhoud van dit bericht is: “ok ik heb met spoed de chauffeur op Peru nodig. Uit Europa. Kan niet met mensen daar.”

Interpretatie van het hof

Vooropgesteld moet worden dat zowel door de verdachte als door [J.B.] is verklaard en erkend dat zij in de onderzoeksperiode frequent telefonisch contact met elkaar onderhielden, dat [J.B.] bekend was met het feit dat de verdachte werkzaam was op Schiphol, dat de verdachte uit hoofde van zijn functie toegang had tot – kortweg – politieregisters en dat de verdachte deze registers ook op verzoek van [J.B.] meermalen heeft geraadpleegd. Voorts is in de onderzoeksperiode geen contact waargenomen tussen [J.B.] en een andere medewerker van de Koninklijke Marechaussee. Het hof gaat er op grond van de uitlatingen van [J.B.] vanuit dat de verdachte [J.B.] heeft geadviseerd om een EU-onderdaan als drugskoerier te gebruiken. De drugskoeriers die in het onderzoek in beeld zijn gekomen waren ook allemaal EU-onderdaan. Uit de weergegeven latere gesprekken van [H.V.] blijkt dat het werken met EU-onderdanen als koerier de werkwijze van de organisatie was geworden.

Smokkelen door middel van het sturen van een losse koffer zonder passagier?

Op 23 december 2013 om 16:37 uur wordt [J.B.] gebeld door [H.V.] . [J.B.] zegt: “Ik ben even op bezoek bij iemand.” [H.V.] zegt: “wat je moet doen heh. Is die vriend die daar werkt, weet je wel, weet je wel wat ik bedoel heh? Die moet eens kijken als dat ding aankomt zonder iemand erbij. Ja? Die moet een kijken als dat ding aankomt zonder iemand erbij. Ja? (…) Als zo’n ding, zo’n ding, een koffer. Als die dan zonder iemand erbij of die ook door de scan heengaat.” [J.B.] antwoordt hierop: “oh, oké oké, ik zal hem, ik kan hem nu gelijk vragen, want ik ben bij hem. (…) Wil je dat nu weten?” [H.V.] antwoordt: “ja, bel me dadelijk maar terug. Snap je wat ik bedoel?” Hierop zegt [J.B.] : “ja, ik snap wat je bedoelt. Als bijvoorbeeld iemand ‘m is vergeten en ie nagestuurd wordt.”

Om 16:41 uur wordt [J.B.] gebeld door [H.V.] . Op de achtergrond bij [J.B.] is de verdachte te horen. [J.B.] zegt: “ik begrijp het, maar het is niet te doen. (…) Het is nog gevaarlijker zelfs. Want dan komt ie op een aparte band.” [H.V.] zegt vervolgens: “dus al wat terugkomt komt daar? Dat weten hun toch niet, dat daar niemand bij is heh?” [J.B.] zegt vervolgens: “oh, dat ie gewoon blijft liggen? (…) Oh, oké, dan ga ik dat even, nee dat is toch exact hetzelfde?” [H.V.] zegt: “precies gewoon normaal, ja, alleen hij komt niet mee natuurlijk.” “Nee, dat begrijp ik”, zegt [J.B.] en hij richt zich tot iemand die bij hem is en zegt: “hé, ehm, als ze gewoon iets sturen, maar die persoon zelf komt niet mee. Ding blijft op de band liggen?” De verdachte zegt dan: “nee, daarvoor is ie al.. ntv.” Vervolgens spreekt [J.B.] door de telefoon en zegt: “nee, dat gaat ook niet.” Op de achtergrond spreekt de verdachte verder en zegt: “en als je het in de kist laat liggen, dan gooien ze gewoon allemaal over de band heen.” [H.V.] vraagt: “hij weet toch dat dat ding, als hij terugkomt, er doorheen moet ja of nee?” [J.B.] antwoordt: “die gaat er zeker doorheen, die gaat er zeker door heen ja.” [H.V.] zegt: “want als morgen dat ding weggaat.” [J.B.] bevestigt dat alles er doorheen gaat. “hmm, nou oké, dan weet ik dat” antwoordt [H.V.] .

