Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:858

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
12-03-2019
Datum publicatie
18-03-2019
Zaaknummer
200.241.027/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2018:9511
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Omgangsregeling tussen grootouders en kleinkind. Ontvankelijkheid. Omgangsregeling in het belang van kleinkind?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
EB 2019/63
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

arrest

___________________________________________________________________ _ _

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)

zaaknummer : 200.241.027/01 KG

zaaknummer rechtbank : C/15/272122 / KG ZA 18-237

arrest van de meervoudige familiekamer van 12 maart 2019 (bij vervroeging)

inzake

[de vader] ,

wonend te [plaats A] ,

APPELLANT,

advocaat: mr. M.E. Groot te Heerhugowaard,

tegen:

[de grootvader] en

[de grootmoeder] ,

beiden wonend te [plaats B] , Verenigd Koninkrijk,

GEÏNTIMEERDEN,

advocaat: mr. E.B. Warmerdam-Wolfs te Alkmaar.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna respectievelijk de vader, de grootvader en de grootmoeder genoemd. De grootvader en de grootmoeder worden gezamenlijk ook de grootouders genoemd.

De vader is bij dagvaarding van 7 juni 2018 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Noord-Holland (locatie Alkmaar) van 15 mei 2018, in kort geding gewezen tussen de grootouders als eisers in conventie, tevens verweerders in reconventie, en de vader als gedaagde in conventie tevens eiser in reconventie.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven;

- memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel appel;

- memorie van antwoord in incidenteel appel, met producties.

De vader heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en, uitvoerbaar bij voorraad, primair alsnog de grootouders niet ontvankelijk zal verklaren in hun vorderingen, althans hun vorderingen zal afwijzen, met veroordeling van de grootouders in de proceskosten in beide instanties en subsidiair de zaak zal doorverwijzen naar de Raad voor de Kinderbescherming, zodat kan worden onderzocht welke omgangs- en belregeling tussen (zijn zoon) [de minderjarige] en de grootouders in zijn belang kan worden geacht.

De grootouders hebben geconcludeerd tot niet ontvankelijk verklaring van de vader in zijn hoger beroep, althans tot afwijzing daarvan.

In incidenteel hoger beroep hebben de grootouders geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen voor zover daarbij de gevorderde dwangsom is afgewezen en, uitvoerbaar bij voorraad, alsnog de gevorderde dwangsom zal toewijzen. De vader heeft geconcludeerd tot niet ontvankelijk verklaring van de grootouders in hun hoger beroep, althans tot afwijzing daarvan.

Partijen hebben de zaak ter zitting van 14 februari 2019 doen bepleiten door hun advocaten, mr. Groot voornoemd aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd.

Ten slotte is arrest gevraagd.

2 Feiten

2.1

De voorzieningenrechter heeft in het vonnis onder 2.1 tot en met 2.6 de feiten opgesomd die zij bij de beoordeling van de zaak tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt. Samengevat komen de feiten neer op het volgende.

2.2

De vader is getrouwd geweest met de dochter van de grootouders, [de moeder] . Zij hebben samen een zoon gekregen, [de minderjarige] (hierna: [de minderjarige] ), geboren [in] 2008. De moeder van [de minderjarige] is op 12 januari 2009 overleden.

2.3

De grootouders wonen in [plaats B] , Verenigd Koninkrijk. Tussen [de minderjarige] en de grootouders is vanaf zijn geboorte contact geweest. Na verloop van tijd is een omgangsregeling ontstaan waarbij de grootouders vier maal per jaar naar Nederland kwamen om [de minderjarige] te bezoeken. [de minderjarige] en de grootouders verbleven dan enige dagen samen. Ook zijn [de minderjarige] en de vader op bezoek geweest in [plaats B] . Daarnaast belden de grootouders regelmatig met [de minderjarige] .

2.4

De grootouders hebben [de minderjarige] voor het laatst in juni 2017 gezien. In augustus 2017 stonden zij voor een dichte deur toen zij [de minderjarige] wilden bezoeken. Op 11 augustus 2017 hebben de grootouders een brief van de vader ontvangen, waarin hij meedeelt dat hij het contact tussen de grootouders en [de minderjarige] niet langer toestaat.

