Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:90

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
08-01-2019
Datum publicatie
20-02-2019
Zaaknummer
17/00592
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Parkeerbelasting; voldoende kenbaar dat parkeerbelasting was verschuldigd was

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 21-02-2019
FutD 2019-0541
NTFR 2019/571
NLF 2019/0519 met annotatie van
NLF 2019/0519 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk 17/00592

8 januari 2019

uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] , te [Z], belanghebbende,

tegen de uitspraak van 30 oktober 2017 in de zaak met kenmerk HAA 17/339 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Zaanstad, de heffingsambtenaar.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De heffingsambtenaar heeft met dagtekening 23 december 2016 een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd van in totaal € 62 (€ 2 parkeerbelasting en € 60 naheffingskosten).

1.2.

Na daartegen gemaakt bezwaar, heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak van 10 januari 2017 het bezwaar ongegrond verklaard en de naheffingsaanslag gehandhaafd.

1.3.

De rechtbank heeft bij de uitspraak van 30 oktober 2017 het beroep van belanghebbende ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld, ingekomen bij het Hof op 11 december 2017. Het hoger beroep is bij brief van 8 januari 2018 gemotiveerd. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 oktober 2018. Belanghebbende is zonder bericht van verhindering niet verschenen. Blijkens gegevens van PostNL is de naar belanghebbende op 14 september 2018 per aangetekende post verzonden uitnodiging om op de zitting te verschijnen op 19 september 2018 bezorgd op het adres van belanghebbende. Belanghebbende is aldus tijdig en op de juiste wijze uitgenodigd, zodat de zitting doorgang heeft kunnen vinden. Namens de heffingsambtenaar is verschenen mr. R. Wittenberg.
Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2 Feiten

2.1.

Op 23 december 2016, tijdstip 17.48 uur, is tijdens een parkeercontrole geconstateerd dat de auto van belanghebbende met kenteken [kentekennummer] (hierna: de auto), geparkeerd stond aan de Vaartkade te (centrum) Zaandam (hierna: de locatie), zonder dat parkeerbelasting was voldaan.

2.2.

Ingevolge de Verordening op de heffing en invordering van parkeerbelastingen 2016 van de gemeente Zaanstad is voor het parkeren op de locatie op voornoemd tijdstip belasting verschuldigd.

2.3.

Belanghebbende heeft bij de rechtbank een plattegrond overgelegd (bijlage 5 bij het beroepschrift) waarop hij heeft aangegeven via welke route (hierna: de aanrijroute) hij heeft gereden naar de locatie. Op de aanrijroute is belanghebbende – volgens de hieronder vermelde opgaaf van de heffingsambtenaar en geïllustreerd aan de hand van in hoger beroep overgelegde foto’s – de volgende borden betaald parkeren c.q. parkeerautomaten gepasseerd:

“ 1. Borden bij het binnenrijden van de parkeerzone Westzijde bij het Papenpad (…);

2. Herhalingsbord op de Westzijde (…);

3. Herhalingsbord op de kruising Westzijde/Stationsstraat (…);

4. Twee maal een parkautomaat op de Stationsstraat (…) en (…);

5. Een bord ‘Betaald parkeren’ op de hoek van Herenstraat/Herengracht met een pijl in de richting van de Vaartkade (…)”

2.4.

Ongeveer op 40 meter van de locatie (niet op de aanrijroute) staat een (herhalings)bord betaald parkeren (afgebeeld op een foto opgenomen als bijlage 6 bij het verweerschrift in hoger beroep).

3 Geschil in hoger beroep

In geschil is of de naheffingsaanslag parkeerbelasting terecht is opgelegd. Evenals voor de rechtbank spitst het geschil zich in hoger beroep toe op de vraag of de verschuldigdheid van parkeerbelasting op de locatie voor belanghebbende voldoende kenbaar was.

4 Beoordeling van het geschil

4.1.

De rechtbank heeft in haar uitspraak onder meer als volgt overwogen en beslist (belanghebbende en de heffingsambtenaar zijn daarin aangeduid als ‘eiser’ respectievelijk ‘verweerder’):

“6. Het is in eerste instantie aan verweerder om op zodanige wijze duidelijk te maken dat er parkeerbelasting verschuldigd is dat daar redelijkerwijs geen misverstand over kan bestaan. De rechtbank stelt vast dat uit de door verweerder overgelegde foto’s en plattegrond blijkt dat eiser op genoemde datum op de route die hij volgde alvorens de parkeerplaats te bereiken in ieder geval het bord ‘zone P herhaling” bij het door hem genoemde verkeerspunt is gepasseerd en vervolgens twee parkeerautomaten aan de Stationsstraat. Eiser heeft ter zitting ook bevestigd dat hij deze aanwijzingen op zijn route moet zijn gepasseerd. Gelet hierop was het naar het oordeel van de rechtbank voldoende duidelijk dat ter plaatse voor het parkeren betaald diende te worden.