Interpretatie van het hof

Bij afwezigheid van enige andere naar voren gebrachte dan wel gebleken verklaring en bezien tegen de achtergrond van de overige feiten uit het dossier, houdt het hof het ervoor dat deze gesprekken aldus moeten worden verstaan dat [H.V.] heeft overwogen om drugs in te voeren met gebruikmaking van een zgn. onbegeleide koffer en dat met het oog daarop via [J.B.] bij de verdachte informatie is ingewonnen aangaande de op Schiphol gebruikelijke procedures ten aanzien van een dergelijk object. Uit de gesprekken volgt dat de verdachte de gevraagde informatie, welke – zo volgt uit het dossier – feitelijk ook klopt, daadwerkelijk ook heeft verstrekt aan [J.B.] en daarmee ook aan [H.V.] . In het verdere onderzoek is deze mogelijke smokkelmethode niet naar voren gekomen.

Tussenlanding Montego Bay (Jamaica)?

Op 30 december 2013 om 17:29 uur wordt [J.B.] door de verdachte gebeld. De verdachte zegt dat hij aan de Gamma kant staat. [J.B.] zegt dat hij eraan komt. Om 20:43 uur belt [J.B.] naar [H.V.] en zegt: “en ik heb effe nagevraagd. Eeuh.. voor wat je vroeg, in de auto weet je wel, of dat eeuh.. of dat eruit moet, maar ze moeten gewoon blijven zitten. Wat ze jou vroegen, of dat kon weet je nog over de ping. Met ping in de auto. Ze blijven zitten.”

Op 2 januari 2014 heeft vanuit de organisatie een geslaagde invoer van verdovende middelen vanuit Punta Cana op de Dominicaanse Republiek naar Brussel en van daaruit naar Nederland plaatsgevonden. De koerier [R.F.] is gevlogen met Jetairfly met een tussenlanding in Montego Bay te Jamaica.

Interpretatie van het hof

Het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, leidt het hof tot de conclusie dat [J.B.] , met het oog op dit transport, bij de verdachte heeft gevraagd of passagiers bij de tussenlanding in Montego Bay in het vliegtuig konden blijven zitten. De verdachte heeft [J.B.] geïnformeerd dat dit het geval was. Dit was voor de organisatie van belang om te weten, omdat er anders een extra risico op controle was.

Extra controle in verband met de Nucleair Security Summit (NSS)

Op 21 februari 2014 om 18:34 uur wordt [J.B.] gebeld door [H.V.] . Nadat [H.V.] aan [J.B.] heeft gevraagd of diens maat, waar hij gisteravond is geweest, dat papier heeft meegebracht, zegt [J.B.] : “Maar eh heb hem ook al gesproken over eh iets anders. Effe, euh, effe kijken, na maandag, vanaf maandag, kan d’r 2 weken lang helemaal niets.” Op 22 februari 2014 om 14:57 uur belt [J.B.] met de verdachte. [J.B.] vraagt: “hé even snel een vraag, wat jij me gisteren vertelde he. Hoe lang duurt dat?”. De verdachte antwoordt: “tot aan eind maart, ongeveer een maand. Maar dat geldt alleen voor hier he!” [J.B.] antwoordt: “ja maar nee uh dat leg ik je wel een andere keer uit uh we moeten uh weer uh oude gaan doen zeg maar..” “Ja, maar niet deze keer toch?” antwoordt de verdachte. [J.B.] zegt: “”nee maar deze keer uh gaat niet door nog. Snap je?” De verdachte zegt dat hij dit snapt.

Interpretatie van het hof

Op 24 en 25 maart 2014 vond in Nederland de NSS plaats. In verband hiermee werden in de maand maart 2014 (extra) grenscontroles gehouden onder meer op Schiphol en aan de grens met België. Het hof kan dit gesprek niet anders duiden dan dat de verdachte [J.B.] informeert over de extra controles op Schiphol en dat [J.B.] aangeeft dat ze wel weer koeriers via Schiphol willen laten komen, zoals eerder op 14 oktober 2013. Dat met “oude” oude ovens en magnetrons bedoeld zouden worden, zoals door de verdachte is verklaard, acht het hof niet aannemelijk geworden. Het hof gaat er voorts van uit dat de verdachte met zijn opmerking “maar niet deze keer toch” doelt op de koerier [R.D.] , die zich op dat moment in Punta Cana op de Dominicaanse Republiek bevindt en die via Brussel terug zou vliegen. Het hof zal daar onder het kopje “boeken van het vliegticket van koerier [R.D.] ” nader op ingaan.

