Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:939

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
21-03-2019
Datum publicatie
21-03-2019
Zaaknummer
200.246.223/01
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wraking, afwijzing van het verzoek tot wraking van de wrakingskamer

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

zaaknummer : 200.246.223/01

beslissing van de wrakingskamer van 21 maart 2019

inzake het op 29 november 2018 gedane verzoek tot wraking van de wrakingskamer van het gerechtshof Amsterdam door de [gemachtigde] voor

[verzoeker] ,

wonende te Brielle,

hierna: verzoeker.

1 De gang van zaken tot nu toe

Het eerste verzoek tot wraking is gedaan op de op 5 september 2018 gehouden zitting in het geding tussen verzoeker en de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Amsterdam (geregistreerd onder nummer BK-17/00885) inzake het hoger beroep van verzoeker tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 6 oktober 2017 (geregistreerd onder nummer SGR 17/1474), betreffende de aan verzoeker voor het jaar 2014 opgelegde aanslag inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen (IB/PVV), de daarbij in rekening gebrachte belastingrente en de daarbij opgelegde verzuimboete.

Het verzoek strekt tot wraking van mr. F.G.F. Peters, raadsheer bij het gerechtshof Den Haag. Deze heeft niet berust in de wraking.

Bij beslissing van de wrakingskamer van het gerechtshof Den Haag van 12 september 2018 is het wrakingsverzoek ter verdere behandeling verwezen naar de wrakingskamer van het gerechtshof Amsterdam.

Ter gelegenheid van de geplande mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek op 13 november 2018 is verzoeker niet verschenen. De wrakingskamer heeft bij monde van de voorzitter bij die gelegenheid het schriftelijke verzoek van verzoeker om aanhouding van de behandeling van de zaak ingewilligd.

Een volgende mondelinge behandeling was gepland op 29 november 2018. Verzoeker en zijn gemachtigde zijn toen verschenen en hebben de wrakingskamer, waarin zitting hadden mr. D. Kingma, mr. A.M. van Amsterdam en mr. A.R. Sturhoofd, allen raadsheer bij het gerechtshof Amsterdam en leden van de grote wrakingskamer van dat hof (hierna: de eerste wrakingskamer) gewraakt (hierna: het tweede verzoek tot wraking). De raadsheren hebben niet in de wraking berust.

De mondelinge behandeling van het verzoek tot wraking van de eerste wrakingskamer heeft plaatsgevonden op 7 maart 2019. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door [gemachtigde] , die het verzoek ter zitting nader heeft toegelicht. Alstoen is ook ten aanzien van deze wrakingskamer een verzoek tot wraking ingediend (hierna: het derde wrakingsverzoek) nadat bij monde van de voorzitter te kennen was gegeven dat van de zitting geen opnames mochten worden gemaakt, waarna de gemachtigde naar de kern de inhoud van het – hierna weer te geven – tweede wrakingsverzoek herhaald.

Dit derde wrakingsverzoek is – na onderbreking van de mondelinge behandeling – door de wrakingskamer buiten behandeling gelaten, waarna de wrakingskamer de mondelinge behandeling van het tweede wrakingsverzoek heeft voortgezet en na het horen van de gemachtigde en verzoeker te kennen heeft gegeven op 21 maart 2019 uitspraak te zullen doen op het tweede wrakingsverzoek.

2. Het tweede wrakingsverzoek gedaan op de terechtzitting van de wrakingskamer op 29 november 2018

Dit verzoek tot wraking is gedaan nadat de wrakingskamer het verzoek om beeld- en geluidsopnames te mogen maken, had afgewezen. De gemachtigde heeft verder blijkens het proces-verbaal van bedoelde zitting aan het wrakingsverzoek ten grondslag gelegd – samengevat – dat het internationale recht ten onrechte buiten de deur wordt gehouden door artikel 120 Grondwet te misbruiken waardoor artikel 14, lid 3, sub b IVBPR ten onrechte niet wordt toegepast, hetgeen een conflict oplevert met de door de rechter afgelegde eed of belofte om de Grondwet en alle overige (internationale) wetten in acht te nemen en te zullen nakomen. Gelet op dit niet nakomen is er – aldus verzoeker – sprake van meineed en verzoeker vraagt behandeling van het verzoek tot wraking door een constitutionele rechter.