7. Hetgeen door eiser is aangevoerd, te weten dat het doelmatig zou zijn geweest als tevens bebording bij de afslag Herenstraat of bij het parkeerterrein geplaatst was, doet aan dit oordeel niet af. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen volstaat niet dat slechts wordt bezien of op enkele meters afstand van de plaats waar eisers auto staat geparkeerd een aanwijzing is, waaruit is af te leiden dat ter plaatse voor parkeren betaald moet worden. Eiser heeft ook een eigen onderzoeksplicht naar de eventuele verschuldigdheid van parkeergeld. Daaraan heeft eiser niet voldaan. Van belang daarbij acht de rechtbank de aanwezigheid van een parkeerautomaat aan de Vaartkade, iets voorbij het parkeerterrein waarop eiser de auto heeft geparkeerd. Tot slot acht de rechtbank nog van belang dat eiser niet heeft gesteld dat hij een bord heeft gepasseerd waarop stond aangegeven dat de parkeerzone waarin hij zich bevond was geëindigd.”

4.2.

Het Hof is van oordeel dat de rechtbank op goede gronden een juiste beslissing heeft genomen. Terecht heeft de rechtbank voorop gesteld dat het aan de heffingsambtenaar is om de verschuldigdheid van parkeerbelasting op een zodanige wijze bekend te maken dat over het bestaan ervan redelijkerwijs bij de belastingplichtige geen misverstand kan bestaan. Daarbij geldt een onderzoeksplicht. Van de parkeerder mag worden verwacht dat hij bij de aanvang van het parkeren voldoende onderzoekt of voor het ter plekke parkeren parkeerbelasting verschuldigd is. Dit houdt in dat hij, alvorens te parkeren, oplet of hij een bord ‘betaald parkeren’, dan wel een parkeerautomaat, passeert, en dat hij, nadat hij heeft geparkeerd, zich enige inspanning getroost om te onderzoeken of voor het ter plekke parkeren parkeerbelasting is verschuldigd (vgl. Hof Amsterdam 29 maart 2016, nr. 15/00082, ECLI:NL:GHAMS: 2016:1211).

4.3.

Belanghebbende heeft in hoger beroep gesteld dat het door hem gepasseerde bord op de hoek Westzijde/Stationsstraat (bedoeld in onderdeel 6 rechtbankuitspraak en vermeld in 2.3 onder 3; hierna: bord 3) onduidelijk was; hij wijst in dit verband op de aanpassing dan wel verplaatsing van het desbetreffende bord door de gemeente na de onderhavige controle. Voorts moet volgens belanghebbende rekening worden gehouden met het feit dat het op het tijdstip van parkeren (althans het naar de locatie toerijden) reeds donker was; de rechtbank heeft daar ten onrechte geen rekening mee gehouden. Tot slot wijst belanghebbende erop dat op de locatie zelf, althans in de nabije omgeving daarvan dan wel bij het inrijden van de betreffende wijk – die overigens van een heel ander karakter is dan de Stationsstraat –, geen enkele aanwijzing is te vinden dat sprake is van betaald parkeren.

4.4.

Naar het oordeel van het Hof heeft de heffingsambtenaar met het in hoger beroep overgelegde fotomateriaal aannemelijk gemaakt dat belanghebbende op de aanrijroute verschillende borden is gepasseerd (de onder 1, 2, 3 en 5 genoemde borden in 2.3), waarop – in ieder geval met de onder 1, 2 en 5 genoemde borden – duidelijk genoeg zichtbaar was aangegeven dat een zone betaald parkeren is ingereden. De door belanghebbende (gestelde) onduidelijkheid van bord 3 kan in het midden blijven, omdat aannemelijk is dat belanghebbende zowel voor als na het passeren van bord 3 op de aanrijroute duidelijk zichtbare (zone)borden betaald parkeren is gepasseerd. Overigens merkt het Hof op, anders dan belanghebbende in hoger beroep betoogt, dat de aanpassing dan wel verplaatsing van bord 3 – aldus toegelicht door de heffingsambtenaar, hetgeen het Hof aannemelijk acht – uitsluitend verband houdt met de in de Stationsstraat aangepaste rijrichting. Aan het ingetreden duister ten tijde van het parkeren kent het Hof voorts geen bijzondere betekenis toe. Gelet op de op de aanrijroute aanwezige straatverlichting (zichtbaar op het fotomateriaal), acht het Hof aannemelijk dat de gepasseerde borden ook in de avonduren voldoende zichtbaar zijn.

4.5.

Nu tot slot gesteld noch gebleken is dat belanghebbende via de aanrijroute een bord heeft gepasseerd waarop stond aangegeven dat de betaaldparkerenzone waarin hij zich bevond was geëindigd, is het Hof van oordeel dat er redelijkerwijs geen misverstand over heeft kunnen bestaan dat belanghebbende zich in een betaaldparkerenzone bevond. Het ontbreken van een bord direct bij of in de nabije omgeving van de locatie dan wel van een bord op de door belanghebbende gestelde overgang van de ene wijk in de andere wijk, doet daaraan niet af. Het Hof acht aannemelijk dat belanghebbende bij enig onderzoek ter plekke (ook) het bord dat op 40 meter van de locatie staat (zie 2.3), had kunnen waarnemen.

Slotsom

4.6.

Het hoger beroep van belanghebbende is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.

5 Kosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de kosten.

6 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is gedaan door mrs. H.E. Kostense, voorzitter van de belastingkamer, E.A.G. van der Ouderaa en R.C.H.M. Lips, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. C. Lambeck als griffier. De beslissing is op 8 januari 2019 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.