Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:910

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
19-03-2019
Datum publicatie
24-06-2019
Zaaknummer
200.231.809/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Eindarrest

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.231.809/01

zaaknummer rechtbank : 5353624\ CV EXPL 16-26819

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 19 maart 2019

inzake

[appellante] ,

wonend te [woonplaats] ,

appellante,

advocaat: mr. S.A. Wensing te Coevorden,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonend te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. J.W. van Rijswijk te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellante] en [geïntimeerde] genoemd.

[appellante] is bij dagvaarding van 10 januari 2018 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Amsterdam van 13 oktober 2017, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [geïntimeerde] als eiseres in conventie, tevens verweerster in reconventie en [appellante] als gedaagde in conventie, tevens eiseres in reconventie.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, tevens wijziging van eis, met producties;

- memorie van antwoord, met producties.

Partijen hebben de zaak ter zitting van 17 oktober 2018 doen bepleiten, [appellante] door mr. Wensing en [geïntimeerde] door mr. Van Rijswijk. Mr. Wensing heeft gebruik gemaakt van pleitnotities die zijn overgelegd. Mr. Van Rijswijk heeft nog een productie in het geding gebracht. Ten slotte is arrest gevraagd.

[appellante] heeft, samengevat weergegeven, geconcludeerd dat het hof bij arrest uitvoerbaar bij voorraad, het bestreden vonnis zal vernietigen, alsnog de vorderingen van [geïntimeerde] zal afwijzen en - uitvoerbaar bij voorraad - alsnog haar vorderingen zal toewijzen, alsmede [geïntimeerde] zal veroordelen in de kosten van de procedure in beide instanties en, opnieuw recht doende bij arrest:

I primair, de tussen partijen gesloten overeenkomst van opdracht zal ontbinden en [geïntimeerde] zal veroordelen tot betaling aan [appellante] van een bedrag van € 25.141,10 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 februari 2018 tot de dag der algehele voldoening;

II subsidiair, de tussen partijen gesloten overeenkomst geheel of gedeeltelijk zal vernietigen en [geïntimeerde] zal veroordelen tot betaling aan [appellante] van een bedrag van € 25.141,10 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 februari 2018 tot de dag der algehele voldoening;

III uiterst subsidiair, [geïntimeerde] uit hoofde van wanprestatie, onverschuldigde betaling/ongerechtvaardigde verrijking zal veroordelen tot betaling aan [appellante] van een bedrag van € 25.141,10 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 februari 2018 tot de dag der algehele voldoening, althans een door het hof in redelijkheid te bepalen bedrag;

IV [geïntimeerde] zal veroordelen tot betaling aan [appellante] van de schade nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 februari 2018 tot de dag der algehele voldoening;

V [geïntimeerde] zal veroordelen in de buitengerechtelijke incassokosten;

VI [geïntimeerde] zal veroordelen in de kosten van beide instanties.

[geïntimeerde] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal bekrachtigen en bij arrest uitvoerbaar bij voorraad, [appellante] zal veroordelen in de kosten van de procedure, de nakosten daaronder begrepen.

Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.

Van Wijnaarden heeft tegen de eiswijziging van [appellante] in hoger beroep geen bezwaar gemaakt. De wijziging is ook niet in strijd met de eisen van een goede procesorde, zodat op de gewijzigde eis van [appellante] recht zal worden gedaan.

2 Feiten

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis onder 2 de feiten vastgesteld die tot uitgangspunt zijn genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt, behoudens voor zover de kantonrechter in rechtsoverweging 2.2 heeft overwogen:

'Dat polismaximum is bereikt en partijen hebben vervolgens besproken dat [appellante] de kosten van de rechtsbijstand zelf zou dragen.'

Voor zover de juistheid van deze overweging in hoger beroep is betwist wordt voor een bespreking daarvan verwezen naar de beoordeling van grief II onder het kopje 'de beoordeling' hierna.

Samengevat, en waar nodig aangevuld met andere feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist zijn komen vast te staan, komen de feiten neer op het volgende.

2.1

[appellante] was voor 50% eigenaar van het paard [naam paard] [verder: het paard]. [X] B.V. [verder: [X] ] was voor de andere 50% eigenaar. Het paard werd verzorgd, getraind en op wedstrijden uitgebracht door [appellante] .

2.2

[geïntimeerde] heeft [appellante] in verband met diverse geschillen tussen [appellante] en [X] , verband houdend met het paard, bijgestaan.

2.3

[appellante] was voor rechtsbijstand verzekerd bij DAS. Op grond van de polisvoorwaarden stond [appellante] een budget van € 12.500,- ter beschikking. DAS heeft - per abuis - een kostenmaximum van € 25.000,- ter beschikking gesteld. [geïntimeerde] heeft voor de door haar verrichte werkzaamheden met DAS schriftelijke afspraken gemaakt over de aard van de werkzaamheden alsmede de daarvoor in rekening te brengen kosten. DAS heeft de door [geïntimeerde] bij haar ingediende declaraties voldaan. Het kostenmaximum van € 25.000,- is volledig gebruikt.

2.4

Eén van de bij DAS ingediende declaraties van [geïntimeerde] betrof een voorschotnota van

€ 2.000,- ter zake van een door [geïntimeerde] ten laste van [X] voorgenomen beslag op een woning. Ook deze declaratie is door DAS betaald. Het beslag is niet gelegd.

2.5

Na een door [A] (paardenmakelaar) uitgebracht taxatierapport met betrekking tot het paard heeft [geïntimeerde] [X] in kort geding gedagvaard voor de rechtbank Oost-Brabant waarbij, samengevat weergegeven, is gevorderd [X] te veroordelen tot betaling van achterstallige stallingskosten en [X] te gebieden instemming te verlenen voor operatie van het paard. Na de mondelinge behandeling heeft [geïntimeerde] het kort geding ingetrokken. Bij vonnis van 3 oktober 2014 is [appellante] veroordeeld in de kosten van de procedure, welke op nihil zijn gesteld.

2.6

Op 10 september 2014 heeft [geïntimeerde] namens [appellante] conservatoir beslag laten leggen op de aan [X] in eigendom toebehorende helft van het paard.

2.7

Op 15 september 2014 heeft [geïntimeerde] namens [appellante] [X] gedagvaard voor de rechtbank Amsterdam waarbij, evenals aanvankelijk bij de rechtbank Oost-Brabant, is gevorderd [X] te veroordelen tot betaling van achterstallige stallingskosten en [X] de gebieden instemming te verlenen voor operatie van het paard. De vorderingen zijn bij vonnis van 20 oktober 2014 toegewezen.