Een en ander werd door de gemachtigde toegelicht bij brief van 6 maart 2019, inhoudende:

“Ons zakelijk verslag ter toelichting van het dossier èn van het proces-verbaal van de wrakingszitting van 29-11-2018 om 11:00 uur. Artikel 14, lid 3, sub b, van de IVBPR zou geen directe werking hebben. Wraking in een fiscale zaak is niet openbaar. Dit werd door ons betwist met het feit dat het hier geen inhoudelijke belaastingzaak betreft. Echter: dit is een principiële zaak.

Te berde is gebracht de poging om ons in eerste instantie te leiden naar een pilot-wrakingskamer onder voorzitter van een mediator. Indien wij op dit voorstel waren ingegaan, was onze zaak verloren in verband met het voorzitterschap: het betreft hier slechts een bemiddeling. Hoe anders dan het door ons gevraagde, namelijk: een onafhankelijke rechter in de vorm van een constitutionele rechter. Dit is een misleidend aanbod. Op onze vragen waarom de correspondentie zo laks verloopt (en nu weer!) en Hoe dit in de toekomst te kunnen voorkomen, is tot op heden zowel in daden als in antwoorden nog niets veranderd. Zelfs heden te elfder ure is er nog steeds geen enkel antwoord gegeven op de wederom door ons gesteld vragen. Hoe hopeloos!

Gevraagd is op basis van artikel 13 van de Wet algemene bepalingen: wat is het onafhankelijke karakter van de samenstelling van de wrakingskamer met betrekking tot de door ons gevraagde onafhankelijke rechter in de vorm van een constitutionele rechter? Dit antwoord schittert door afwezigheid in uw zakelijke verslag / proces-verbaal, en dit terwijl dit ons door mevrouw Sturhoofd is toegezegd. Het niet-nakomen van artikel 13 van deze wet is een misdrijf.

: AUTOGRAPH:COPYRIGHT/COPYCLAIM

: [diverse namen]

: AUTOGRAPH:COPYRIGHT/COPYCLAIM

: [diverse namen] ”

De gemachtigde heeft namens verzoeker vervolgens op de zitting van 7 maart 2019 het woord gevoerd. Hij heeft daarbij uitvoerig de wrakingsgronden toegelicht. Hij heeft van het verhandelde een ‘zakelijk verslag’ opgemaakt, dat hij vervolgens aan de wrakingskamer heeft doen toekomen. De wrakingskamer kan zich niet aan de indruk onttrekken dat dit verslag is opgemaakt aan de hand van opnames die de verzoeker en/of zijn gemachtigde van de behandeling zijn gemaakt, een en ander in strijd met het uitdrukkelijke verbod daartoe van de voorzitter. Wat daar ook van zij: aangezien dit zakelijke verslag redelijk adequaat weergeeft hetgeen door de gemachtigde naar voren is gebracht tijdens de behandeling, neemt de wrakingskamer de tekst van dit verslag over, waarbij zij opgemerkt dat hetgeen daarin als reacties en/of mededelingen door de voorzitter en griffier is vermeld, uitdrukkelijk voor rekening van de gemachtigde en/of verzoeker blijft.

“Als eerste reden van wraking geeft de gemachtigde aan: de eed of de belofte van de raadsheren. Want wij Wilden en Willen ook nu weer gebruik maken van artikel 14, lid 3, sub b, van het Internationale Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke rechten (hierna: IVBPR). Hierin is te lezen dat wij van alle faciliteiten ter verdediging gebruik mogen maken, waaronder ook: beeld en geluidsdragers. In de vorige wrakingszaak was dit verzoek afgewezen. Dit verzoek steunt op artikel 94 van de Grondwet. Extra reden voor deze zitting: er ontbrak nogal wat in het proces-verbaal van de vorige zitting. Hetgeen ontbrak hebben wij met ons zakelijk verslag ter toevoeging van het dossier èn van het proces-verhaal daags tevoren per fax aangevuld. De voorzitter antwoordt dat dit zakelijke verslag aan het dossier is toegevoegd, dat de raadsheren het de volgende ochtend hebben gelezen en dat het Hof geen aanleiding ziet om opnames met beeld en geluidsdragers toe te staan. Gemachtigde zegt hierop dat wederom de ambtseed van de raadsheren wordt geschonden. Hierdoor blijven we in de impasse zitten. Hij leest artikel 120 van de Grondwet voor: “De rechter treedt niet in de beoordeling van de grondwettigheid van wetten en verdragen.” De rechter moet derhalve de Grondwet buiten sluiten in gebruik. Dit artikel 120: het constitutionele toetsingsverbod, bevindt: zich eveneens in de Grondwet. Om deze reden zijn we van het constitutionele toetsingsverbod af. De raadsheren hebben gezworen of beloofd om de Grondwet en alle overige wetten te eerbiedigen en te handhaven, terwijl er een constitutioneel toetsingsverbod is: zij zweren om iets te moeten handhaven waarvan ze geen gebruik mogen maken. hij vraagt: “Kunt u uitleggen Hoe dit samen bestaat?”

