Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:913

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
19-03-2019
Datum publicatie
29-03-2019
Zaaknummer
200.243.148/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Vordering tot rectificatie van bericht op facebook afgewezen. Betrokkene is er, tegenover de onderbouwing van zijn verwijten door de opsteller van het bericht overgelegde stukken, niet in geslaagd haar stelling te onderbouwen dat in die publicatie onjuiste en onrechtmatige verwijten aan haar worden gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2019-0548
NJF 2019/261
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer: 200.243.148/01 KG

zaaknummer rechtbank Amsterdam: C/13/647474/KG ZA 18-437

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 19 maart 2019

inzake

[appellante] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

appellante,

advocaat: mr. H. Bulut-Yazir te Den Haag,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

geïntimeerde,

advocaat mr. M.A.M. Karsten te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

1.1

Partijen worden hierna [appellante] en [geïntimeerde] genoemd.

1.2

[appellante] is bij dagvaarding van 19 juli 2018 in hoger beroep gekomen van een vonnis in kort geding van de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de voorzieningenrechter) van 21 juni 2018, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [appellante] als eiseres en [geïntimeerde] als gedaagde (hierna: het vonnis).

1.3

[appellante] heeft bij memorie twee grieven tegen het vonnis aangevoerd, producties in het geding gebracht en geconcludeerd het vonnis te vernietigen en haar onder 3.2 weer te geven vorderingen alsnog toe te wijzen met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van de procedure in beide instanties.

1.4

[geïntimeerde] heeft een memorie van antwoord met een productie genomen en geconcludeerd primair tot bekrachtiging van het vonnis met veroordeling van [appellante] in de kosten van (het hof begrijpt) de procedure in appel en subsidiair en meer subsidiair tot het treffen van voorzieningen als nader omschreven in de desbetreffende memorie.

1.5

[appellante] heeft vervolgens een akte overlegging producties genomen, waarop [geïntimeerde] bij antwoordakte met producties heeft gereageerd. [appellante] heeft hierna nog een akte overlegging producties genomen.

1.6

Ten slotte is arrest gevraagd.

2 Feiten

De voorzieningenrechter heeft in het vonnis onder 2 (De feiten), 2.1 tot en met 2.8, een aantal feiten vermeld, die hij bij zijn beslissing tot uitgangspunt heeft genomen. Partijen hebben omtrent die feiten geen geschil, zodat ook het hof van die feiten zal uitgaan.

3 Beoordeling

3.1

Het gaat in deze zaak om het volgende. [appellante] is sinds 2016 voorzitter (president) van de Vereniging Nigerian National Association Netherlands (hierna NNA), een koepelorganisatie van samenwerkende Nigeriaanse belangengroeperingen in Nederland. [geïntimeerde] was vice-president van NNA totdat hij op 19 oktober 2017 door [appellante] in die functie werd geschorst. Die schorsing is bevestigd door de secretaris van NNA in een e-mail aan [geïntimeerde] van 7 november 2017, waarvan een kopie is gestuurd aan de andere bestuursleden van NNA en anderen. [geïntimeerde] heeft aan diegenen aan wie bedoelde e-mail in kopie was gestuurd op 8 februari 2018 een e-mail gezonden, waarin hij een aantal uitlatingen over [appellante] doet. In die e-mail staat - voor zover hier van belang - het volgende:

“However, My Disagreements with her could be strictly summarised under the Following Reasons below:

1. Her Continued Unilateral decisions concerning almost all Issues, Projects, Plans and Undertakings of the NNA.NL Without the collective consent or Awareness of the NNA.NL Executives.

2. Her huge lack of Honesty and Transparency concerning the Finances of the NNA.NL Which has remained under her single management since the Executive Members of this Assocation was Inaugurated.

