Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:892

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
19-03-2019
Datum publicatie
29-03-2019
Zaaknummer
200.077.965/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geschil over de vraag wie contractspartij is bij overeenkomst betreffende dakwerkzaamheden. Gevolg van het niet verstuurd zijn van factuur voor opeisbaarheid en verzuim.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer: 200.077.965/01

zaaknummer rechtbank Haarlem: 157673 / HA ZA 09-724

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 19 maart 2019 (bij vervroeging)

inzake

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

advocaat: mr. K. van der Leij te Spaarndam,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. B.P. van Overeem te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

De partijen worden hierna aangeduid als [appellant] en [geïntimeerde] .

[appellant] is bij dagvaarding van 2 september 2010 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Haarlem van 2 juni 2010, gewezen tussen hem als eiser/gedaagde in het verzet en [appellant] als gedaagde/eiser in het verzet.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met producties;

- memorie van antwoord.

Partijen hebben de zaak ter zitting van 15 februari 2019 door hun genoemde advocaten doen bepleiten, ieder aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd. Door [appellant] is bij die gelegenheid nog een productie in het geding gebracht.

[appellant] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en de vordering van [geïntimeerde] alsnog zal afwijzen, met veroordeling (uitvoerbaar bij voorraad) van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties.

[geïntimeerde] heeft geconcludeerd, kort gezegd, dat het hof het bestreden vonnis zal bekrachtigen, met veroordeling (uitvoerbaar bij voorraad) van [appellant] in de kosten van het hoger beroep, met nakosten.

Beide partijen hebben bewijs van hun stellingen aangeboden.

2 Feiten

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2 (2.1 t/m 2.5) de feiten vermeld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt.

3 Beoordeling

3.1.

[geïntimeerde] vordert in dit geding, voor zover in hoger beroep nog van belang, veroordeling van [appellant] tot betaling van € 6.098,15, te vermeerderen met wettelijke rente. Aan zijn hoofdvordering legt [geïntimeerde] ten grondslag dat hij in opdracht van [appellant] aan het pand [adres 1] in de periode van 8 augustus 2008 tot 10 en met oktober 2008 loodgieters-/dakbedekkingswerkzaamheden heeft verricht gedurende 209,5 gewerkte uren tegen € 30,- per uur, zodat hem, inclusief € 100,- voor materiaal, een bedrag toekomt van € 6.385,- exclusief btw (€ 7.598,15 inclusief btw). Hierop is in mindering betaald € 1.500,-, zodat nog ter betaling resteert de gevorderde hoofdsom van € 6.098,15, aldus [geïntimeerde] .

3.2.

Nadat de rechtbank deze vordering bij verstekvonnis van 25 maart 2009 had toegewezen, heeft [appellant] daartegen verzet ingesteld. Bij het thans bestreden vonnis heeft de rechtbank het verstekvonnis op een in hoger beroep niet meer relevant punt vernietigd en voor het overige bekrachtigd, met dien verstande dat de rechtbank aan deze bekrachtiging heeft toegevoegd dat [appellant] hetgeen waartoe hij was veroordeeld dient te voldoen binnen vijf dagen na ontvangst van een door [geïntimeerde] te verstrekken factuur. De rechtbank heeft [appellant] veroordeeld in de kosten van de verzetprocedure.

3.3.

Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt [appellant] op in hoger beroep. Naar aanleiding van de grieven overweegt het hof als volgt.

3.4.

Tussen partijen is in geschil wie de contractspartij van [geïntimeerde] was bij de onderhavige overeenkomst. Volgens [geïntimeerde] was dat [appellant] . Volgens [appellant] heeft hij de overeenkomst gesloten in hoedanigheid van vertegenwoordiger (bestuurder) van [X] Onroerend Goed B.V. en niet privé en was daarom deze vennootschap contractspartij.

3.5.

[appellant] heeft aangevoerd dat hij [geïntimeerde] “mondeling namens zijn vennootschap [X] Onroerend Goed BV” de opdracht heeft verstrekt (memorie van grieven onder 10). Het hof begrijpt dat [appellant] daarmee heeft bedoeld aan te voeren dat uit de door hem gestelde (en hierna te bespreken) feiten en omstandigheden volgt dat hij als vertegenwoordiger van de genoemde vennootschap is opgetreden. Voor zover [appellant] echter heeft bedoeld de overweging van de rechtbank onder 4.3 (dat hij niet heeft gezegd dat hij handelde als bestuurder van de B.V. en/of dat de B.V. opdrachtgever was) te bestrijden en aan te voeren dat hij bij het verstrekken van de opdracht aan [geïntimeerde] heeft meegedeeld dat hij de opdracht namens deze vennootschap gaf, verwerpt het hof dit verweer omdat [appellant] daarbij onvoldoende feitelijk heeft uiteengezet met welke bewoordingen hij dan aan [geïntimeerde] heeft kenbaar gemaakt dat de opdracht werd gegeven namens de genoemde vennootschap.

3.6.