2.8

Op 28 oktober 2014 heeft DAS aan [geïntimeerde] een brief gestuurd waarin onder meer staat:

"In reactie hierop bericht ik u akkoord te gaan om een bodemprocedure te voeren namens verzekerde. U kunt voor deze procedure een vast tarief ad € 5.000,- inclusief BTW declareren."

2.9

Op 21 maart 2015 heeft DAS een brief gestuurd aan [appellante] , met onder meer de navolgende inhoud:

"In dit dossier is een kostenmaximum van € 25.000,- van toepassing. Voor zover de externe kosten boven dit bedrag uitkomen, zijn deze kosten voor uw eigen rekening. Tot op heden hebben wij € 20.985,01 betaald aan externe kosten. Er resteert dus nog een bedrag van € 4.014,99 voor de vergoeding van externe kosten."

2.10

Op 10 juli 2015 heeft [geïntimeerde] de concept dagvaarding voor een bodemprocedure strekkende tot verdeling van het paard met toedeling van het paard aan [appellante] aan [appellante] gestuurd met het verzoek die door te lezen en van commentaar te voorzien.

2.11

Op 31 juli 2015 heeft [geïntimeerde] , namens [appellante] , [X] gedagvaard voor de handelskamer van de rechtbank Oost Brabant. Deze procedure wordt hierna ook wel aangehaald als ‘de bodemprocedure’.

In vervolg op een door [X] opgeworpen bevoegdheidsincident is de zaak verwezen naar de kantonrechter en is [appellante] veroordeeld in de kosten van het incident, zijnde € 452,-.

2.12

Op 5 november 2015 heeft [geïntimeerde] , namens [appellante] , [X] in kort geding gedagvaard waarbij (wederom) is gevorderd [X] te veroordelen tot betaling van achterstallige en - dit keer - mede van toekomstige stallingskosten. De vordering is bij vonnis van 27 november 2015 (grotendeels) toegewezen.

2.13

[geïntimeerde] heeft bij e-mail van 3 maart 2016 aan [appellante] , naar aanleiding van opdrachten tot verdere actie, laten weten dat zij alleen nog maar werkzaamheden op betalende basis kan verrichten. [geïntimeerde] heeft geschreven:

"Het is voor mij financieel niet mogelijk brieven te blijven schrijven in deze zaak. De door DAS betaalde financiering is op - al een tijd lang. En we hebben een groot stuk procedure in het verschiet. Ik stel voor dat je de correspondentie met [X] over wat wel en niet betalen voortaan zelf voert. En mij kopieën stuurt voor het procesdossier. Ten aanzien van het 'te koop' zetten van [naam paard] (….): dit is een nieuwe zaak voor een

evt. nieuw kort geding. Hiervoor is mijn uurtarief € 180,- per uur, het tarief dat ik gebruikelijk bij particulieren hanteert. DAS betaalt de zaak niet meer dus de vraag is of je hier iets mee wil, ik zou het gelet op de kosten laten liggen."

2.14

Op 3 mei 2016 heeft een bespreking plaatsgevonden tussen [geïntimeerde] en [appellante] . Naar aanleiding hiervan heeft [geïntimeerde] bij e-mail aan [appellante] van 4 mei 2016 het volgende geschreven:

"Graag bevestig ik je onze afspraak van gisteren dat ik bovenstaande zaken voortaan op betalende basis voor je zal behandelen tegen een tarief van 180,- euro incl. kantoorkosten excl. BTW per uur. Hierbij heb ik mijn uren voor de conclusie van antwoord vooralsnog begroot op ca 10 uur, die in verband met comparitie op ca 5 uur. Ik zal maandelijks of bij het einde van bepaalde werkzaamheden factureren.

Wij spraken af dat de verdelingsvordering niet wordt ingetrokken en dat stevig (en m.i. inhoudelijk sterk) verweer gevoerd gaat worden tegen de stellingen en vordering van [X] .

[…]

Wel heb ik alvast gebeld met [A] , die de taxatie graag voor je zal verzorgen. Je kunt hem bellen voor een afspraak. […] Laat mij even weten wanneer je met [A] hebt gesproken dan kan ik hem ook verder instrueren.

[…].”

2.15

Bij e-mail van 6 mei 2016 mailt [appellante] aan [geïntimeerde] :

“Na aanleiding van ons gesprek ben ik er toch erg van geschrokken dat het budget nu opeens op is. Je hebt altijd gezegd dat de bodemprocedure nog gefinancierd was. Ik sta nu voor het blok […]. Maar eigenlijk kan ik dit niet bekostigen. […].

De investeerder zoeken wordt erg moeilijk.[…].”

Zal maandag [A] bellen.

[..].”

2.16

Met betrekking tot de bodemprocedure is [geïntimeerde] met DAS een vaste prijs overeengekomen van € 5.000,- die door DAS aan haar is betaald. Bij conclusie van antwoord in de bodemzaak heeft [X] een vordering in reconventie ingesteld. DAS heeft in verband daarmee bij brief van 10 mei 2016 aan [appellante] geschreven:

"Zoals ik reeds aangaf is er voor de behandeling van de bodemprocedure een fixed fee ad € 5.000,- inclusief BTW afgesproken en ook aan uw advocaat betaald. Aangezien de wederpartij een eis in reconventie heeft ingesteld en dit extra werkzaamheden voor uw advocaat met zich meebrengt, welke niet in de fixed fee zijn meegenomen omdat dit vooraf niet te voorzien was, is het redelijk te noemen om hiervoor aanvullende tariefafspraken te maken. Ik stel voor dat u hiervoor met uw advocaat afspraken maakt, nu uw kostenmaximum nagenoeg bereikt is. (…).

Verder merk ik op dat er op dit moment nog een bedrag van € 107,99 resteert tot het kostenmaximum is bereikt. […]."

2.17

Op 11 mei 2016 heeft [geïntimeerde] aan [appellante] geschreven:

" Graag per mail je akkoord op de door mij begrote 5 uur voor de zaak tegen DAS. Verder graag per mail je akkoord op de door mij begrote 15 uur voor de zaak tegen [X] . Ik merk hierbij op dat dit een begroting is en dat ik dus niet zeker weet of ik het met die uren red, wat natuurlijk wel mijn streven is."