3. Mrs [appellante] ’s Deceptive strategies of endlessly denying the Elected Financial Secretary Mr. [A] and the Elected Treasurer Apostle, Mrs [B] the Opportunity to perform their Constitutional Duties, hence till today, the Financial Secretary and the Treasurer of the NNA NL Have no tangible Record or Report on the Finances of the Association because the President Mrs [appellante] deliberately took over their functions right from the Inception of our Executive Administration/ lnauguration over a Year ago.

4. Most Notably also, Mrs [appellante] announced that she went to borrow the Sum of 10,000 Euros for the NNA.NL from a particular Igbo Lady Without the knowledge of The Vice-President, The Financial Secretary, The Treasurer and some other Key Officers of the Association and without any Tangible Official Explanations to prove the Purported BORROWING EXERCISE But claimed that the Debt must be shouldered by the Association.

5. Mrs [appellante] Organised a Nigerian Festival with virtually her single-handed Decisions on Budgets, Expenditure and Payments, etc without the Awareness or Agreement of some Key Executive Members of the Association.

6. The NNA.NL President eventually came out with her personally Framed Logs of FINANCIAL DEBTS of between 26,000-30,000 Euros and was not Prepared to render necessary official Receipts, Vouchers and Other Proves of Financial Transparency to the Executive of the NNA.NL .

7.The Summary of my Disagreements with the NNA.NL President also included her Habit of Lying, Back-biting, Disrespect, Arrogance and Unreliability as an Elected supposed Leader of Nigerians in the Netherlands.”

Een soortgelijk bericht heeft [geïntimeerde] op 5 april 2018 ook op zijn Facebook-account geplaatst. Op 13 april 2018 heeft [appellante] aangifte van belediging gedaan tegen [geïntimeerde] . Bij brief van 27 april 2018 heeft de advocaat van [appellante] [geïntimeerde] gesommeerd de op internet geplaatste berichten over [appellante] te verwijderen en een rectificatie te plaatsen. Aan die sommatie heeft [geïntimeerde] geen gevolg gegeven.

3.2

[appellante] vordert in deze procedure:

A. [geïntimeerde] op straffe van verbeurte van een dwangsom met onmiddellijke ingang te verbieden om zich op onrechtmatige wijze mondeling dan wel schriftelijk, op internet of anderszins uit te laten over [appellante] .

B. [geïntimeerde] op straffe van verbeurte van een dwangsom te bevelen alle onrechtmatige uitlatingen van het internet en andere sociale media waaronder WhatsApp te (doen) verwijderen en verwijderd te (doen) houden.

C. [geïntimeerde] op straffe van verbeurte van een dwangsom te bevelen alle desbetreffende zoekmachines te verzoeken om alle zoekresultaten op het internet te verwijderen en verwijderd te houden, ook uit het cachegeheugen, waarin melding wordt gemaakt van de titel en/of delen van de publicaties waarin [appellante] wordt genoemd en beschuldigd.

D. Te bepalen dat [geïntimeerde] een door [appellante] goedgekeurd rectificatiebericht, dan wel een in goede justitie te bepalen tekst, zichtbaar plaatst danwel verzendt waarin [geïntimeerde] toegeeft dat zijn handelwijze (het plaatsen van betreffende berichten) misplaatst was en dat [geïntimeerde] zijn excuses aanbiedt.

[appellante] vordert voorts [geïntimeerde] te veroordelen in de kosten van de procedure in beide instanties, te vermeerderen met nakosten en wettelijke rente.

3.3

[appellante] heeft ter onderbouwing van haar vordering gesteld dat [geïntimeerde] begin april 2018 op internet, via sociale media en via WhatsApp uitlatingen over haar heeft gedaan die schadelijk voor haar zijn. Zij wordt in die uitlatingen beschuldigd van corruptie en van het in strijd handelen met de statuten van NNA. [geïntimeerde] noemt haar in de uitlatingen ook dictator en leugenaar. Al die beschuldigingen van [geïntimeerde] zijn volgens [appellante] onjuist en onrechtmatig.