P en E

Het hiervoor genoemde gesprek op 21 februari 2014 tussen [J.B.] en de verdachte gaat als volgt verder. [J.B.] vraagt: “en datgene wat ik jou vroeg he? Dat met de P dat is mogelijk he?” De verdachte zegt dat er even geen lichtje bij hem brandt. [J.B.] zegt: “ik heb jou er twee gevraagd.” De verdachte zegt: “twee gevraagd? Gisteren?” “Nee” zegt [J.B.] , “een tijdje geleden toen jij onder de tafel zat. Vanaf die twee dingen of dat mogelijk was.” De verdachte antwoordt: “ja ja ja dat is mogelijk.” [J.B.] zegt: “met de E en de P”. “Ja nu snap ik hem”, zegt de verdachte. [J.B.] vraagt: “allebei waren mogelijk he? De P is beter dan de E he?” De verdachte antwoordt: “ja.”

Op 29 januari 2014 om 14:40 uur heeft er een telefoongesprek tussen [H.V.] en [J.B.] plaatsgevonden. [H.V.] spreekt daarin over “die post”. [H.V.] zegt: “daar moet niet van P af maar van van van die E af. Kan dat?” [J.B.] zegt dat ze dat moeten navragen, hij weet alleen niet welke dagen dat moet, hij moet even kijken. [H.V.] zegt: “ja ja dat moet ik nou weten dan.” [J.B.] zegt: “nou dan bel ik ook weer efkes.” [H.V.] vraagt: “moet nou Panama of van Ecuador hebben?” [J.B.] zegt: “nou de pan die heb je daar dat is die donderdag.” “Ok, ok nou dan moet ik nou weten van van Ecuador maar vlug”, zegt [H.V.] . [J.B.] zegt: “dan ga ik nou bellen.” Om 14:46 uur heeft er een telefoongesprek plaatsgevonden tussen [H.V.] en ene [L.B.] . In dat gesprek gaat het ook over Ecuador en Panama en op welke dagen dat kan.

Interpretatie van het hof

Het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, leidt het hof tot de conclusie dat [J.B.] en de verdachte het in hun gesprek hebben over de landen Panama en Ecuador en wel in relatie tot drugssmokkel, in verband waarmee Panama kennelijk beter is dan Ecuador. Dat dit gesprek over “Paul van de ovens” of over vrouwen/de “P” van Pamela ging, zoals door de verdachte is verklaard, schuift het hof als ongeloofwaardig terzijde.

Boeken van het vliegticket van koerier [R.D.]

In februari 2014 bevond drugskoerier [R.D.] (hierna: [R.D.] ) zich in Punta Cana in de Dominicaanse Republiek. Zijn terugreis stond aanvankelijk gepland voor donderdag 20 februari maar werd verschoven naar zondag 23 februari. Uit gevoerde telefoongesprekken van 20 februari 2014 tussen [H.V.] en [H.H.] blijkt dat er met spoed een vlucht voor [R.D.] moet worden geboekt. Om 20:02 uur belt [H.V.] naar [J.B.] en zegt: “hey kun jij een reis boeken voor mij nu meteen. Ja, want ik weet niet hoe dat werkt met creditcard ik heb hier het nummer van een creditcard gekregen.” Om 20:23 uur wordt [J.B.] gebeld door de verdachte. [J.B.] zegt: “ik had je eigenlijk dringend nodig.” De verdachte zegt: “ja, dat kan. Je weet waar ik werk dus dat scheelt.” [J.B.] vraagt of de verdachte internet heeft en zegt dat hij wel eventjes langsrijdt.