[appellant] heeft aangevoerd dat [geïntimeerde] eerder zaken had gedaan met [X] Onroerend Goed B.V. en dat dit blijkt uit een factuur van [geïntimeerde] van 20 juni 2008. Het betreft een factuur van 20 juni 2008 ten bedrage van

€ 535,50 inclusief btw ter zake van “C V radiatoren thermostaat kraan vervangen en onderhoud”. Uit deze factuur - die overigens mede betrekking had op werkzaamheden in het woonhuis van [appellant] - volgt echter niet dat het de vennootschap is geweest die zaken had gedaan met [geïntimeerde] . De factuur is immers gericht aan “restaurant Adres : [adres 2] (…) Woonplaats: [woonplaats] ”. [appellant] heeft weliswaar naar voren gebracht dat met “restaurant” is bedoeld het aan de [adres 1] gevestigde restaurant [naam restaurant] en dat deze naam een handelsnaam is van [X] Onroerend Goed B.V., maar uit een en ander volgt niet dat het [geïntimeerde] duidelijk had behoren te zijn dat de vennootschap de opdrachtgever was ter zake van de werkzaamheden waarop die factuur betrekking had, te meer nu is gebleken dat niet [X] Onroerend Goed B.V. eigenaar was van het pand waarin het restaurant was gevestigd, maar een andere vennootschap waarvan [appellant] aandeelhouder is ( [Y] Onroerend Goed B.V.). Eerst ter zitting in hoger beroep is gebleken dat de aan “restaurant” gerichte factuur is betaald door [X] Onroerend Goed B.V. Het hof acht deze omstandigheid echter onvoldoende om de conclusie te rechtvaardigen dat [geïntimeerde] bij de enkele maanden later door [appellant] verstrekte opdracht redelijkerwijze had behoren te begrijpen dat die opdracht werd gegeven namens de laatstgenoemde vennootschap. De omstandigheid, ten slotte, dat ter zake van de onderhavige loodgieters- en dakbedekkingswerkzaamheden een betaling van € 1.500,- is verricht door [X] Onroerend Goed B.V. is hier zonder betekenis omdat, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, deze betaling is gedaan nadat de onderhavige overeenkomst tot stand was gekomen. Het hof onderschrijft derhalve het oordeel van de rechtbank op dit punt, zodat de daartegen gerichte grief 1 faalt.

3.7.

De grieven 2 en 3 betreffen het aantal uren dat [geïntimeerde] in rekening heeft gebracht bij [appellant] . Het hof memoreert dat [appellant] volgens het proces-verbaal van comparitie in eerste aanleg heeft verklaard dat [geïntimeerde] volgens hem ( [appellant] ) tien tot vijftien uur minder heeft gewerkt, dat dit ook 20 uur kan zijn en dat hij ( [appellant] ) de gewerkte uren in zijn agenda had genoteerd. In het licht hiervan moet de bestrijding door [appellant] in de toelichting op beide grieven van het door [geïntimeerde] gestelde aantal uren als onvoldoende gemotiveerd worden verworpen. In de eerste plaats ligt in deze uitlating ter comparitie een erkenning besloten van een aanmerkelijk groter aantal uren dan [appellant] volgens zijn verweer bij memorie van grieven is verschuldigd. In de tweede plaats is onduidelijk welk aantal [appellant] nu bestrijdt. In de derde plaats heeft [appellant] nagelaten de volgens zijn mededeling door hem gedocumenteerde gegevens in het geding te brengen. Beide grieven zijn ondeugdelijk.

3.8.

In grief 4 betoogt [appellant] dat hij “niet in gebreke noch in verzuim verkeerde” ter zake van zijn verplichtingen uit de overeenkomst omdat [geïntimeerde] niet een factuur had verstrekt.

3.9.

Ook deze grief faalt. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat in de onderhavige zaak, waarin de advocaat van [geïntimeerde] [appellant] bij brief van 3 december 2008 in gebreke had gesteld, het niet verstuurd zijn van een factuur door [geïntimeerde] noch aan de opeisbaarheid van de vordering noch aan het verzuim van [appellant] in de weg staat, waarbij het hof in aanmerking neemt dat onweersproken is gebleven dat het niet eerder verstuurd zijn van een factuur door [geïntimeerde] zijn grond vond in de mededeling van [appellant] niet te zullen betalen (en de vrees van [geïntimeerde] niettemin wél btw te moeten afdragen.

3.10.

[appellant] heeft bij memorie van grieven (onder 8) een beroep op verjaring respectievelijk rechtsverwerking gedaan. Beide (als grief aan te merken) verweren zijn ondeugdelijk. De omstandigheid dat [geïntimeerde] , nadat [appellant] in 2010 de appeldagvaarding had doen uitbrengen, eerst in 2017 via zijn advocaat een factuur heeft verstuurd aan [appellant] , kan het beroep op verjaring niet dragen. Hetzelfde geldt voor het beroep op rechtsverwerking, óók indien daarbij in aanmerking wordt genomen dat de advocaat van [appellant] aan de advocaat van [geïntimeerde] had bericht dat [geïntimeerde] “de rekening kon verstrekken”. Ten aanzien van het beroep op rechtsverwerking zou mogelijk anders kunnen worden geoordeeld indien [appellant] met dat bericht had bedoeld zijn bereidheid uit te spreken de toe te sturen factuur te betalen, maar dat heeft [appellant] niet aangevoerd en het is ook niet aannemelijk dat [appellant] zodanige bereidheid had. Het hof merkt ten overvloede op dat [geïntimeerde] er met zijn opmerking bij memorie van grieven onder 8 dat de factuur “geen betrekking heeft op de onderneming die de werkzaamheden in 2008! heeft uitgevoerd” aan voorbij ziet dat [geïntimeerde] het bedrijf klaarblijkelijk als eenmanszaak dreef.

3.11.

Grief 5, ten slotte, bouwt voort op de eerdere grieven en deelt daarom het lot daarvan.

3.12.

De slotsom luidt dat geen van de grieven tot vernietiging van het bestreden vonnis kan leiden, zodat het vonnis zal worden bekrachtigd. [appellant] zal daarom in de kosten van het hoger beroep worden veroordeeld.

4 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het bestreden vonnis;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep en begroot deze kosten tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] op € 318,- wegens verschotten en € 2.277,- wegens salaris en op € 157,- voor nasalaris, te vermeerderen met € 82,- voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit arrest plaatsvindt;

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.M.A. Verscheure, R.J.F. Thiessen en F.J. Verbeek en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 19 maart 2019.