2.18

Op 16 mei 2016 heeft [geïntimeerde] een e-mail gestuurd aan [appellante] , met onder meer de volgende inhoud:

"Hierbij mijn tweede conceptbrief aan DAS (…). Ben er 10 uur mee bezig geweest. (….)."

2.19

Op 17 mei 2016 heeft [geïntimeerde] aan [appellante] gemaild:

"T.a.v. de uren: deze zijn niet vastgelegd op 5. Het was een inschatting. Met het voorbehoud dat het meer zou worden."

2.20

Op 25 mei 2016 heeft [geïntimeerde] een e-mail aan [appellante] gestuurd met het navolgende:

"Nog even over de financiële afspraken: onderstaand het voorbehoud, begroten is niet een afspraak. Maar 10 uur is meer dan 5 uur en ik had aan de bel moeten trekken dat het meer zou worden dus ik laat de 2e 5 uur liggen tot DAS betaalt (wat ze m.i. moeten doen).

Wil je dan wel mijn declaratie zoals die nu is bijgevoegd betalen?

T.a.v. de 15 uur die ik heb begroot: grote kans dat ik daarmee ook krap uit kom.

[…]

Daarom herhaal ik t.a.v. de werkzaamheden voor de bodemprocedure hierbij uitdrukkelijk mijn voorbehoud."

2.21

Op 26 mei 2016 mailt [geïntimeerde] aan [appellante] :

“[…] ben ik alleen nog maar bereid de verdere behandeling van de bodemprocedure op mij te nemen op basis van voorschotbetalingen. […].

Ik zend je daarom hierbij mijn voorschotdeclaratie met betrekking tot de door mij in de bodemprocedure begrote 15 uur - welke begroting, het zij nog maar eens nadrukkelijk gezegd, is gemaakt met het uitdrukkelijke voorbehoud van meer uren in geval meer werk noodzakelijk is - met het verzoek deze te voldoen.

Zodra mijn declaraties […] zijn betaald, zal ik mijn werk hervatten. Tot die tijd kan ik helaas niets voor je betekenen.

[…]

Laat mij dus weten of je gaat betalen of dat het je voorkeur heeft zelf je belangen te behartigen in verband met de zitting van 22 juni a.s.”

2.22

[appellante] heeft ter zake van de bodemprocedure de door [geïntimeerde] aan haar gestuurde voorschotnota, gedateerd 26 mei 2016, van € 3.267,00 voldaan.

2.23

Op 5 juli 2016 heeft [geïntimeerde] een e-mail gestuurd aan [appellante] , de conclusie van antwoord in reconventie in de bodemzaak meegestuurd en er op gewezen dat, samengevat weergegeven, meer uren door haar daaraan zijn besteed dan begroot. Na daartoe verleend verlof heeft [X] conservatoir beslag op het paard laten leggen en is het paard in bewaring gesteld bij een dierenarts.

2.24

[appellante] heeft [geïntimeerde] op 7 juli 2016 naar aanleiding van de beslaglegging gebeld.

2.25

Diezelfde middag heeft [geïntimeerde] aan [appellante] gemaild:

"Onderwerp: bloedspoed stukken voor dagvaarding.

Dagvaarding morgen uit.

Benodigde stukken:

- verklaring dierenarts dat paard met artrose gewoon getraind kan worden en kan meedoen aan het NK

- overzicht wedstrijd resultaten en m.n. de wedstrijden die gemaakt hebben dat jij je gekwalificeerd hebt

- inschrijfbevestiging NK.

[…]"

2.26

Op 8 juli 2016 heeft [geïntimeerde] namens [appellante] een kort geding dagvaarding uitgebracht waarbij opheffing van het beslag en bewaring is gevorderd. Bij vonnis in kort geding [verder: het opheffingskortgeding] heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Oost-Brabant de vordering afgewezen.

2.27

Op 13 juli 2016 heeft [geïntimeerde] namens [appellante] een kort geding dagvaarding uitgebracht en gevorderd een andere gerechtelijk bewaarder te benoemen en te (laten) gedogen dat het paard in opdracht van [appellante] aan een veterinair onderzoek wordt onderworpen. Dit kort geding wordt verder wel genoemd: het bewaarderskortgeding. Ook deze vorderingen zijn afgewezen. Voordat de dagvaarding werd betekend mailde [geïntimeerde] op 13 juli 2016 aan [appellante] :

“Lees jij met spoed de conceptdagvaarding door voor evt. op- of aanmerkingen?

Ik kan hem nog aanpassen voordat we de dagvaarding uitbrengen.”

2.28

Op 16 juli 2016 mailt [geïntimeerde] aan een deurwaarder, welke mail in kopie aan [appellante] is gestuurd:

“Zou jij het incassodossier stallingskosten willen heropenen/niet sluiten?

Grote kans dat niet betaald wordt want paard staat nu in bewaring. Dat doet vooralsnog niets af aan de titel van [appellante] .

Dus wat mij betreft lekker laten doorlopen en op enig moment executoriaal beslag leggen.

Dat wordt dan waarschijnlijk weer een opheffings kort geding maar maakt de onderhandelingspositie van [appellante] wel sterker en ik doe nu toch alles op toevoeging.

[…].”

2.29

In juli 2016 heeft [geïntimeerde] namens [appellante] een toevoeging aangevraagd bij de Raad voor de Rechtsbijstand. De aanvraag is afgewezen.

[geïntimeerde] heeft driemaal een bedrag van € 360,- ter zake van eigen bijdragen bij DAS in rekening gebracht, welke door DAS zijn betaald.

2.30

Op 31 juli 2016 mailt [geïntimeerde] aan [appellante] :

“[…]

Graag verzoek ik je ervoor te zorgen dat de declaratie wordt voldaan.

Zodra de betaling door mij ontvangen is, zal ik mijn werkzaamheden in de bodemprocedure weer oppakken.

Voor die procedure spraken wij eveneens het speciale tarief van 110,- euro excl. BTW per uur af, met dien verstande echter dat dit verhoogd wordt tot mijn gebruikelijke tarief voor particulieren van 180,- euro per uur in geval van verkoop van je aandeel in het paard. Verder is het niet mogelijk de omvang van de werkzaamheden in te schatten, zodat op basis van uren wordt afgerekend.

[…].”

