Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:923

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
19-03-2019
Datum publicatie
03-06-2019
Zaaknummer
23/002119-18
Rechtsgebieden
Materieel strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Doodslag en brandstichting, beroep op noodweer en noodweerexces verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-002119-18

datum uitspraak: 19 maart 2019

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 31 mei 2018 in de strafzaak onder parketnummer 13-650607-16 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1988,

adres: [adres] , thans gedetineerd in [locatie].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 5 maart 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte en door het openbaar ministerie hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de opgelegde gevangenisstraf -in zoverre zal het vonnis worden vernietigd- en met dien verstande dat het hof de overwegingen van de rechtbank in het vonnis onder 6.1 en 6.2 met betrekking tot noodweer en noodweerexces vervangt.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Noodweer(exces)

Standpunt verdediging

Ter terechtzitting heeft de raadsman overeenkomstig zijn pleitnota aangevoerd dat de verdachte een beroep doet op noodweer dan wel noodweerexces. Daartoe heeft de verdediging de volgende feiten en omstandigheden aangevoerd.

De verdachte leerde [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) op straat in Amsterdam kennen. Deze vroeg hem mee naar zijn woning in Amsterdam te gaan, waar de verdachte enige dagen heeft verbleven. [slachtoffer] heeft er een aantal keren bij de verdachte op aangedrongen met hem in een bed te willen slapen en seksuele handelingen met hem uit te voeren. De verdachte heeft dit steeds doch beslist van de hand gewezen. Na een avond met [slachtoffer] te hebben gedronken en na drugs te hebben gebruikt is de verdachte op de bank in slaap gevallen. Hij werd plotseling wakker omdat hij voelde dat [slachtoffer] zijn geslachtsdelen aanraakte. Hij heeft [slachtoffer] van zich af geduwd. [slachtoffer] heeft zich vervolgens weer in zijn richting begeven. De verdachte is toen woest geworden en heeft [slachtoffer] ernstig mishandeld door hem onder andere met een fles op het hoofd te slaan. Toen de verdachte bij zinnen kwam, zag hij dat het slachtoffer niet meer ademde. De verdachte is van mening dat de overschrijding van de grenzen van de noodzakelijke verdediging het onmiddellijk gevolg moet zijn geweest van een zeer heftige gemoedsbeweging die door de aanranding werd veroorzaakt. Voor hem moet dit dermate ingrijpend zijn geweest dat hij zich impulsief en niet adequaat hiertegen heeft verzet met de bekende tragische uitkomst, aldus de verdediging. Het is waarschijnlijk dat de drank en drugs het handelen van de verdachte mede hebben bepaald, zoals ook de psychiater [psychiater] heeft aangegeven.

Standpunt advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft – kort weergegeven – betoogd dat zij wil aannemen dat de verdachte uit zijn roes/slaap ontwaakte omdat [slachtoffer] aan zijn geslachtsdelen zat; dat is een wederrechtelijke aanranding. Deze aanranding heeft de verdachte afgeweerd door [slachtoffer] weg te duwen; de wederrechtelijke aanranding werd daarmee beëindigd. Er was geen sprake van een onmiddellijk dreigend gevaar voor een wederrechtelijke aanranding doordat [slachtoffer] vervolgens nog een keer op de verdachte afkwam. Van belang hierbij is dat de verdachte [slachtoffer] niet gevaarlijk vond, niet bedreigend, hij niet bang was voor hem en hij verkozen had om bij [slachtoffer] te blijven ondanks de eerdere avances die [slachtoffer] had gemaakt, aldus de advocaat-generaal. Het beroep op noodweer faalt, evenals het beroep op (tardief) noodweerexces.

Overweging hof met betrekking tot het beroep op noodweer

Ter beoordeling ligt voor of de verdachte zich heeft verdedigd tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding of een dreiging daartoe en of deze verdediging noodzakelijk is geweest, waarbij naast de eis van subsidiariteit, ook aan proportionaliteitsvereisten moet zijn voldaan.