Om 20:40 uur wordt [J.B.] gebeld door [H.V.] . [H.V.] zegt: “ja luister we komen er niet uit ja. Heb jij iemand die dat kan boeken?’’ [J.B.] antwoordt: “daar ben ik nu en die ga ik nou proberen.” Om 20:46 uur wordt [J.B.] wederom gebeld door [H.V.] . [J.B.] zegt: “ja we zijn nou bezig maar er zijn nog tickets zat hoor.” Vervolgens ontstaat een discussie tussen [H.V.] en [J.B.] of de laatste op de goede site aan het kijken is en of hij de goede vlucht voor zich heeft. [J.B.] spreekt tegen iemand op de achtergrond: “ga eens naar boven jongen als je nog verder naar boven euh even kijken.” [H.V.] zegt: “we vliegen alleen Jetairfly.” [J.B.] antwoordt: “dit is ook Jetairfly kijkt ie ook neemt ie ook mee…dit is Jetairfly waar we naar zitten te kijken.” Later in het gesprek zegt [J.B.] tegen iemand op de achtergrond: “we kunnen niet boeken hier.” Op de achtergrond is de horen dat de verdachte “ja moeten” zegt. [J.B.] zegt: “ja dat weet ik maar dan vullen we gewoon wat in dat maakt niet uit toch.”

Om 21:00 uur wordt [J.B.] gebeld door [H.V.] . In dit gesprek zegt [J.B.] dat direct betalen niet gaat omdat het een andere maatschappij is en dat hij contant moet gaan betalen. [H.V.] zegt dat [J.B.] dus dan naar Brussel moet rijden om dat te betalen. Verder zegt [H.V.] dat als [J.B.] had gezegd dat die vent dat niet deed, dat hij dan ook verder was gegaan. [J.B.] antwoordt: “ja inderdaad snap maar daarom ben ik zelf ook verder aan het gaan toch (…) weet je wat het probleem is euh dat begrijp jij zelf ook wel trouwens. Dat euh euh via hoe heet het gaat de bank dan is het euh. Ja nou diegene waar euh die kale zeg maar. Die kan dat niet gebruiken wel.” Om 21:07 uur wordt er met de telefoon van de verdachte naar de vliegtuigmaatschappij Jetairfly gebeld, maar blijkt uit de voicemail dat het kantoor niet meer open is. De stem van [J.B.] is te horen.

Interpretatie van het hof

Het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, leidt het hof tot de conclusie dat de verdachte op zijn computer op verzoek van en samen met [J.B.] geprobeerd heeft een vliegticket voor drugskoerier [R.D.] te boeken. Uit het feit dat [J.B.] het ticket contant moet gaan betalen en dat [J.B.] , als [H.V.] daar wat van zegt, opmerkt “dat die kale dat niet kan gebruiken”, leidt het hof af dat de verdachte – “die kale” – zijn creditcard niet wilde gebruiken. De verdachte zou door het gebruik van zijn creditcard immers traceerbaar zijn. De uitleg van de verdachte, die erkent “die kale” te kunnen zijn geweest, dat [J.B.] slecht van betalen was en dat de verdachte daarom het ticket niet wilde betalen, acht het hof, bezien tegen het voorgaande, ongeloofwaardig.

Gesprek met betrekking tot de wetenschap van de verdachte

Op 3 januari 2014 om 16:40 uur stuurt de verdachte een sms naar [J.B.] met de inhoud: “kwam jij nog vandaag of te druk opt werk”. Om 16:45 uur stuurt [J.B.] een sms terug met de tekst: “gister is goed gegaan dus te druk snapte.” Hierop sms’t de verdachte om 16:47 uur terug: “mooi zo. Ja dan druk zat. Uitzoeken poetsen. Hoor wel wanneer je langskomt. Have Fun.” Op 8 januari 2014 wordt de verdachte gebeld door [J.B.] . [J.B.] zegt: “morgen kom ik langs hoor.” De verdachte zegt: “is goed jongen. Ik dacht al wat is dat lang geleden jongen.” Hierop antwoordt [J.B.] : “ja maar voor mij is het extra druk, dat wil je niet weten.” De verdachte zegt: “aah dat doe je goed jongen. Als je maar een tonnetje rijker bent he. Dat is het belangrijkste altijd he.”

Interpretatie van het hof

Zoals eerder vermeld heeft op 2 januari 2014 door deelnemers aan de organisatie een geslaagde cocaïne-invoer plaatsgevonden. Bezien hiertegen, en in het licht van de overige feiten en omstandigheden die uit het dossier blijken, gaat het hof ervan uit dat dit gesprek gaat over de ingevoerde cocaïne, waar [J.B.] het druk mee heeft. De verklaring van de verdachte, dat hij dacht dat [J.B.] mogelijk bezig was met het uitzoeken van boren die hij van een beurs had meegebracht en die uitgezocht moesten worden omdat ze in een doos zaten, acht het hof niet geloofwaardig.