2.5

In september 2017 is het telefonisch contact tussen de grootouders en [de minderjarige] beëindigd.

2.6

De vader heeft een nieuwe echtgenote. Zij hebben samen een zoontje gekregen. De huidige echtgenote van de vader heeft bij beschikking van de rechtbank Noord-Holland (locatie Alkmaar) van 18 juli 2018 samen met de vader het gezag gekregen over [de minderjarige] .

3 Beoordeling in principaal en incidenteel appel

3.1.

De voorzieningenrechter heeft – samengevat en voor zover hier van belang – een omgangsregeling bepaald tussen de grootouders en [de minderjarige] waarbij zij vier keer per jaar vanaf zaterdag 12.00 uur tot zondag 17.00 uur omgang met elkaar hebben in Nederland. Daarnaast heeft de voorzieningenrechter bepaald dat de grootouders en [de minderjarige] eenmaal per twee weken telefonisch contact met elkaar mogen hebben, waarbij de vader ervoor zorg draagt dat [de minderjarige] in de gelegenheid wordt gesteld onbelast contact met zijn grootouders te hebben. Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt de vader met vier grieven op. De grootouders maken in incidenteel appel bezwaar tegen de afwijzing van de gevorderde dwangsom.

3.2

In de eerste grief komt de vader op tegen de weergave door de voorzieningenrechter van het standpunt van de grootouders over de mate van hun contact met [de minderjarige] . Grief 2 ziet op de overweging van de voorzieningenrechter dat sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking. Deze grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

3.3

De vader voert aan dat de grootmoeder van eind oktober 2008 tot half januari 2009 in Nederland is geweest om haar dochter bij te staan. In die periode verzorgde de vader [de minderjarige] . Na het overlijden van de moeder van [de minderjarige] kwamen de grootouders gemiddeld vier keer per jaar naar Nederland om [de minderjarige] te bezoeken. Deze bezoeken duurden doorgaans twee dagen. Gelet op deze beperkte bezoeken kan niet als uitgangspunt worden genomen dat de grootouders een grote rol hebben gespeeld in de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] . Verder vond het telefonisch contact niet elke week plaats en duurden de gesprekken maar kort. De vader is van mening dat gezien de bestaande contacten geen sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking.

De grootouders menen dat de voorzieningenrechter hun standpunt over de mate van omgang juist heeft weergegeven. Er was sprake van gemiddeld vier keer per jaar een bezoek van een weekend, alsmede van structurele belcontacten. Omdat de grootouders in het buitenland wonen, is sprake van een meer dan gebruikelijke wijze van omgang met de grootouders. Daarbij komt dat de grootouders de enige schakel vormen tussen [de minderjarige] en zijn overleden moeder. De grootouders zijn van mening dat sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking, zodat zij ontvankelijk zijn in hun vordering.

3.4

Het hof overweegt als volgt. Tussen partijen is niet in geschil dat de grootouders na het overlijden van hun dochter gemiddeld vier keer per jaar naar Nederland kwamen om hun kleinzoon te zien. Deze contacten duurden gemiddeld twee dagen en [de minderjarige] bleef – in ieder geval tot een paar jaar geleden – bij zijn grootouders slapen tijdens hun verblijf in Nederland. Ook zijn [de minderjarige] en de vader enkele keren bij de grootouders in [plaats B] op bezoek geweest. Verder was op regelmatige basis sprake van telefonisch contact.

In aanmerking genomen dat de grootouders in [plaats B] wonen, is het hof met de voorzieningenrechter van oordeel dat de contacten ruimer waren dan de gebruikelijke en in het dagelijks verkeer plaatsvindende contacten tussen grootouders die in het buitenland wonen en hun kleinkind. Dat de telefoongesprekken maar kort duurden, is niet onbegrijpelijk gelet op de leeftijd van [de minderjarige] . Het hof acht daarnaast van belang dat de grootouders de enige schakel zijn tussen [de minderjarige] en zijn moeder, aangezien er ook geen contact is tussen [de minderjarige] en zijn oom, de broer van zijn moeder. Gelet op deze omstandigheden, is het hof vooralsnog van oordeel dat de grootouders voldoende aannemelijk hebben gemaakt dat sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking tussen hen en [de minderjarige] . Voor zover de vader met zijn eerste twee grieven heeft willen betogen dat de voorzieningenrechter de grootouders ten onrechte ontvankelijk heeft geacht in hun vorderingen, gaat het hof dan ook daaraan voorbij.