2.31

[geïntimeerde] heeft op 4 augustus 2016 geweigerd om op het verzoek van [appellante] tot het voeren van een bespreking in te gaan zolang [appellante] haar niet zou betalen, geen akkoord op het voorschot is gegeven en het voorschot niet is betaald. Daarop heeft [appellante] de samenwerking met [geïntimeerde] per direct beëindigd en verzocht de dossiers die dag, of de volgende dag, te mogen ophalen. In de bodemzaak stond een comparitie gepland in de eerste week van september 2016. De comparitie heeft doorgang gevonden. [appellante] heeft zich daar door een andere advocaat laten bijstaan. Na de comparitie zijn [appellante] en [X] in de bodemprocedure tot overeenstemming gekomen waarbij [appellante] haar aandeel in het paard aan [X] heeft overgedragen tegen betaling van een zeker bedrag.

2.32

[appellante] heeft tegen [geïntimeerde] diverse klachten ingediend bij de Raad van Discipline [verder: RvD]. De RvD heeft bij beschikking van 2 maart 2018 de klachten van klaagster deels gegrond verklaard, te weten voor zover [geïntimeerde] heeft verzuimd opdrachtbevestigingen aan [appellante] te sturen met een analyse van de sterke en zwakke punten van de zaak, alsmede een inschatting van de verwachte kosten. Nu [geïntimeerde] dat niet heeft gedaan is niet komen vast te staan dat zij [appellante] voldoende over de goede en kwade kansen van de zaak en de te verwachten kosten heeft voorgelicht. Voorts heeft de RvD de klacht dat [geïntimeerde] een zaak willens en wetens bij de verkeerde rechter (handelskamer in plaats van kantonrechter) heeft aangebracht waardoor extra kosten zijn gemaakt ten laste van het budget van DAS gegrond verklaard.

De overige klachten zijn ongegrond verklaard.

[geïntimeerde] is, in verband met de wel gegrond verklaarde klachten, door de RvD berispt.

3 Beoordeling

3.1

In eerste aanleg heeft [geïntimeerde] , in conventie, gevorderd [appellante] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 7.165,34 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 augustus 2016, alsmede een bedrag van € 2.628,77, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 16 augustus 2017, een en ander met veroordeling van [appellante] in de kosten van de procedure.

Het gaat daarbij om de volgende aan [appellante] gezonden facturen:

  • -

    31 juli 2016, factuurnummer 100122 ten bedrage van € 3.185,65 incl. BTW, ter zake van kort geding opheffing;

  • -

    5 augustus 2016, factuurnummer 100116 ten bedrage van € 825,22 incl. BTW, ter zake van de bodemprocedure;

  • -

    16 augustus 2016, factuurnummer 100123 ten bedrage van € 3.154,47 incl. BTW, ter zake van het kort geding bewaring;

  • -

    16 augustus 2017, factuurnummer 100149, ten bedrage van € 2.528,90 incl. BTW ter zake eindafrekening bodemprocedure, waarbij het voorschot van € 3.267,00 in mindering is gebracht;

  • -

    6 augustus 2016, factuurnummer 100162, ten bedrage van € 99,87 incl. BTW.

3.2.

[appellante] heeft in eerste aanleg op haar beurt - na wijziging van eis - in conventie geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen en in reconventie gevorderd [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 32.501,00 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 oktober 2016, betreffende door [appellante] aan [geïntimeerde] betaalde facturen zijnde het bedrag dat door [appellante] aan wegens toerekenbaar tekortschieten van [geïntimeerde] op grond waarvan de overeenkomst tussen partijen moest worden ontbonden, subsidiair vergoeding van de schade die voortvloeit uit de gedeeltelijke ontbinding van de tussen partijen gesloten overeenkomst van opdracht c.q. opheffing van het door [appellante] geleden nadeel, in goede justitie te bepalen, met veroordeling van [geïntimeerde] in conventie en reconventie in de proceskosten.

3.3.

[geïntimeerde] heeft in reconventie geconcludeerd tot niet-ontvankelijk verklaring, althans afwijzing van de vorderingen.

3.4.

Bij vonnis van 13 oktober 2017 heeft de kantonrechter, in conventie, de vordering van [geïntimeerde] toegewezen en in reconventie die [appellante] afgewezen en in conventie en reconventie [appellante] veroordeeld in de proces- en nakosten, aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op een bedrag van € 400,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na datum vonnis.

3.5.

Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt [appellante] met vijftien grieven op. Voorts heeft [appellante] haar eis gewijzigd. Samengevat weergegeven vordert [appellante] in hoger beroep de tussen partijen gesloten overeenkomst van opdracht te ontbinden, dan wel te vernietigen met veroordeling van [geïntimeerde] tot terugbetaling van een bedrag van

€ 24.141,20 dat deels door de DAS, deels door [appellante] aan [geïntimeerde] is betaald en meer subsidiair [geïntimeerde] tot terugbetaling van dit bedrag te veroordelen uit hoofde van onverschuldigde betaling dan wel ongerechtvaardigde verrijking. Daarnaast vordert [appellante] [geïntimeerde] te veroordelen tot vergoeding van de schade die [appellante] heeft geleden door de verkoop van het paard, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.

3.6.

Vooropgesteld wordt dat, anders dan door [appellante] is gesteld, zij geen aanspraak kan maken op terugbetaling van door DAS aan [geïntimeerde] uitbetaalde declaraties. De betalingen door DAS aan [geïntimeerde] zijn immers uit het vermogen van DAS gedaan. Door DAS gedane betalingen voor niet verrichte of ondeugdelijke prestaties van [geïntimeerde] kunnen in het onderhavige geval wel een rol spelen in die zin dat zij ten onrechte ten koste zijn gegaan van het door DAS aan [appellante] ter beschikking gestelde budget, als gevolg waarvan het budget op enig moment was verbruikt en nadien gemaakte kosten ten laste van [appellante] zijn gekomen. Indien en voor zover komt vast te staan dat [geïntimeerde] bepaalde kosten ten onrechte bij DAS heeft gedeclareerd en door DAS zijn voldaan, zullen die in mindering moeten worden gebracht op de vordering van [geïntimeerde] op [appellante] .

3.7

Ter zake van de omvang van de door [geïntimeerde] bij DAS in rekening gebrachte en door DAS betaalde kosten wordt als volgt overwogen:

3.7.1

Partijen zijn het er, zo bleek ter zitting in hoger beroep, over eens dat [geïntimeerde] bij de DAS drie maal een eigen bijdrage in rekening heeft gebracht van elk € 360,- voor aangevraagde doch niet verkregen toevoegingen, welke door DAS zijn betaald. Nu de toevoegingen niet zijn verkregen is door DAS onverschuldigd betaald. Derhalve dient het totaalbedrag van deze eigen bijdragen op een eventueel toewijsbare vordering van [geïntimeerde] op [appellante] in mindering te worden gebracht. Het gaat om € 1.180,00.