De voorzitter antwoordt dat hij hier niet zit om de vragen van gemachtigde te beantwoorden of om zaken uit te leggen. Hij verzoekt een toelichting op de wraking

Gemachtigde vraagt hierop op grond van artikel 13 van de Wet algemene bepalingen omdat de Rechtspraak niet in onduidelijkheden en vaagheden mag eindigen: Hoe functioneert een raadsheer met betrekking tot de eed of belofte de Grondwet te eerbiedigen en te handhaven inclusief al die andere wetten zoals hij heeft gevraagd om toepassing van artikel 14, lid 3, sub b, IVBPR? Hoe kan dit samen bestaan met een constitutioneel toetsingsverbod? Want het is heel eigenaardig om te zweren: ik ben de Grondwet trouw; maar ik mag haar niet toepassen! Dit is een punt van verwondering. Wellicht kan de voorzitter ons vertellen Hoe dit samen kan bestaan: hij is al jaren rechter en werkt er al jaren mee. Naar het idee van gemachtigde moet er één weg. De voorzitter zegt toe hierop in te gaan in de schriftelijke uitspraak indien het voor de beoordeling van het wrakingsverzoek relevant is. De griffier wordt expliciet gevraagd dit in het proces-verbaal op te nemen: Hoe kunnen die twee dingen naast elkaar bestaan? En aangezien de wetgever heeft bepaald hoe dit constitutioneel toetsingsverbod, vermeld in artikel 120 van de Grondwet, moet worden toegepast, is de vraag: komen raadsheren niet in een ethisch conflict? Want als gemachtigde dit artikel 120 strikt leest, dan mag een rechter geen gebruik maken van dit artikel 120. Dit leidt tot een andermaal verzoek om toepassing van artikel 14, lid 3, sub b, IVBPR.

De voorzitter constateert dat hierop reeds is gereageerd. Gemachtigde spreekt nu van een nieuwe situatie, omdat de wetgever heeft verboden om gebruik te maken van dit constitutionele toetsingsverbod dat immers in de Grondwet is opgenomen. Op grond hiervan stelt hij opnieuw de vraag of hij gebruik mag maken van artikel 14, lid 3, sub b, IVBPR. Ook in deze nieuwe situatie wordt dit verzoek ongemotiveerd afgewezen. Om deze reden verzoekt gemachtigde om argumentatie van deze afwijzing, want naar zijn mening berust de afwijzing op een huishoudelijk reglement. Het hof ziet geen reden om het gebruik van audiovisuele opnameapparatuur toe te staan en hiermee moeten wij het doen. Gemachtigde verzoekt opheldering over het feit dat een huishoudelijk reglement gaat boven het IVBPR want volgens artikel 94 van de Grondwet gaan internationale verdragen en besluiten voor op lokale wetgeving De voorzitter zegt dat dit niet van toepassing is. Hierop stelt gemachtigde een andere entree ter sprake, namelijk: artikel 6 van het Europese Verdrag inzake de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (hierna: EVRM): het recht op een eerlijk proces. Hoe krijgen wij een eerlijk proces als een rechter zweert of belooft om de Grondwet en alle overige wetten te eerbiedigen en te handhaven, als hij wordt geconfronteerd met een Constitutioneel toetsingsverbod die hem verbiedt gebruik te maken van de Grondwet? Hoe doet de voorzitter dit dan in verband met artikel 6 EVRM: recht op een eerlijk proces? Want deze twee zijn volgens gemachtigde onverenigbaar. Als de voorzitter hierover een ander idee heeft, dan verneemt hij dit graag op grond van artikel 13 van de Wet algemene bepalingen of op basis van gerechtvaardigd vertrouwen! Want dit is een legitieme vraag die zeker in het belang van deze zaak is omdat het de verdediging blokkeert. Hierop vraagt de voorzitter: in Hoeverre blokkeert het de verdediging? Gemachtigde antwoordt dat wij beeld en geluidsdragers nodig hebben omdat de griffier nogal wat dingen uit het proces-verbaal heeft weggelaten. Deze zaken zijn voor ons van grote betekenis en hadden hierom wel degelijk in dit proces-verbaal moeten worden opgenomen. De opnames zijn bedoeld om dit soort misstanden in de toekomst uit te sluiten. Zaken van belang schitteren door afwezigheid. De voorzitter deelt mee dat het hof deze informatie al heeft meegewogen en ook hierin ziet het hof geen afwijking van de genomen beslissing. hij stelt het verzoek weer aan de orde. Gemachtigde vindt het niet terecht dat ons het internationale recht wordt onthouden. Hij vraagt: waarom heeft artikel 94 minder werking dan artikel 120? Artikel 120 is een oud artikel uit de tijd van Thorbecke (1848) en had er al lang niet meer moeten zijn omdat het niet meer van deze tijd is!

