Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:91

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
17-01-2019
Datum publicatie
20-02-2019
Zaaknummer
18/00291
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende is in strijd met het bepaalde in artikel 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht niet in de gelegenheid gesteld te worden gehoord zodat de zaak wordt teruggewezen. Van een situatie als bedoeld in artikel 7:3, letter d, Awb is geen sprake

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 20-02-2019
V-N Vandaag 2019/414
FutD 2019-0472 met annotatie van Fiscaal up to Date
Belastingblad 2019/124 met annotatie van R.A. Eskes
NTFR 2019/826 met annotatie van Mr. M.B. Weijers
V-N 2019/19.24.20
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk 18/00291

17 januari 2019

vierde meervoudige belastingkamer

proces-verbaal

van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep van

[X] te [Z], belanghebbende,

gemachtigde mr. J. van Gemert,

tegen de uitspraak van 13 april 2018 in de zaak met kenmerk HAA 17/4940 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Haarlem,

de heffingsambtenaar.

Partijen hebben ermee ingestemd dat het Hof de zaak zonder zitting afdoet. Hierop heeft het Hof het onderzoek gesloten en mondeling uitspraak gedaan.

Beslissing

Het Hof:

  • -

    vernietigt de uitspraak van de rechtbank;

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar;

  • -

    draagt de heffingsambtenaar op met inachtneming van deze uitspraak opnieuw uitspraak te doen op het bezwaarschrift van belanghebbende;

  • -

    veroordeelt de heffingsambtenaar in de kosten van belanghebbende tot een bedrag van € 319,50;

  • -

    gelast de heffingsambtenaar aan belanghebbende het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 172 te vergoeden.

Gronden

1. De rechtbank heeft het volgende overwogen (waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de heffingsambtenaar als verweerder):

“Feiten

1. Op 14 januari 2017 omstreeks 13:55 uur heeft de parkeercontroleur van de gemeente Haarlem geconstateerd dat de auto van eiser, merk Toyota, met kenteken [kentekennummer] op de Parklaan te Haarlem geparkeerd stond. De parkeercontroleur heeft op bovengenoemde datum en genoemd tijdstip een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd nadat hij heeft geconstateerd dat in de auto geen parkeerkaart aanwezig was en ook niet op enige andere wijze parkeerbelasting was voldaan.

2. Met dagtekening 28 februari 2017 heeft verweerder aan eiser (het Hof leest: aan [A] B.V.) een duplicaat naheffingsaanslag parkeerbelasting toegezonden.

3. Eiser heeft op 4 april 2017, door verweerder ontvangen op 6 april 2017, (het Hof begrijpt als parkeerder) bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslag parkeerbelasting.

4. Verweerder heeft als reactie op de gevraagde informatie van eiser, in de brief van

4 juli 2017 gewezen op de mogelijkheid een afspraak in de plannen voor een hoorzitting.

5. Verweerder heeft geprobeerd telefonisch contact op te nemen met eiser voor het inplannen van een hoorzitting. Het is verweerder niet gelukt telefonisch contact met eiser te krijgen.

6. Op 3 augustus 2017 heeft verweerder eiser per e-mail onder meer verzocht contact op te nemen voor het inplannen van een (telefonisch) hoorzitting. De e-mail is verstuurd naar het e-mailadres dat gemachtigde van eiser ook op zijn briefpapier heeft gebruikt.

7. Met dagtekening 5 oktober 2017 heeft verweerder een aangetekende brief toegestuurd met het verzoek contact op te nemen voor het inplannen van een hoorzitting. Eiser heeft op bovengenoemde verzoeken niet gereageerd.

8. Op 26 oktober 2017 heeft verweerder eiser een e-mail verstuurd en eiser nogmaals in de gelegenheid gesteld binnen een week contact op te nemen voor het inplannen van een hoorzitting. Eiser heeft op deze mail niet gereageerd.

9. Verweerder heeft het bezwaar van eiser met dagtekening 7 november 2017 ongegrond verklaard.

Geschil

10. In geschil is of sprake is van schending van het horen (hoorplicht). Voorts is in geschil of verweerder de naheffingsaanslag terecht heeft opgelegd.

11. Eiser stelt dat hij had moeten worden gehoord. Omdat verweerder dit heeft nagelaten, verzoekt eiser de zaak terug te wijzen naar verweerder. Eiser voert hiertoe aan dat hij op geen enkel moment door verweerder concreet is uitgenodigd om te worden gehoord. Eiser stelt zich op het standpunt dat uit de omstandigheid dat geen reactie werd ontvangen op het verzoek om tot een hoorzitting te komen, niet kan worden afgeleid dat stilzwijgend afstand werd gedaan van het recht om gehoord te worden. Eiser verwijst hierbij naar de uitspraak van de Hoge Raad van 15 mei 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI3751. Voorts neemt eiser het standpunt in dat de naheffingsaanslag ten onrechte is opgelegd. Volgens eiser is geen sprake geweest van parkeren en heeft hij geen gebruik gemaakt van een fiscale parkeerplaats. Eiser verzoekt bij de berekening van de proceskostenvergoeding een wegingsfactor van 2,0 te hanteren. Eiser concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en om de zaak terug te verwijzen.