De grieven 1 en 2 falen.

3.5

De vader stelt in de derde grief dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat sprake is van een spoedeisend belang. Het hof volgt de vader hierin evenmin. Het mag zo zijn dat de grootouders op het moment dat de kort geding dagvaarding werd uitgebracht [de minderjarige] al 10 maanden niet hadden gezien en 7 maanden niet hadden gesproken, maar dat betekent niet dat daarmee de zaak niet spoedeisend is. De grootouders hebben onweersproken gesteld dat zij, voordat zij de kort geding dagvaarding uitbrachten, eerst hebben geprobeerd in der minne met de vader tot een oplossing en hervatting van de omgang te komen. Toen dat niet lukte, zijn zij de onderhavige procedure gestart. De tijd tussen het stopzetten van de omgangsregeling en het aanhangig maken van de procedure in eerste aanleg is niet zodanig lang dat de grootouders geen spoedeisend belang meer hebben bij hun vordering. Ook grief 3 faalt.

3.6

Grief 4 richt zich tegen de vastgestelde omgangs- en belregeling. Volgens de vader is omgang in strijd met de zwaarwegende belangen van [de minderjarige] . Hiertoe acht hij van belang dat de grootouders de vader en zijn echtgenote ten opzichte van derden in een kwaad daglicht proberen te plaatsen. Hij betwist dat het niet de bedoeling was van de grootouders om hem en zijn echtgenote als opvoeders te diskwalificeren, zoals de voorzieningenrechter heeft overwogen, omdat zij in dat geval hun excuses voor hun handelingen zouden hebben aangeboden, wat niet is gebeurd. Ook heeft de vader moeite met de wijze waarop de bezoeken verliepen. [de minderjarige] kwam met rare verhalen thuis en was enige dagen onhandelbaar. Ondanks verzoeken dit niet te doen, bleven de grootouders [de minderjarige] dure cadeaus geven. Door de verstoorde verhouding tussen partijen kan volgens de vader geen omgang plaatsvinden. [de minderjarige] heeft laten weten ook niet vier keer per jaar een heel weekend met zijn grootouders te willen doorbrengen. Wel zou hij het leuk vinden af en toe iets met hen te ondernemen.

De belregeling wordt nagekomen, maar de gesprekken lopen moeizaam.

[de minderjarige] zit op speciaal onderwijs en heeft ADHD. Hij heeft last van aandacht- en concentratieproblemen en er is sprake van impulsiviteit. De vader voert aan dat de kans groot is dat de problemen bij [de minderjarige] zullen toenemen wanneer [de minderjarige] wordt verplicht vier keer per jaar omgang en eenmaal per twee weken telefonisch contact met zijn grootouders te hebben.

Voor de identiteitsontwikkeling van [de minderjarige] is het niet noodzakelijk dat er contact is met de grootouders. De echtgenote van de man was een vriendin van de moeder van [de minderjarige] en zij leert hem de Spaanse taal en brengt Peruaanse gebruiken op hem over. Verder staan er foto’s van de moeder in de woning en wordt over haar gesproken.

De man heeft voorgesteld mediation te proberen. Daarnaast was hij bereid mee te werken aan begeleide omgang, mits de grootouders de kosten zouden betalen. De grootouders zijn hiertoe echter niet bereid gebleken.