Het hof gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Over hetgeen in de woning van [slachtoffer] is voorgevallen en dat uiteindelijk heeft geleid tot de dood van [slachtoffer] door de verdachte, heeft enkel de verdachte verklaard; naast [slachtoffer] is hierbij niemand aanwezig geweest. Uit de verklaring(en) van de verdachte volgt dat [slachtoffer] de verdachte een aantal dagen onderdak heeft geboden en zij af en aan in die dagen met elkaar zijn opgetrokken. De verdachte vond [slachtoffer] een vriendelijke man en niet (fysiek) bedreigend. De verdachte was ten tijde van het incident onder invloed van alcohol en drugs en lag vlak voor het incident naar zijn zeggen een roes uit te slapen. De verdachte is wakker geraakt doordat [slachtoffer] zijn genitaliën heeft aangeraakt. In een reactie/reflex heeft de verdachte [slachtoffer] weggeduwd. Daarna heeft de verdachte – nadat [slachtoffer] hem (mogelijk) opnieuw benaderde – geslagen met een fles en geschopt en geslagen over het gehele lichaam, ten gevolge waarvan vele verwondingen zijn ontstaan. Uit het rapport Pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood van het Nederlands Forensisch Instituut van 15 augustus 2017, in samenhang met het rapport inzake Radiologisch onderzoek van 20 december 2016 van prof. dr. [dokter] komt naar voren dat het intreden van de dood van [slachtoffer] goed kan worden verklaard door belemmering van de ademhalingsfunctie en longfunctiestoornissen door uitwendig mechanisch geweld op de romp, en door functieverlies van de hersenen. Het hof maakt deze conclusie tot de zijne.

Het hof is met de advocaat-generaal en de verdediging van oordeel dat een aanraking als door de verdachte beschreven aan te merken is als een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van het lijf of de eerbaarheid van de verdachte. Nu de verdachte zelf heeft verklaard dat hij deze aanraking heeft beëindigd (door na zijn ontwaken [slachtoffer] in een reflex weg te duwen) staat daarmee vast dat deze wederrechtelijke aanranding (en daarmee de noodzakelijkheid van de verdediging) is beëindigd. Ook is niet gebleken van een dreigende nieuwe noodweersituatie. Het enkele feit dat [slachtoffer] (mogelijk) de verdachte opnieuw heeft benaderd deed geen nieuwe noodweersituatie ontstaan. Daarbij acht het hof van belang dat de verdachte [slachtoffer] heeft beschreven als een vriendelijke, niet (fysiek) bedreigend man en hij niet bang was voor [slachtoffer] , en geen reden zag om weg te gaan.

Het beroep op noodweer wordt dan ook verworpen.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 primair en 2 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Strafbaarheid van de verdachte

Noodweerexces

Standpunt verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte een beroep op noodweerexces toekomt nu hij als gevolg van een hevige gemoedsbeweging, door de aanranding veroorzaakt, de grenzen van een noodzakelijke verdediging heeft overschreden. De raadsman heeft hiervoor dezelfde feiten en omstandigheden aangevoerd zoals geschetst bij strafbaarheid van het bewezenverklaarde.

Standpunt advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft aangevoerd dat geen sprake is van noodweerexces. Er is geen sprake van een onmiddellijk gevolg van een hevige gemoedsbeweging als gevolg door de aanranding. Het geweld van de verdachte wijst meer op een daad van vergelding dan het te ver gaan in het kader van verdediging.

Overweging hof met betrekking tot het beroep op noodweerexces

Het hof stelt in dit verband voorop dat van een verontschuldigbare overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging slechts sprake kan zijn indien:

a. de verdachte de hem verweten gedraging heeft verricht in een situatie waarin en op een tijdstip waarop voor hem de noodzaak bestond tot verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, maar daarbij als onmiddellijk gevolg van een hevige door die aanranding veroorzaakte gemoedsbeweging verder gaat dan geboden was, dan wel indien

b. op het tijdstip van de hem verweten gedraging de onder a bedoelde situatie weliswaar was beëindigd en de noodzaak tot verdediging er dus wel was geweest (maar niet meer bestond), doch zijn gedraging niettemin het onmiddellijk gevolg was van een hevige gemoedsbeweging die was veroorzaakt door de daaraan voorafgaande wederrechtelijke aanranding.

Uit het wettelijke vereiste dat de gedraging het "onmiddellijk gevolg" moet zijn van een hevige gemoedsbeweging die is veroorzaakt door een wederrechtelijke aanranding, volgt dat aannemelijk moet zijn dat de aldus veroorzaakte gemoedsbeweging van doorslaggevend belang is geweest voor de verweten gedraging. Niet is uitgesloten dat andere factoren mede hebben bijgedragen aan het ontstaan van die hevige gemoedsbeweging, maar aan het gevolgvereiste is niet voldaan indien de hevige gemoedsbeweging in essentie is terug te voeren op een eerder bestaande emotie, zoals een reeds bestaande kwaadheid jegens het slachtoffer.