3.7.2

Tussen partijen is niet in geschil dat het voorgenomen beslag op een woning niet is gelegd doch ter zake door [geïntimeerde] bij DAS wel een bedrag van € 2.000,00 in rekening is gebracht en door DAS is voldaan. Ook dit bedrag dient, nu dit ten onrechte, namelijk onverschuldigd, ten laste van het voor [appellante] beschikbare budget is gekomen, op eventueel toewijsbare vorderingen van [geïntimeerde] op [appellante] in mindering te worden gebracht. Het gaat om € 2.000,00.

3.7.3

[appellante] heeft voorts gesteld dat [geïntimeerde] ter zake van de bodemprocedure ten onrechte de volledig overeengekomen fixed fee van € 5.000,00, welke door DAS ook is betaald, in rekening heeft gebracht. [appellante] heeft daartoe gesteld dat [geïntimeerde] niet alle beoogde werkzaamheden in de bodemprocedure heeft verricht nu zij niet bij de comparitie, die begin september 2016 heeft plaatsgevonden, is geweest. Derhalve is volgens [appellante] de helft van de afgesproken fee, zijnde € 2.500,- teveel aan [geïntimeerde] betaald. [geïntimeerde] voert verweer, stellende dat [appellante] , door de overeenkomst van opdracht zelf op 4 augustus 2016 te beëindigen, haar de kans heeft ontnomen om naar de comparitie te gaan, weshalve van vermindering van het aan [geïntimeerde] toekomende bedrag geen sprake kan zijn. Ter zake wordt als volgt overwogen. De met DAS overeengekomen vaste prijs van € 5.000,- zag, gelet op de brief van 10 mei 2016 van DAS aan [geïntimeerde] , alleen op de procedure in conventie en niet op de door [X] ingestelde vordering in reconventie. Nu de vaste prijs enkel op de bodemprocedure in conventie zag is [geïntimeerde] met alleen het uitbrengen van de dagvaarding door DAS feitelijk 'overbetaald'. Nu de overeenkomst van opdracht tussentijds door [appellante] is opgezegd en de rechtsgeldigheid van die opzegging door [geïntimeerde] niet, althans niet voldoende onderbouwd, is betwist, kan [geïntimeerde] geen aanspraak maken op de volledig afgesproken vaste prijs. Het hof stelt het door [geïntimeerde] voor het opstellen van de dagvaarding redelijkerwijs in rekening te brengen bedrag vast op € 2.500,-, weshalve eveneens een bedrag van € 2.500,- ten onrechte door [geïntimeerde] bij DAS in rekening is gebracht en ten koste van het aan [appellante] beschikbare budget is gebracht. Dit bedrag dient derhalve op eventueel toewijsbare vorderingen van [geïntimeerde] in mindering te worden gebracht.

3.7.4

[appellante] heeft terecht gesteld dat [geïntimeerde] de bodemprocedure ten onrechte voor de handelsrechter aanhangig heeft gemaakt in plaats van voor de kantonrechter. Daarmee heeft [geïntimeerde] niet gehandeld zoals van een redelijk bekwaam advocaat verwacht mag worden. Dat levert een toerekenbare tekortkoming op aan de zijde van [geïntimeerde] . Als gevolg daarvan is [appellante] bij vonnis in het incident van 9 december 2015 veroordeeld in de proceskosten, zijnde € 452,-. Dit bedrag is ten onrechte ten laste van het budget gekomen en dient derhalve op de beweerdelijke vorderingen van [geïntimeerde] in mindering te worden gebracht. De stelling van [geïntimeerde] dat zij de proceskostenveroordeling heeft betaald van het terug ontvangen (hoge) griffierecht doet hieraan niet af; het bedrag had ten goede moeten komen aan het budget van [appellante] bij DAS.

3.7.5

De stelling van [appellante] dat [geïntimeerde] toerekenbaar tekort is geschoten in de uitvoering van haar werkzaamheden door het eerste kort geding ter zake van de vordering op [X] ter zake de stallingskosten bij de rechtbank Oost Brabant aanhangig te maken en dat vervolgens ter zitting in te trekken, wordt verworpen. Weliswaar heeft [appellante] gesteld dat [geïntimeerde] door haar eigen optreden en het verstrekken van onjuiste informatie aan de rechter de irritatie van de rechter over zich heeft afgeroepen, doch dat is door [geïntimeerde] gemotiveerd betwist. Ter zake is door [appellante] geen begin van bewijs aangebracht noch bewijs aangeboden.

3.7.6

Ook de stelling van [appellante] dat [geïntimeerde] ten onrechte deskundige [A] voor taxatie van het paard heeft ingeschakeld en om die reden de gemaakte kosten niet ten laste van [appellante] mogen komen wordt verworpen. Uit de correspondentie, de e-mail van 3 mei 2016 van [geïntimeerde] aan [appellante] waarin zij laat weten gebeld te hebben met [A] voor een taxatie en de reactie van [appellante] van 6 mei 2016 dat ze [A] zal bellen, blijkt niet van enige twijfel aan de zijde van [appellante] met betrekking tot de persoon van de deskundige. Uit haar reactie heeft [geïntimeerde] , zo [appellante] al niet eerder met het benaderen van [A] als taxateur had ingestemd, in ieder geval mogen begrijpen dat [appellante] daar mee instemde. Bovendien blijkt de e-mail van 10 juli 2014 dat [appellante] met de door [A] uitgevoerde taxatie zeer tevreden was.

3.7.7

Dat [geïntimeerde] meer of andere bedragen ten onrechte bij DAS heeft gedeclareerd en door DAS zijn uitbetaald is niet, dan wel onvoldoende gemotiveerd, gesteld.

3.7.8

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt met zich dat in totaal een bedrag van

€ 6.132,00 (€ 1.180,- + € 2.000,- + € 2.500,- + € 452,-) ten onrechte door [geïntimeerde] bij DAS is gedeclareerd en door DAS aan haar is uitbetaald. Dit bedrag dient op eventueel toewijsbare vorderingen van [geïntimeerde] in mindering te worden gebracht. In zoverre slagen de grieven III en X gedeeltelijk.