Conclusie hof met betrekking tot de deelneming van de verdachte aan de criminele organisatie

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte en [J.B.] gedurende de ten laste gelegde periode veelvuldig contact met elkaar hebben gehad, waarbij de verdachte telkens op verzoek van [J.B.] informatie en adviezen gaf. De verdachte beschikte in verband met zijn werkzaamheden voor de Koninklijke Marechaussee over de mogelijkheid politiesystemen te raadplegen en over kennis van grenscontroles en luchtvaart. Deze informatie was voor de organisatie van groot belang. De verdachte heeft met het natrekken van personen in de politiesystemen en met het geven van adviezen dan wel het verrichten van ondersteunende handelingen, bijgedragen aan het verwezenlijken van het doel van de organisatie, namelijk het binnen het grondgebied van Nederland brengen van cocaïne. Hierin ligt zijn wetenschap met betrekking tot dit oogmerk van de organisatie besloten. Het hof voegt hieraan toe dat uit de hiervoor weergegeven gesprekken, die alle in versluierde taal plaatsvinden, ook het beeld naar voren komt dat de verdachte precies weet waar het over gaat en waar [J.B.] mee bezig is. Daarbij moet de verdachte ook duidelijk zijn geweest dat [J.B.] met anderen samenwerkte, al was het maar omdat er gesprekken zijn waarin [J.B.] op verzoek van [H.V.] , met wie [J.B.] op dat moment aan het bellen is, de verdachte om advies vraagt. Voorts is bekend dat internationale drugssmokkel naar zijn aard in georganiseerd verband plaatsvindt en wist de verdachte dat er koeriers en afhalers werden ingezet. In dit verband neemt het hof nog in aanmerking dat de verdachte heeft verklaard dat hij kort na de aanhouding op 14 oktober 2013 in verband met cocaïnesmokkel van [C.G.] , zijnde één van de door hem op verzoek van [J.B.] bevraagde personen, bekend is geraakt met deze aanhouding en aanleiding daartoe. Het ten laste gelegde kan dan ook wettig en overtuigend bewezen worden verklaard.

Bewezenverklaring feit 2

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

feit 2:

hij omstreeks de periode van 1 september 2013 tot en met 6 mei 2014 in Nederland heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie werd gevormd door een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, waartoe hij, verdachte en zijn mededaders en andere personen behoorden, welke organisatie het oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10, vijfde lid, van de Opiumwet, te weten het tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van cocaïne.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grond zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bijlage bewijsmiddelen zijn vervat.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 2 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert op:

deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, vijfde lid, van de Opiumwet.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 2 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 bewezen verklaarde veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden met een proeftijd van twee jaren, alsmede tot een taakstraf van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest.

Tegen dit vonnis heeft het openbaar ministerie hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 en 2 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan. Verder heeft het hof gelet op persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft als opsporingsambtenaar, werkzaam bij de Koninklijke Marechaussee, deelgenomen aan een criminele organisatie die zich bezighield met de invoer van een materiaal bevattende cocaïne in Nederland. Hij heeft zich in verband daarmee gedurende een langere periode, samen met een mededader, schuldig gemaakt aan het meermalen schenden van zijn ambtsgeheim. Verder heeft hij vanuit de specifieke kennis die hij uit hoofde van zijn functie had over onder meer grensbewaking en luchtvaart, gedurende een langere periode de organisatie gerichte adviezen gegeven.

De door de organisatie ingevoerde en in te voeren cocaïne betrof een aanzienlijke hoeveelheid en was bestemd voor verdere verspreiding en handel. Cocaïne is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. Er gaat veel geld om in de internationale drugshandel en dit gaat gepaard met vele vormen van criminaliteit, waaronder vermogenscriminaliteit en geweldsmisdrijven. De verspreiding van en handel in cocaïne gaan eveneens gepaard met vele vormen van criminaliteit, waaronder ook door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof.