Bovendien mag de Grondwet niet worden gebruikt en om deze reden ook artikel 120 niet. Dit standpunt is de voorzitter volstrekt helder. Gemachtigde zegt hierop alleen maar aan te halen wat in het wetboek staat. De voorzitter stelt het verzoek weer aan de orde en vraagt om een verdere toelichting hiervan. Hierop constateert de gemachtigde dat er niets is veranderd. We zitten weer in dezelfde impasse. Gemachtigde Wil graag gebruik maken van zijn internationale recht want artikel 94 van de Grondwet bepaalt dat internationale verdragen en besluiten voorgaan op de nationale wetgeving. Wij mogen geen opnames maken op grond van een huishoudelijk reglement! Zo komen we weer terug op de vorige zaak: dan wraken wij u ook: alle leden van de wrakingskamer worden gewraakt.

Hierop gaan de leden van de wrakingskamer zich beraden in de raadkamer. Nu we weer voltallig zijn, is de eerste vraag: is dit nog dezelfde zitting als hiervoor? Want het verandert nog wel eens. De voorzitter antwoordt bevestigend: dit is nog steeds dezelfde zitting, en hij heropent deze wrakingszitting. Deze samenstelling van de wrakingskamer is gewraakt. Gemachtigde zegt dat is gewraakt op wrakingsgrond 3.1 in relatie tot 4.4, tweede alinea, van het wrakingsprotocol (niet onafhankelijke raadsheren). We hebben gevraagd om een onafhankelijke rechter in de vorm van een constitutionele rechter omdat in Nederland alleen de wetgever: de Eerste en de Tweede Kamer der Staten-Generaal dit hier zijn en we hebben dus gevraagd om een grondwettelijke rechter. Tot onze grote verbazing — in welke samenstelling de wrakingskamer ook is — er ontbreekt altijd één: de gevraagde en dit is de constitutionele rechter. De onafhankelijke rechter in de vorm van een constitutionele rechter hebben we nog steeds niet gezien. De voorzitter antwoordt hierop dat gemachtigde niet bepaalt wie de rechter zal zijn en ziet geen reden om deze wrakingszitting wegens wraking van de raadsheren te schorsen. Hij vervolgt derhalve de zitting en verzoekt om een verdere toelichting van het wrakingsverzoek. Als gemachtigde artikel 120 strikt leest, is het verboden om het constitutionele toetsingsverbod toe te passen op artikel 120, en dit brengt ons hetgeen wij graag zien, dan gaat ons beroep op artikel 14, lid 3, sub b, IVBPR weer in werking. De rechter komt met zijn eed of belofte om de Grondwet en de overige wetten te eerbiedigen en te handhaven hetgeen door de wetgever is verboden deze eed of belofte niet na. Dit is ook een reden tot heden waarom wij geen gebruik kunnen maken van deze burgerrechten en politieke rechten. Maar het kan niet allebei: het is niet mogelijk dat raadsheren zweren of beloven datgene te doen wal door de wetgever is verboden. Dit gaat niet samen, tenzij de voorzitter hierop een juist antwoord weet te geven. Dit antwoord Willen wij graag horen op basis van artikel 13 van de Wet algemene bepalingen. Raadsheren zitten wellicht ook in een spagaat hiermee. De voorzitter constateert hierop dat dit een punt, wellicht het belangrijkste punt is van de wraking van de raadsheren: Kingma, Van Amsterdam en Sturhoofd. Gemachtigde bevestigt dit. Wij worden gehinderd in het hanteren van het door raadsheren toegezegde en gezworen en beloofde recht.