12. Verweerder stelt dat er geen sprake is van schending van het horen (hoorplicht) en meent dat het aan eiser zelf te wijten is dat hij niet is gehoord. Verweerder stelt dat eiser telefonisch niet bereikbaar was en niet heeft gereageerd op de e-mail en aangetekende brief die naar eiser zijn verstuurd. Voorts stelt verweerder zich op het standpunt dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd. Hiertoe voert verweerder aan dat de parkeercontroleur gedurende ten minste 4 minuten niemand bij de auto heeft waargenomen. Nu er ook zeker meer dan 6 à 7 minuten niemand bij de auto te zien was, rekening houdend met de benodigde tijd voor het vervaardigen van de naheffingsaanslag, kan geen sprake zijn geweest van het onmiddellijk in- of uitstappen van passagiers, zodat volgens verweerder sprake is van parkeren. Aangezien eiser geparkeerd stond op een fiscale parkeerplaats en de parkeercontroleur heeft geconstateerd dat er geen geldig parkeerkaartje of parkeervergunning in de auto aanwezig was en ook niet op enige andere wijze parkeerbelasting was voldaan, is de naheffingsaanslag volgens verweerder terecht opgelegd. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

13. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

Beoordeling van het geschil

Schending van het horen

14. Ingevolge artikel 7:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) stelt een bestuursorgaan, voordat het op het bezwaar beslist, de belanghebbende in de gelegenheid te worden gehoord. Ingevolge artikel 25, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen wordt de belanghebbende, in afwijking van artikel 7:2, van de Awb, gehoord op zijn verzoek.

15. De rechtbank stelt vast dat eiser in bezwaar heeft verzocht om telefonisch te worden gehoord, maar dat in dit geval sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 7:3, aanhef, en onder d, van de Awb. In voornoemd artikellid is bepaald dat van het horen van een belanghebbende kan worden afgezien als de belanghebbende niet binnen de door het bestuursorgaan gestelde redelijke termijn verklaart dat hij gebruik wil maken van het recht te worden gehoord. De rechtbank overweegt dat verweerder meerdere malen telefonisch heeft getracht een hoorzitting te laten plaatsvinden. Tevens heeft verweerder op 3 augustus 2017 een e-mail verstuurd naar het e-mailadres dat de gemachtigde van eiser op zijn briefpapier heeft gebruikt. Ook heeft verweerder bij aangetekende brief van

5 oktober 2017 eiser verzocht contact op te nemen voor het inplannen van een hoorzitting. Per e-mail heeft verweerder eiser op 26 oktober 2017 nogmaals de mogelijkheid gegeven binnen een week contact op te nemen voor het inplannen van een hoorzitting. In deze e-mail heeft verweerder kenbaar gemaakt dat de consequentie van het niet reageren op de e-mail zal worden aangemerkt als het afzien van horen. Dit alles overziend is de rechtbank van oordeel dat verweerder voldoende pogingen heeft ondernomen om tegemoet te komen aan het verzoek van eiser om te worden gehoord.

16. De stelling van eiser dat hij op geen enkel moment door verweerder concreet is uitgenodigd om te worden gehoord, kan naar het oordeel van de rechtbank niet slagen. In het arrest van de Hoge Raad van 15 mei 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI3751, waar eiser naar verwijst, is, anders dan in onderhavig geval, door verweerder inzake het maken van een afspraak voor een hoorzitting slechts één poging gewaagd om contact op te nemen met eiser. In onderhavig geval heeft verweerder meerdere pogingen gedaan een hoorzitting in te plannen. Eiser heeft op deze pogingen niet gereageerd. Voor zover de gemachtigde van eiser zich op het standpunt stelt dat zijn e-mailadres niet functioneert, is dat een risico dat voor zijn rekening komt. Hij had dan bijvoorbeeld een ander e-mailadres kunnen doorgeven.

Dit risico dient voor zijn rekening te blijven. Verweerder heeft in de bestreden uitspraak op bezwaar daarom terecht uit het niet reageren van (de gemachtigde van) eiser de conclusie mogen trekken dat daarmee is afgezien van het recht om te worden gehoord. Van schending van het horen van eiser is naar het oordeel van de rechtbank in onderhavig geval dan ook geen sprake.

Naheffingsaanslag

17. In artikel 225, eerste lid, aanhef en onder a, van de Gemeentewet is bepaald dat in het kader van de parkeerregulering een belasting kan worden geheven ter zake van het parkeren van een voertuig op een bij de belastingverordening dan wel krachtens de belastingverordening in de daarin aangewezen gevallen door het college te bepalen plaats, tijdstip en wijze. In het onderhavige geval is dit geregeld in de Parkeerverordening Haarlem 2017 van de gemeente Haarlem (hierna: de Verordening).