Eén van de hoofdtaken van de Koninklijke Marechaussee is grenstoezicht en het daardoor bestrijden van grensoverschrijdende criminaliteit en leveren van een bijdrage aan de nationale veiligheid. Een opsporingsambtenaar van de Koninklijke Marechaussee neemt, gelet op zijn taak en functie, een bijzondere plaats in de samenleving in. Om die reden wordt van hem volledige integriteit en onkreukbaarheid verwacht. De verdachte heeft die verwachting beschaamd en daarentegen misbruik van zijn positie gemaakt. Hij heeft met zijn handelen grensoverschrijdende criminaliteit juist bevorderd. Aldus heeft de verdachte inbreuk gemaakt op het vertrouwen dat de maatschappij in hem heeft gesteld. De ervaring leert dat vertrouwensbreuken als de onderhavige schade plegen toe te brengen aan het imago van personen in vergelijkbare vertrouwensposities. Publiek vertrouwen in instanties als de Koninklijke Marechaussee heeft te gelden als een voorwaarde voor een goed functionerende samenleving. Aldus heeft bezien heeft (de handelwijze van) de verdachte één van de kernwaarden van onze samenleving in gevaar gebracht.

Dit alles rekent het hof de verdachte zwaar aan.

Het hof heeft geen inzicht kunnen krijgen in de persoonlijke drijfveren van de verdachte bij het plegen van de feiten, gelet op zijn – in de visie van het hof: tegen beter weten in – ontkennende houding met betrekking tot zijn wetenschap van de drugsinvoer. De verdachte heeft mitsdien ook geen verantwoordelijkheid genomen voor zijn misstappen.

Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 19 oktober 2018 is de verdachte afgezien van deze zaak niet in aanraking gekomen met politie of justitie.

De verdachte heeft verzocht om, gelet op zijn persoonlijke belangen, waaronder zijn gezin en het bedrijf dat hij samen met zijn vader heeft, geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Hij heeft gevraagd om te volstaan met een geldboete van welke hoogte dan ook, al dan niet gecombineerd met een taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf. Het hof is evenwel van oordeel dat alleen een in ieder geval deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf recht doet aan de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder zij zijn gepleegd. Daarbij acht het hof de door de advocaat-generaal gevorderde straf passend.

Het hof stelt vast dat de redelijke termijn in hoger beroep is overschreden met ruim vijftien maanden. Het hof ziet hierin aanleiding een strafvermindering toe te passen en zal bepalen dat in plaats van vijf maanden een gedeelte groot zeven maanden van de gevangenisstraf onder voorwaarden niet ten uitvoer zal worden gelegd.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op artikel 11a (oud) van de Opiumwet en de artikelen 14a, 14b, 14c, 47, 57 en 272 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van feit 2 en ten aanzien van de strafoplegging en doet in zoverre opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 (vijftien) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 7 (zeven) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 2 (twee) jaren dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.M. van der Nat, C. Fetter en W. Foppen, in tegenwoordigheid van mr. F. van den Brink, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 21 januari 2019.

De griffier is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

=========================================================================

proces-verbaal uitspraak

_______________________________________________________________ _ _

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 23-004151-15

Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van dit gerechtshof, op 21 januari 2019.

Tegenwoordig zijn:

mr. M.M. van der Nat, voorzitter,

mrs. C. Fetter en W. Foppen, raadsheren,

mr. O.F. Qane, griffier.

Het openbaar ministerie wordt vertegenwoordigd door mr. R.C. Tdlohreg, advocaat-generaal.

De raadsheer doet de zaak tegen de verdachte [verdachte] uitroepen.

De verdachte is wel / niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.

Raadsman/raadsvrouw is wel / niet aanwezig.

(zo ja:) naam raadsman/raadsvrouw en plaats:

Tolk is wel / niet aanwezig. (zo ja:) naam tolk en taal:

De raadsheer spreekt het arrest uit.

De raadsheer geeft de verdachte kennis, dat daartegen binnen 14 dagen na heden beroep in cassatie kan worden ingesteld. (indien de VTE is verschenen)

De verdachte heeft wel / geen afstand gedaan van recht aanwezig te zijn bij de uitspraak. (indien VTE is gedetineerd)

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de raadsheer en de griffier is vastgesteld en ondertekend.