3.4

[geïntimeerde] heeft verweer gevoerd. Hij stelt dat [appellante] betalingen van de bankrekening van NNA verricht zonder instemming van het bestuur. [appellante] was in 2017 de enige die betalingen van die rekening kon doen en contant geld van die rekening kon opnemen. [geïntimeerde] verwijst naar een door hem in het geding gebrachte verklaring van [A] , volgens de verklaring financieel secretaris van NNA, waaruit volgt dat hij door [appellante] niet in staat werd gesteld zijn functie uit te voeren en dat hij geen toegang had tot de bankrekening van NNA. Hij verwijst voorts naar een verklaring van [C] , volgens de verklaring voorzitter van de vrijwilligers van NNA, en de daarbij gevoegde rekeningafschriften van de bankrekening van NNA bij de ING-bank. In die laatste verklaring staat dat [appellante] geld van NNA heeft gebruikt voor privézaken en dat er sprake is van fraude. Uit de overgelegde bankafschriften volgt dat op 22 februari 2017 € 1.050,--, op 18 mei 2017 € 500,-- en 30 oktober 2017 € 4.700,-- van die rekening is overgemaakt naar de bankrekening van Chevelyns International BV, een vennootschap waarvan [appellante] volgens [geïntimeerde] enig aandeelhoudster is, en dat op 21 en 22 juni 2017 telkens € 2.000,-- van de bankrekening van NNA is gedaan aan [D] , waartegenover volgens [geïntimeerde] geen betalingsverplichting van NNA stond. Verder zijn er, gebruik makend van de bij de rekening van NNA behorende bankpas, die in handen was van [appellante] , bedragen in contanten opgenomen, op 24 april 2017
€ 1.000,-- , op 18 augustus 2017 € 1.000,--, op 21 augustus 2017 € 1.000,--, op 23 augustus 2017 € 750,-- en op 25 augustus 2017 € 1.000,--. [appellante] weigert desgevraagd de betalingen en opnames te verantwoorden en laat voorts een groot aantal schulden van NNA onbetaald. Zijn uitlatingen op Facebook zijn daarom niet onjuist en evenmin onnodig grievend, aldus steeds [geïntimeerde] .

3.5

De voorzieningenrechter heeft de vorderingen van [appellante] afgewezen. De via Facebook verspreide verwijten van [geïntimeerde] komen er volgens de voorzieningenrechter op neer dat hij [appellante] beschuldigt van corruptie en van handelen zonder toestemming van het bestuur van NNA. Nu [geïntimeerde] zijn beschuldigingen met bankafschriften en verklaringen heeft onderbouwd, had het op de weg van [appellante] gelegen haar stelling dat de beschuldigingen van [geïntimeerde] onjuist zijn, tijdig te onderbouwen. Zij heeft dit nagelaten hoewel de voorzieningenrechter de zaak na de mondelinge behandeling heeft aangehouden teneinde haar alsnog die gelegenheid te bieden. De voorzieningenrechter heeft daarom geconcludeerd dat [appellante] de stellingen van [geïntimeerde] voorshands niet voldoende heeft weerlegd zodat er van een verbod tot het doen van de uitlatingen zoals door [geïntimeerde] gedaan geen sprake kan zijn.

3.6

Tegen dit oordeel van de voorzieningenrechter en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt [appellante] met haar grieven op. Grief 1 klaagt erover dat de voorzieningenrechter onder het verloop van de procedure de volgende zin heeft opgenomen;

Op 5 juni 2018 heeft mr. [E] telefonisch meegedeeld dat niet alle door haar ingediende producties 1 tot en met 5 goed leesbaar zijn en dat zij per post een nieuwe set zal toesturen.”