3.8

Voorts dient beoordeeld te worden of de vordering van [appellante] voor zover die ziet op veroordeling van [geïntimeerde] tot terugbetaling van de facturen die [appellante] rechtstreeks aan [geïntimeerde] heeft voldaan, voor gehele of gedeeltelijke toewijzing in aanmerking komt. Daarbij ligt, gelet op hetgeen [appellante] heeft gesteld, ter beoordeling voor of [appellante] voor (alle) door [geïntimeerde] bij [appellante] gedeclareerde werkzaamheden opdracht heeft gegeven, dan wel of sprake is geweest van dwaling of misbruik van omstandigheden die tot vernietiging van de overeenkomst moet leiden, de hoogte van het tussen partijen afgesproken tarief en de omvang van de in rekening gebrachte werkzaamheden, alsmede de vraag of [geïntimeerde] bij de uitvoering van haar werkzaamheden toerekenbaar te kort is geschoten en zulks tot ontbinding dient te leiden.

3.9

In weerwil van hetgeen [appellante] heeft aangevoerd, is het hof met [geïntimeerde] van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat [appellante] nadat het door DAS ter beschikking gestelde budget was verbruikt, opdracht aan [geïntimeerde] heeft gegeven voor de door [geïntimeerde] , ten behoeve van [appellante] verrichte werkzaamheden en dat [appellante] de daarmee gepaard gaande kosten zelf zou dragen. Daartoe wordt verwezen naar de e-mail van 3 maart 2016 waarin [geïntimeerde] aan [appellante] , naar aanleiding van opdrachten tot verdere actie, heeft laten weten dat zulks alleen nog maar op betalende basis zou kunnen, de e-mail van 4 mei 2016 van [geïntimeerde] aan [appellante] waarbij zij afspraken van de dag ervoor ter zake van het te hanteren uurtarief en de begroting van het aantal te besteden uren bevestigt. Tot slot verwijst het hof naar de betaling door [appellante] van de voorschotnota voor de bodemprocedure, gedateerd 26 mei 2016. Die betaling verdraagt zich, zonder andere toelichting, niet met de stelling van [appellante] dat ter zake van de opdracht en de basis van betaling voor de werkzaamheden gerelateerd aan de bodemprocedure geen overeenstemming zou zijn bereikt. In zoverre falen de grieven II en IV.

3.10.

Ook de stelling van [appellante] dat zij geen opdracht heeft gegeven voor het opheffingskortgeding wordt verworpen. Uit het telefonisch overleg, het door [geïntimeerde] opvragen van informatie per mail van 7 juli 2016 en de aanwezigheid van [appellante] tijdens de behandeling van het kort geding is voldoende aannemelijk geworden dat tussen [geïntimeerde] en [appellante] overeenstemming bestond over het voeren van het kort geding tot opheffing van het beslag. [geïntimeerde] heeft de gedeclareerde uren voldoende gespecificeerd. Daartegen komt [appellante] niet meer dan in algemene bewoordingen op. De stellingen van [appellante] ter zake van dit kort geding dienen te worden verworpen.

Voor wat betreft het kort geding tot wijziging van de bewaring heeft [geïntimeerde] op 13 juli 2016 de conceptdagvaarding aan [appellante] gestuurd. [appellante] heeft die ook ontvangen maar - naar zij stelt - om haar moverende redenen niet gelezen. Dat komt voor haar rekening en risico. Bovendien is [appellante] ook bij de behandeling van dit kort geding verschenen. Hieruit dient, nu van enig protest van de zijde van [appellante] niet is gebleken, geconcludeerd te worden dat [appellante] met het voeren van ook dit kort geding heeft ingestemd. Voor zover [appellante] heeft gesteld dat het kort geding was gestart met de verwachting dat op basis van een toevoeging zou kunnen worden geprocedeerd, ontneemt het niet verkrijgen van die toevoeging niet de instemming van [appellante] aan het voeren van dit kort geding.

[appellante] heeft voorts nog aangevoerd dat het bewaarderskortgeding niet noodzakelijk was omdat de wederpartij ‘al had ingestemd’. Zij heeft die stelling op geen enkele manier onderbouwd. Deze stelling wordt, gelet op de betwisting door [geïntimeerde] , om die reden gepasseerd.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen dienen de grieven V, VI en VIII te worden verworpen.

3.11.

Met grief VII komt [appellante] op tegen het oordeel dat [geïntimeerde] geen garantie heeft verstrekt dat zij het opheffingskortgeding zou winnen, [appellante] de mogelijkheid had het kort geding in te trekken en dat aan een bewijsopdracht op deze punten niet wordt toegekomen. Uit de toelichting blijkt dat [appellante] zich op het standpunt stelt dat [geïntimeerde] een garantie tot winnen van de procedure heeft verstrekt, daarbij kennelijk doelend op het e-mailbericht van [geïntimeerde] met de tekst "Ik heb [de advocaat van [X] , thans van [appellante] ] graag als tegenstander, ik win altijd van hem". [appellante] stelt dat zij dit niet, zoals door de kantonrechter is overwogen, als grootspraak heeft hoeven op te vatten.

Voorts stelt [appellante] , onder verwijzing naar de beslissing van de RvD dat [geïntimeerde] haar vooraf niet naar behoren heeft geïnformeerd over de strategie, keuzes, risico's en financiële consequenties.

[geïntimeerde] betwist dat zij [appellante] niet op de kansen, risico's en financiële consequenties heeft gewezen. Weliswaar erkent [geïntimeerde] dat zij dat niet schriftelijk heeft gedaan, doch zij stelt dat mondeling te hebben gedaan. Daarbij wijst [geïntimeerde] er op dat [appellante] , gelet op alle eerder gevoerde procedures, wist dat aan de procedures in kort geding risico's waren verbonden. Het hof overweegt ter zake als volgt. Het door [appellante] aangehaalde What's app-bericht waarin [geïntimeerde] schrijft altijd van de advocaat van [X] te winnen, is niet gedateerd. Daardoor is niet duidelijk voorafgaand aan welke te voeren procedure dat bericht door [appellante] is ontvangen. Wat daar ook van zij, hoe ongelukkig een dergelijk bericht ook is omdat het bij [appellante] wel verwachtingen heeft kunnen wekken, is het onvoldoende om een garantie ‘op winnen’ uit te mogen afleiden. Dat op enige andere wijze een dergelijke garantie is gegeven is niet, althans niet voldoende onderbouwd, gesteld.