18. Op grond van artikel 225, tweede lid van de Gemeentewet en artikel 1, onderdeel a, van de Verordening wordt onder ‘parkeren’ verstaan (voor zover hier van belang):

“het gedurende een aaneengesloten periode doen of laten staan van een voertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- en uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden en lossen van zaken (…)”.

19. Eiser voert aan dat er geen sprake was van parkeren, maar dat hij als taxichauffeur stil stond om passagiers in- en uit te laten stappen. Eiser meent dat de naheffingsaanslag om deze reden onterecht is opgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser deze stelling in geen enkele fase nader onderbouwd en daarmee niet aannemelijk gemaakt. Daar komt bij dat uit de door verweerder overgelegde gegevens blijkt dat de parkeercontroleur de auto van eiser ten minste vier minuten heeft waargenomen en dat er geen personen bij de auto zijn aangetroffen. Dit is zodanig lang dat alleen al op basis daarvan de rechtbank niet aannemelijk acht dat er sprake was van het onmiddellijk in- of uitstappen van personen.

Met verweerder is de rechtbank dan ook van oordeel dat er sprake was van parkeren in de zin van artikel 1, onderdeel a, van de Verordening. Nu de verschuldigde parkeerbelasting niet is voldaan is de naheffingsaanslag derhalve terecht opgelegd.

20. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

21. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.”

2. Het Hof oordeelt als volgt.

3. Nu belanghebbende in zijn (pro forma) bezwaarschrift te kennen had gegeven door de heffingsambtenaar telefonisch te willen worden gehoord, mocht de heffingsambtenaar uit de omstandigheid dat geen reactie werd ontvangen op een door hem aan belanghebbende schriftelijk gedaan verzoek (zie rechtbankuitspraak onder 7) te reageren voor het maken van een afspraak, niet afleiden dat belanghebbende (stilzwijgend) afstand deed van zijn recht om gehoord te worden.
De heffingsambtenaar had in een dergelijk geval alvorens op het bezwaar te beslissen belanghebbende voor een hoorzitting moeten uitnodigen op een door de heffingsambtenaar vastgesteld tijdstip en plaats (vergelijk Hoge Raad 15 mei 2009, 08/00437, ECLI:NL:HR:2009: BI3751). De rechtbank heeft derhalve ten onrechte, onder verwijzing naar artikel 7:3, letter d, Awb, geoordeeld dat de heffingsambtenaar van het horen heeft mogen afzien.

4. Hieruit volgt dat er sprake is van een schending van de hoorplicht en dat de zaak, gelet op het daartoe strekkende verzoek van belanghebbende, dient te worden teruggewezen naar de heffingsambtenaar (vergelijk Hoge Raad 18 april 2003, nr. 37790, ECLI:NL:HR:2003: AF7495, BNB 2003/267). Aan de behandeling van de vraag of belanghebbende kenbaar heeft gemaakt dat hij langs elektronische weg voldoende bereikbaar is (hetgeen belanghebbende bestrijdt) en/of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd (hetgeen belanghebbende ook bestrijdt) wordt derhalve niet toegekomen.

5. Het hoger beroep is gegrond en de uitspraak van de rechtbank dient te worden vernietigd. De heffingsambtenaar dient belanghebbende alsnog in de gelegenheid te stellen om te worden gehoord, alvorens opnieuw op het bezwaar te beslissen.

6.1.

Het Hof acht termen aanwezig voor een veroordeling in de kosten op de voet van artikel 8:75 in verbinding met artikel 8:108 van de Awb. De voor vergoeding in aanmerking komende kosten zijn opgenomen in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit). Voor het onderhavige geval zijn dat de in onderdeel a vermelde kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

6.2.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van het Besluit stelt het Hof het bedrag van de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand overeenkomstig het in de bijlage bij het Besluit opgenomen tarief op (in totaal) € 319,50:

  • -

    € 63,50 voor de bezwaarfase (1 [voor proceshandelingen: bezwaarschrift] x € 254 [waarde per punt] x 0,25 [wegingsfactor: zeer licht]);

  • -

    € 128 voor de beroepsprocedure (1 [voor proceshandelingen: beroepschrift in eerste aanleg] x € 512 [waarde per punt] x 0,25 [wegingsfactor: zeer licht]);

  • -

    € 128 voor de procedure in hoger beroep (1 [voor proceshandelingen: beroepschrift in hoger beroep] x € 512 [waarde per punt] x 0,25 [wegingsfactor: zeer licht]).

De mondelinge uitspraak is gedaan op 22 januari 2019 door mrs. P.F. Goes, voorzitter, F.J.P.M. Haas en N. Djebali, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van

mr. C. Lambeck, als griffier. Hiervan is dit proces-verbaal opgemaakt, ondertekend door de voorzitter en de griffier.

De beslissing is op de datum van de mondelinge uitspraak in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Tenzij de Hoge Raad anders bepaalt, zal het gerechtshof deze mondelinge uitspraak vervangen door een schriftelijke. In dat geval krijgt u de gelegenheid de gronden van het beroep in cassatie alsnog aan te voeren of aan te vullen.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.