De voorzitter verzoekt of er nog andere punten van toelichting zijn. Gemachtigde antwoordt dat door het constitutionele toetsingsverbod de Grondwet buiten werking is. In deze Grondwet bevindt zich artikel 120. Hierop zijn maar liefst 40 verschillende visies over Hoe dit artikel kan worden gebruikt of misbruikt. Nog nooit is er over een artikel als dit artikel 120 zoveel geoordeeld. De voorzitter constateert hierop dat dit aansluit op het voorgaande, hetgeen weer beaamd wordt door gemachtigde. Hij vervolgt: dit is wat deze raadsheren is verboden: oordelen over. Er is geen wettelijke basis voor het uitvoeren, sterker nog: het constitutionele toetsingsverbod verbiedt het toetsen: het helpt zichzelf om zeep. De voorzitter constateert dat dit helder voor hem is. De vraag van gemachtigde is hierop: Hoe kunnen deze dingen naast elkaar bestaan: de eed of belofte van de raadsheren en het constitutionele toetsingsverbod dat de Grondwet buiten werking stelt? Hij verzoekt de griffier om nauwkeurige registratie. De griffier hem mee dat zij dit alles omstandig op papier heeft gezet. Op de vraag van de voorzitter of verzoeker nog iets Wilde zeggen, antwoordde hij dat hij zich volledig aansluit hij hetgeen de heer: van-den-Berg voor hem had verwoord. Hierop sloot de voorzitter de behandeling af met de mededeling dat hij op 21 maart, dus over twee weken, ons van de uitspraak op de hoogte zal stellen.

Gemachtigde vroeg nog na de afsluiting van de behandeling of de voorzitter de zaak nog moest schorsen, maar hij zei dat we klaar waren met de zitting: de zitting is gesloten.

:AUTOGRAPH:COPYRIGHT/COPYCLAIM

: [diverse namen]

Verslaglegger, uw dienaar”

3 Het oordeel van de wrakingskamer op het tweede wrakingsverzoek

Op grond van artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen, worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Op grond van artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op de behandeling van het hoger beroep in belastingzaken.

Naar vaste rechtspraak dient bij de beoordeling van een wrakingsverzoek voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een partij vooringenomenheid koestert, althans dat de bij verzoeker dienaangaande bestaande vrees gerechtvaardigd is. Bij de beantwoording van de vraag of in een bepaald geval een gerechtvaardigde grond voor vrees voor partijdigheid van de rechter bestaat, is het standpunt van de klagende partij belangrijk, maar niet doorslaggevend. Beslissend is of de twijfel van de klagende partij aan de onpartijdigheid van de rechter, door objectieve factoren wordt gerechtvaardigd.

In onderhavige zaak overweegt de wrakingskamer als volgt. Uit de inhoud van het hiervoor aangehaalde ‘zakelijk verslag’ blijkt dat de door of namens verzoeker betrokken stellingen zich niet anders kunnen laten kwalificeren dan juridisch onjuist. Van enige omstandigheid waaruit ook maar een begin van (de schijn van) vooringenomenheid bij de leden van de eerste wrakingskamer zou kunnen blijken, is geenszins gebleken.

Het verzoek tot wraking van de eerste wrakingskamer zal daarom worden afgewezen.

4 De beslissing

Het hof:

wijst het verzoek tot wraking van de eerste wrakingskamer af.

Deze beslissing is op 21 maart 2019 gegeven door mr. H.M.J. Quaedvlieg, mr. S. Clement en mr. C. Uriot, in tegenwoordigheid van mr. J. Mulder, griffier.