Voor zover [appellante] met haar stelling dat zij 'op het verkeerde been is gezet' zich beroept op dwaling of misbruik van omstandigheden dient dat beroep te worden verworpen. [geïntimeerde] heeft [appellante] niet voorafgaand aan de procedures schriftelijk op de hoogte gesteld van de kansen, risico’s en financiële consequenties. Dat had dat van [geïntimeerde] wel verwacht mogen worden. Het nalaten daarvan heeft geleid tot een berisping door de RvD. Dat betekent evenwel nog niet dat er derhalve van dwaling, bedrog of misbruik van omstandigheden sprake is geweest. Dat [appellante] , als zij wel over de kansen en risico's was ingelicht, er voor zou hebben gekozen de kort geding procedures niet te voeren, is niet (voldoende) onderbouwd gesteld. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat [appellante] bij een toewijzing van haar vordering in het opheffingskortgeding groot belang had omdat zij, zo is door [geïntimeerde] onbetwist gebleven gesteld, op 17 juli 2016 mee wilde doen aan het NK dressuur Lichte Tour.

3.12

Ook de stelling van [appellante] dat [geïntimeerde] heeft gegarandeerd op basis van een toevoeging voor [appellante] te zullen werken moet tegen de achtergrond van de tussen partijen gevoerde correspondentie en betaling van de voorschotnota door [appellante] worden verworpen. Weliswaar heeft [geïntimeerde] een (of meerdere) toevoegingen aangevraagd en eigen bijdragen bij DAS in rekening gebracht maar daaruit mag niet geconcludeerd worden dat tussen partijen is afgesproken of door [geïntimeerde] is gegarandeerd dat [geïntimeerde] uitsluitend op basis van een toevoeging dan wel kosteloos voor [appellante] zou werken. Dat [geïntimeerde] in een brief aan een deurwaarder heeft geschreven ‘doe nu toch alles op een toevoeging’, suggererende dat de kosten daarom minder relevant waren is ongelukkig, maar betreft geen tot [appellante] gerichte verklaring waaruit een garantie dat [geïntimeerde] kosteloos (of op basis van een toevoeging) voor [appellante] zou werken kan worden gedestilleerd.

3.13

Het beroep door [appellante] op dwaling wordt als niet, dan wel onvoldoende, onderbouwd verworpen en leidt er toe dat de (subsidiaire) vordering tot vernietiging van de overeenkomst dient te worden afgewezen, alsook dat de grieven 11, IV en VII falen. [appellante] was derhalve gehouden de factuur voor de werkzaamheden ter zake van het opheffingskortgeding van 31 juli 2016, nummer 100122, ten bedrage van € 3.185,65 en de factuur voor het bewaarderskortgeding van 16 augustus 2016, nummer 100123, ten bedrage van € 3.154,47 te voldoen, behoudens verrekening met ten onrechte door [geïntimeerde] bij DAS gedeclareerde bedragen. Voor zover zij terugbetaling van deze door haar betaalde facturen vordert, dient die vordering - genoemde verrekening daargelaten - te worden afgewezen.

3.14.

[appellante] formuleert slechts algemene uitgangspunten in haar toelichting op de vordering tot ontbinding van de tussen partijen gesloten overeenkomst en de grieven ter zake, te weten de grieven XII en XIII. De enkele omstandigheid dat [geïntimeerde] berispt is door de RvD brengt niet automatisch mee dat er jegens [appellante] sprake is van een zodanig toerekenbare tekortkoming dat dit tot ontbinding van de overeenkomst moet leiden, daargelaten dat niet duidelijk is welke overeenkomst, dan wel welk deel van de overeenkomst, [appellante] wenst te ontbinden. Derhalve moet de vordering tot gehele of gedeeltelijke ontbinding worden afgewezen en falen de grieven XII en XIII.

3.15.

Nu het er, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, voor moet worden gehouden dat tussen partijen overeenstemming bestond over de door [geïntimeerde] ten behoeve van [appellante] te verrichten werkzaamheden nadat het budget van DAS verbruikt was, dient allereerst grief IX, die zich richt tegen het oordeel van de kantonrechter in r.o. 4.7 en 4.8. dat een afspraak dat het tarief afhankelijk is van de verkoop van het paard niet zonder meer nietig is, beoordeeld te worden. De grief faalt. De gemaakte prijsafspraak, waarbij [geïntimeerde] haar gebruikelijke tarief van € 180,- voor particulieren heeft verlaagd tot € 110,- per uur in verband met de financiële positie van [appellante] , onder de voorwaarde dat als het paard verkocht zou worden, en zo verstaat het hof de afspraak, [appellante] daardoor over de financiële middelen zou beschikken alsnog het gebruikelijke tarief berekend zou worden, is een rechtsgeldige afspraak. Derhalve heeft [geïntimeerde] voor haar werkzaamheden, nadat duidelijk was dat het paard verkocht was en daarmee aan de voorwaarde voor de prijsafspraak van € 180,- per uur was voldaan, dat tarief in rekening kunnen brengen.

3.16

Vervolgens dienen de grieven III en X, waarmee [appellante] onder meer de hoogte/omvang van de door [geïntimeerde] bij [appellante] in rekening gebrachte kosten ter discussie heeft gesteld, te worden besproken.

3.17.

[geïntimeerde] heeft in de bodemprocedure een conclusie van antwoord in reconventie opgesteld. Gelet op de begroting van de kosten mocht [appellante] er op vertrouwen dat geen hogere kosten zouden worden gemaakt althans, anders dan met voorafgaande instemming, niet meer dan de begrote kosten in rekening zouden worden gebracht. Dat [geïntimeerde] in latere e-mails meermaals een voorbehoud heeft gemaakt ter zake van de omvang van de door haar begrote en mogelijk te verrichten werkzaamheden en daarmee gemoeide kosten doet hieraan niet af. Een ander oordeel zou betekenen dat, zonder expliciete instemming van [appellante] , [geïntimeerde] een blanco volmacht had voor het, naar haar eigen inzicht te besteden en te declareren aantal uren.

Het vorenstaande leidt er toe dat [appellante] voor de werkzaamheden in de bodemprocedure aan [geïntimeerde] niet meer verschuldigd is dan de begrote kosten voor het opstellen van de conclusie van antwoord in reconventie, zijnde tien uur. Zoals hier voor al is overwogen kon [geïntimeerde] daarbij een uurtarief van € 180,00 hanteren nu het paard inmiddels was verkocht en daarmee de tussen partijen afgesproken voorwaarde voor het hanteren van dit uurtarief in vervulling is gegaan. Derhalve is [appellante] ter zake van de bodemprocedure aan [geïntimeerde] (niet meer) verschuldigd dan een bedrag van in totaal € 1.800,-, te vermeerderen met 21 % BTW, in totaal

€ 2.178,-. Grief III slaagt, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen deels.