Volgens [appellante] is deze beschrijving van de gang van zaken “onvolledig en te kort door de bocht” en geeft deze “een ander en vertekend beeld van de werkelijkheid”. [appellante] stelt dat op enkele van de aanvankelijk door haar ingediende kopie-producties de handtekening van de secretaris niet te lezen was en dat zij daarom de stukken opnieuw aan de voorzieningenrechter heeft gestuurd. Zij heeft, zo voert zij aan, “uitdrukkelijk” geen nieuwe stukken toegezonden.

3.7

Bij deze grief heeft [appellante] geen belang. Afgezien van het feit dat in de hiervoor geciteerde zin uit het vonnis niet wordt gesuggereerd dat zijdens [appellante] na de genoemde telefonische mededeling van haar advocaat andere stukken zijn ingediend dan de reeds door haar ingediende producties 1 tot en met 5, volgt uit het vonnis dat de voorzieningenrechter de op 5 juni 2018 telefonisch aangekondigde stukken heeft ontvangen en dat deze onderdeel uitmaken van de stukken waarvan de voorzieningenrechter kennis heeft genomen: “Op 7 juni heeft de voorzieningenrechter deze producties ontvangen. Op 11 juni 2018 is aan partijen medegedeeld dat deze nieuwe producties zullen worden toegelaten (…)”.

3.8

Met de voorzieningenrechter en partijen - tegen de desbetreffende overwegingen 4.2 en 4.3 in het vonnis richten zich de grieven niet - is het hof van oordeel dat toewijzing van de vorderingen van [appellante] een beperking zou zijn op het recht van vrije meningsuiting van [geïntimeerde] en dat zo een beperking bij de wet moet zijn voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk moet zijn. Die beperking zou, zoals de voorzieningenrechter ook heeft overwogen, gelegen kunnen zijn in het feit dat de gewraakte uitlatingen van [geïntimeerde] op Facebook onrechtmatig jegens [appellante] zijn. Daarbij dient een afweging plaats te vinden tussen enerzijds het belang van [appellante] dat zij niet door die uitlatingen wordt blootgesteld aan lichtvaardige verdachtmakingen die afbreuk doen aan haar integriteit en eer en goede naam en anderzijds het belang van [geïntimeerde] zich in het openbaar kritisch, informerend, opiniërend en waarschuwend te kunnen uitlaten over misstanden binnen NNA, waarbij hij als bestuurslid betrokken is (geweest). Bij die belangenafweging speelt een belangrijke rol in hoeverre de door [geïntimeerde] aan het adres van [appellante] geuite beschuldiging steun vinden in het feitenmateriaal waarover de rechter die de belangenafweging moet maken, kan beschikken.

3.9

[appellante] heeft niet betwist dat zij de door [geïntimeerde] gestelde bedragen van de bankrekening van NNA heeft overgemaakt op de rekening van een vennootschap, waarvan zij enig aandeelhoudster is en dat zij de door hem gestelde bedragen contant van die rekening heeft opgenomen. Die betalingen en opnames doen daarom vermoeden dat [appellante] inderdaad, zoals [geïntimeerde] haar verwijt, frauduleus en zonder toestemming van het bestuur van NNA heeft gehandeld en dat zij gelden van NNA heeft aangewend voor privé-doeleinden. Het lag dus op de weg van [appellante] haar stelling dat de uitlatingen van [geïntimeerde] niet op waarheid berusten, met stukken te onderbouwen. De voorzieningenrechter heeft vervolgens overwogen dat na globale lezing van de door [appellante] na de zitting van de voorzieningenrechter in het geding gebrachte stukken en de “beperkte” toelichting daarop voorshands niet eenduidig viel af te leiden dat het bestuur van NNA de handelingen van [appellante] heeft goedgekeurd. Er ontbreekt, zo overwoog de voorzieningenrechter, informatie uit een onafhankelijke bron over de financiële handelingen van [appellante] .

