Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:924

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
20-03-2019
Datum publicatie
03-06-2019
Zaaknummer
23/003178-18
Rechtsgebieden
Materieel strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bevestiging met aanvulling van de strafoplegging en toevoeging van een bewijsmiddel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-003178-18

datum uitspraak: 19 maart 2019

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 6 september 2018 in de strafzaak onder parketnummer 13-650063-18 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1999,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 5 maart 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de strafoplegging en de motivering daarvan -in zoverre zal het vonnis worden vernietigd- en met dien verstande dat het hof, de kwalificatie zal verbeteren en de gronden van het vonnis met een bewijsmiddel zal aanvullen.

Verbeterde kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert op:

diefstal gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt, door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

Aanvulling van de gronden

Het hof vult het vonnis waarvan beroep met het volgende bewijsmiddel aan:

De verklaring door de verdachte afgelegd op de terechtzitting in hoger beroep:

Ik was in Amsterdam-West in de buurt van een coffeeshop. Vervolgens ben ik in een auto gestapt. In de auto kwam ik erachter dat de inzittenden wilden gaan inbreken. Wij zijn met de auto naar de Lindengracht gereden. Op de camerabeelden ben ik herkend als [nummer] ik ben die persoon. Ik neem verantwoordelijkheid voor wat er gebeurde bij de deur. Ik heb geholpen bij het open maken van de deur.

Oplegging van straffen

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot jeugddetentie voor de duur van vier maanden, waarvan één maand voorwaardelijk met een proeftijd voor de duur van twee jaar en met oplegging van bijzondere voorwaarden.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 150 uur subsidiair 75 dagen hechtenis, en tot een voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van een maand met een proeftijd van twee jaar. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat aan het voorwaardelijke deel de bijzondere voorwaarden zoals voorgesteld in het reclasseringsadvies van 28 februari 2019 worden verbonden.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een woninginbraak. Dit is een ernstig feit omdat woninginbraken niet alleen materiële schade opleveren, maar ook omdat deze leiden tot onrust en gevoelens van onveiligheid bij slachtoffers en hun omgeving. Het hof weegt als strafverzwarende omstandigheden mee, dat het feit gedurende de nachtrust heeft plaatsgevonden en dat de verdachte langdurig en berekenend met de woninginbraak is bezig geweest en er een grote ravage is aangericht in de woning.

Het hof heeft acht geslagen op de reclasseringsadviezen van 30 mei 2018 en van 28 februari 2019 alsmede op hetgeen ter terechtzitting in hoger beroep namens de reclassering naar voren is gebracht.

Het hof ziet, evenals de rechtbank in de persoonlijkheid van de verdachte aanleiding om toepassing te geven aan het adolescentenstrafrecht.

Het hof heeft bij het bepalen van de strafmaat ten gunste van de verdachte mee laten wegen dat hij enige openheid van zaken heeft gegeven en dat hij, zoals blijkt uit het onderzoek ter terechtzitting, verantwoordelijkheid heeft genomen voor het openbreken van de deur.

Uit hetgeen ter terechtzitting in hoger beroep naar voren is gekomen leidt het hof af dat de verdachte de laatste maanden een positieve ontwikkeling op persoonlijk vlak heeft doorgemaakt. Het hof ziet gelet op deze ontwikkeling geen reden om aan de verdachte bijzondere voorwaarden op te leggen.

Het hof acht, alles afwegende en overeenkomstig de oriëntatiepunten van straftoemeting en de LOVS afspraken jeugd, een taakstraf in de vorm van een werkstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 63, 77c, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de strafoplegging en de strafmotivering en doet in zoverre opnieuw recht.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 60 (zestig) dagen jeugddetentie.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Veroordeelt de verdachte tot jeugddetentie voor de duur van 1 (één) maand.

Bepaalt dat de jeugddetentie niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.M.P. Geelhoed, mr. I.M.H. van Asperen de Boer-Delescen en mr. M.J.A. Plaisier, in tegenwoordigheid van mr. S. Grote Ganseij, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 19 maart 2019.

=========================================================================

[…]