3.18

De grieven XI, XII en XIII komen er - gelet op de toelichting - in de kern op neer dat [appellante] opkomt tegen, samengevat, de afwijzing door de kantonrechter van de vordering van [appellante] tot veroordeling van [geïntimeerde] tot vergoeding van de schade die [appellante] als gevolg van verkoop van het paard stelt te hebben geleden. Bij akte vermeerdering van eis in hoger beroep vordert [appellante] [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van deze schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.

[appellante] heeft in haar toelichting op deze grief een opsomming gegeven van de verwijten die zij [geïntimeerde] maakt. [appellante] heeft niet gesteld, laat staan onderbouwd, wat het causaal verband is tussen het beweerdelijk tekortschieten van [geïntimeerde] , de verkoop van het paard en de daardoor beweerdelijk geleden schade. De omstandigheid dat [geïntimeerde] , tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld doordat zij, zoals de RvD heeft overwogen, [appellante] vooraf niet schriftelijk op de hoogte heeft gesteld van voor- en nadelen van bepaalde processtrategieën en kosten leidt niet automatisch tot causaal verband tussen dat nalaten en de beweerdelijk schade door verkoop van het paard. [appellante] heeft ter onderbouwing wel een groot aantal verwijten aan het adres van [geïntimeerde] geformuleerd maar ook die vormen geen (voldoende) onderbouwing voor de stelling dat [appellante] door toedoen van [geïntimeerde] het paard is kwijt geraakt. [appellante] is immers middels een schikking met [X] zelf tot verkoop van haar aandeel van het paard overgegaan. Op geen enkele wijze is inzichtelijk gemaakt op welke wijze de processtrategie van [geïntimeerde] daartoe heeft geleid, noch dat [appellante] daardoor schade heeft geleden. Ook de enkele omstandigheid dat het paard uiteindelijk is verkocht, is niet per definitie een verlies. Zulks zal afhankelijk zijn van prijs, marktwaarde e.d. waarover niets is gesteld. De grieven XI, XII en XIII falen derhalve. Om dezelfde reden dient ook de bij akte vermeerdering van eis ingestelde vordering tot veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van de door [appellante] geleden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet te worden afgewezen.

3.19

Bij bespreking van grief I, waarmee [appellante] op komt tegen de (rol)beslissing van de rechtbank waarbij het verzoek van [appellante] om te mogen reageren op een akte van [geïntimeerde] is afgewezen, heeft zij geen belang nu zij in hoger beroep alsnog op de bedoelde akte heeft kunnen reageren, noch daargelaten dat tegen een dergelijke rolbeslissing geen beroep openstaat. Grief I faalt derhalve.

Ook bij bespreking van de algemeen geformuleerde grief XV heeft [appellante] geen belang. Ook deze faalt.

3.20.

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt met zich dat [appellante] de facturen van 31 juli 2016, factuurnummer 100122 van € 3.185,65 incl. BTW, ter zake van het opheffingskortgeding en van 16 augustus 2016, factuurnummer 100123 ten bedrage van € 3.154,47 incl. BTW, ter zake van het bewaarderskortgeding (in totaal € 6.340,12 incl. BTW) aan [geïntimeerde] verschuldigd was. [appellante] kan zich evenwel op verrekening beroepen met het totaal bedrag dat [geïntimeerde] ten onrechte bij DAS heeft gedeclareerd en dat ten koste is gegaan van het [appellante] ter beschikking gestelde budget, te weten een bedrag van € 6.132,00. Derhalve resteert door [appellante] te betalen een bedrag van € 208,12, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 augustus 2016. [appellante] zal tot betaling daarvan worden veroordeeld.

De vorderingen van [geïntimeerde] ter zake van de facturen met betrekking tot de bodemprocedure, te weten de facturen van 5 augustus 2016, factuurnummer 100116 ten bedrage van € 825,22 incl. BTW, 16 augustus 2017, factuurnummer 100149, ten bedrage van € 2.528,90 incl. BTW (ter zake eindafrekening bodemprocedure, waarbij het voorschot van € 3.267,00 in mindering is gebracht) en 16 augustus 2016, factuurnummer 100162 ten bedrage van € 99,87 incl. BTW worden voor zover deze een bedrag van € 2.178,00 incl. BTW te boven gaan alsnog afgewezen.

Dat brengt met zich dat grief XIV slaagt nu beide partijen over en weer op enkele punten in het ongelijk zijn gesteld en [appellante] dus ten onrechte in conventie in de proceskosten is veroordeeld. Het hof zal die kosten compenseren.

3.21.

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt, samengevat, met zich dat de grieven III, X en XIV slagen (deels) en de overige grieven falen. De vorderingen van [appellante] in hoger beroep tot, primair (gedeeltelijke) ontbinding, subsidiair (gedeeltelijke) vernietiging van de tussen partijen gesloten overeenkomst van opdracht, van de vordering tot veroordeling van [geïntimeerde] tot (terug)betaling van een bedrag van € 25.141,10 komen slechts voor gedeeltelijke toewijzing, althans verrekening, in aanmerking, te weten voor een bedrag van € 6.132,- en moeten voor het overige worden afgewezen. Ook de vordering tot veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van de schade wegens verkoop van het paard, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet moet worden afgewezen.

3.22.

Het vonnis waarvan beroep zal voor zover in conventie gewezen worden vernietigd waarbij opnieuw rechtdoende [appellante] zal worden veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 208,12, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 augustus 2016 en de proceskosten in conventie zullen worden gecompenseerd.

Voor zover in reconventie gewezen wordt het vonnis waarvan beroep bekrachtigd.

3.23.

In hoger beroep zullen de kosten worden gecompenseerd.

4 Beslissing

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover in conventie gewezen,

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [appellante] om, tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [geïntimeerde] te betalen een bedrag van € 208,12, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 augustus 2016 tot de dag der algehele voldoening;

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep voor het overige;

compenseert de proceskosten van de eerste aanleg in conventie en het hoger beroep in dier voege dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.S. Arnold, G.C. Boot en E.W. de Groot en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 19 maart 2019.