3.10

Tegen deze overweging richt zich grief 2. Volgens [appellante] is zij in een toelichting van elf pagina’s ingegaan op de door haar van de rekening van NNA gedane betalingen en de besteding van de door haar van die rekening opgenomen gelden en op de door haar overgelegde notulen van vergaderingen. Zij heeft, zo voert zij aan, alle door haar gedane uitgaven steeds besproken en verantwoord in bestuursvergaderingen. De meeste uitgaven hebben betrekking op een in de zomer van 2017 door NNA georganiseerd festival. De negatieve financiële situatie van NNA is verooorzaakt door de hoge kosten van het festival en is niet aan [appellante] te wijten. Bij in hoger beroep nog genomen akte heeft [appellante] als productie 19 een financieel overzicht overgelegd waaruit volgens haar blijkt dat er geen sprake is van financieël wangedrag.

3.11

Het hof deelt het oordeel van de voorzieningenrechter dat [appellante] met de door haar in het geding gebrachte stukken en de daarop gegeven toelichting niet heeft aangetoond dat de betalingen en opnames van de bankrekening van NNA hebben plaatsgevonden met instemming van de andere bestuursleden van NNA en dat die betalingen en opnames zijn aangewend ter betaling van crediteuren van NNA en niet aan [appellante] privé ten goede zijn gekomen. Uit de overgelegde notulen van bestuursvergaderingen van NNA volgt niet dat de onderhavige betalingen op een rekening van een vennootschap, waarvan [appellante] aandeelhouder is, door het bestuur zijn goedgekeurd en evenmin dat zij toestemming had bedragen in contanten van de rekening van NNA op te nemen - de desbetreffende betalingen en opnames zijn op zichzelf niet door [appellante] betwist -. [appellante] heeft wel gesteld dat zij met de overgemaakte en opgenomen gelden schulden van NNA heeft betaald maar zij heeft, anders dan van haar verwacht had mogen worden, van die (door)betalingen geen bewijzen overgelegd. Die betalingen blijken ook niet uit het in hoger beroep nog in het geding gebrachte financieel overzicht. Daaruit volgt, anders dan [appellante] heeft gesteld, ook niet dat er geen sprake is van financieel wangedrag. Afgezien van het feit dat het overzicht niet is opgesteld door een registeraccountant (maar door iemand die blijkens het briefhoofd van de begeleidende brief verbonden is aan B-Speer Administratie & Advies) en alleen maar data en bedragen vermeldt zonder enige toelichting, volgt uit de begeleidende brief dat het overzicht is opgesteld aan de hand van door [appellante] verstrekte gegevens en blijkt niet dat controle van die gegevens heeft plaatsgevonden. Ook in hoger beroep heeft [appellante] derhalve geen van een onafhankelijk bron afkomstige informatie overgelegd waaruit kan worden afgeleid dat haar financiële handelingen NNA ten goede zijn gekomen. De voorzieningenrechter is derhalve op goede gronden tot het voorlopig oordeel gekomen dat [appellante] de onderbouwde stellingen niet heeft weerlegd en dat niet kan worden vastgesteld dat de gewraakte uitlatingen van [geïntimeerde] onvoldoende steun vinden in het feitenmateriaal. Nu er geen andere omstandigheden zijn gesteld of gebleken die tot een andere belangenafweging nopen, komt ook het hof tot het oordeel dat de belangenafweging voorshands in het voordeel van [geïntimeerde] moet uitvallen. Grief 2 faalt. De vorderingen van [appellante] zijn op goede gronden afgewezen.

3.12

De conclusie is dat de grieven falen. Het vonnis zal worden bekrachtigd. Als in het ongelijk te stellen partij wordt [appellante] veroordeeld in de kosten van de procedure in hoger beroep.

3 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het bestreden vonnis;

veroordeelt [appellante] in de kosten van de procedure in appel, aan de zijde van [geïntimeerde] tot deze uitspraak begroot op € 318,-- voor verschotten en € 1.074,-- voor salaris;

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.M.A. Verscheure, R.J.F. Thiessen en F.J. Verbeek en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 19 maart 2019.