Bij de beantwoording van de vraag of in een concreet geval sprake is van het hier bedoelde "onmiddellijk gevolg", kan betekenis toekomen aan de mate waarin de grenzen van de noodzakelijke verdediging zijn overschreden alsmede aan de aard en de intensiteit van de hevige gemoedsbeweging.

Op basis van de feiten en omstandigheden, zoals geschetst onder de strafbaarheid van het feit oordeelt het hof dat de overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging niet het onmiddellijk gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging, die is veroorzaakt door de eerder omschreven daaraan voorafgegane aanranding. Niet is aannemelijk geworden dat deze gemoedsbeweging van doorslaggevend belang is geweest voor de aan de verdachte verweten gedragingen. De reactie van de verdachte richting [slachtoffer] is onder de omstandigheden als weergegeven, zodanig buitensporig en heftig geweest ten opzichte van de gedraging waartegen de verdachte zich zou hebben verdedigd, dat het hof niet aannemelijk acht dat deze het onmiddellijk gevolg was van een hevige gemoedsbeweging van een aard en intensiteit die de mate van overschrijding kunnen verklaren. Het handelen van de verdachte lijkt grotendeels te zijn voortgekomen dan wel mede veroorzaakt doordat de verdachte onder invloed was van drank en drugs en mogelijk vanuit woede. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat de verdachte zelf heeft aangegeven dat [slachtoffer] en hij een goede relatie hadden, eerdere avances voor hem geen aanleiding hadden gevormd het huis te verlaten, hij geen controle meer had over zichzelf en wel boos moet zijn geweest, en dat de eerdere aanranding kon worden beëindigd door het (enkele) wegduwen van [slachtoffer] . Het beroep op noodweerexces wordt dan ook afgewezen.

Er is (ook overigens) geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1 primair en 2 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 13 jaar met aftrek van het voorarrest.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte ter zake van het laste gelegde onder feit 1 primair en feit 2 zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 jaar met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

[slachtoffer] had de verdachte onderdak aangeboden. De verdachte heeft [slachtoffer] om het leven gebracht door hem te slaan met een fles en door hem vervolgens aanhoudend te blijven schoppen en slaan. [slachtoffer] is in zijn eigen woning door de verdachte op uiterst brute en gewelddadige wijze om het leven gebracht. Daarmee heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan één van de ergste misdrijven die het Wetboek van Strafrecht kent en heeft hij hiermee het meest fundamentele recht waarover een mens beschikt, namelijk het recht op leven, ontnomen.

Door [slachtoffer] om het leven te brengen heeft de verdachte diens familie tevens onherstelbaar leed toegebracht. De broer van [slachtoffer] heeft dit ter terechtzitting op aangrijpende wijze toegelicht. Het hof weegt dit bij de strafmaat mee.

Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan brandstichting in de woning [slachtoffer] . De verdachte heeft hiermee getracht de sporen van de doodslag te wissen. Als gevolg van deze brand is het appartementencomplex, waar de woning van [slachtoffer] deel van uitmaakt, ontruimd, is er brand en roetschade in meerdere appartementen ontstaan en zijn enkele huizen geruime tijd onbewoonbaar geweest. De bewoners van het complex hebben hierdoor financiële en psychische schade geleden. Het hof rekent het de verdachte zwaar aan dat hij in een poging verantwoording voor zijn daad te ontlopen, bewust het risico heeft genomen dat er, ten gevolge van de door hem veroorzaakte branden, mogelijk slachtoffers zouden vallen en dat er grote schade zou ontstaan.

Al het voorgaande overwegende acht het hof uitsluitend een vrijheidsbenemende straf als door de advocaat-generaal gevorderd, passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel is gegrond op de artikelen 36b, 36c, 36f, 57, 63, 157 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van strafoplegging en de motivering daarvan en doet in zoverre opnieuw recht.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 (veertien) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.J.A. Plaisier, mr. W.F. Groos en mr. A.M.P. Geelhoed, in tegenwoordigheid van mr. S. Grote Ganseij, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 19 maart 2019.

mr. W.F. Groos is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

=========================================================================

[…]