3.7

De grootouders menen dat sprake is van emotionele gelegenheidsargumenten. De grootouders realiseren zich dat de vader de verzorger en opvoeder is van [de minderjarige] en dat zij zich dienen te schikken naar diens wensen. Beide partijen voelen zich gekrenkt, maar de grootouders zien goed in wat hun positie is. De grootouders menen dat de verstoorde verstandhouding geen reden mag zijn om geen omgang toe te staan. Zij betwisten dat bij [de minderjarige] sprake zou zijn van grote weerstand of dat hij als gevolg van zijn ADHD niet vier weekenden per jaar omgang zou aankunnen. Dat was de afgelopen jaren ook niet het geval. Het grieft hen dat de vader meent dat zijn echtgenote de rol van de moeder van [de minderjarige] kan overnemen in het kader van de identiteitsontwikkeling en afstamming. Ter zitting in hoger beroep hebben zij verklaard dat zij zich kunnen voorstellen dat [de minderjarige] niet altijd zin erin zal hebben om aan de telefoon te komen. Zij kunnen zich ook vinden in een regeling waarbij zij een keer per maand telefonisch contact hebben en daarnaast op bijzondere dagen.

3.8

Het hof overweegt als volgt. Duidelijk is dat de relatie tussen de vader en de grootouders ernstig is verstoord. Het hof kan zich niet aan de indruk onttrekken dat beide partijen in een onderlinge machtsstrijd zijn verwikkeld waarbij zij de belangen van [de minderjarige] uit het oog verliezen.

De argumenten die de vader aanvoert ter onderbouwing van zijn stelling dat een omgangsregeling in strijd is met de zwaarwegende belangen van [de minderjarige] zien naar het oordeel van het hof in overwegende mate op de bezwaren die de vader heeft tegen de omgang. Niet duidelijk is of de omgang daadwerkelijk tegen het belang van [de minderjarige] ingaat. Het hof kan niet uitsluiten dat het de vader is die weerzin heeft veroorzaakt bij [de minderjarige] ten aanzien van het telefonisch en fysiek contact met zijn grootouders, omdat hij zelf negatief over dit contact denkt. Aan de andere kant bestaat tussen partijen een groot spanningsveld en zijn beide partijen thans nog niet bereid dit spanningsveld te doorbreken. Het hof sluit niet uit dat een gedwongen omgangsregeling tussen de grootouders en [de minderjarige] , gelet op de verhouding tussen partijen, tot aanmerkelijke onrust en spanning kan leiden, hetgeen het hof geenszins bevorderlijk acht voor de geestelijke gezondheid en ontwikkeling van [de minderjarige] . Alvorens een regeling kan worden vastgesteld, zal derhalve eerst antwoord moeten komen op de vraag of het op dit moment in het belang van [de minderjarige] is dat het contact wordt hersteld en, zo ja, op welke wijze dat herstel moet plaatsvinden. Voor een dergelijk onderzoek is in het kader van dit kort geding geen plaats.

Het voorgaande betekent dat het vonnis waarvan beroep niet in stand kan blijven waar het de voorlopige omgangsregeling betreft. Het hof zal het vonnis op dit punt vernietigen. Gelet op de opmerking van de vader dat [de minderjarige] af en toe iets zou willen ondernemen met de grootouders wil ondernemen, gaat het hof ervan uit dat wanneer [de minderjarige] hiertoe een wens uitspreekt, de vader hiernaar zal luisteren en dit mogelijk zal maken.

Het hof acht het in het belang van [de minderjarige] dat telefonisch contact blijft bestaan, om te voorkomen dat de band tussen [de minderjarige] en de familie van zijn moeder volledig verbroken wordt. Gelet op het standpunt van de grootouders ter zitting in hoger beroep zal het hof bepalen dat er eenmaal per maand telefonisch contact zal zijn, waarbij de grootouders [de minderjarige] op de laatste zondag van de maand om 17.00 uur (Nederlandse tijd) mogen bellen en daarnaast op hun eigen verjaardag en die van [de minderjarige] . Evenals de voorzieningenrechter verwacht ook het hof van de vader dat hij ervoor zorg draagt dat [de minderjarige] in de gelegenheid wordt gesteld om onbelast contact met zijn grootouders te hebben. Dit houdt meer in dan alleen maar meedelen aan [de minderjarige] dat de vader het geen enkel probleem vindt als [de minderjarige] zijn grootouders wil bellen. De vader zou [de minderjarige] enthousiast kunnen maken voor de telefoongesprekken met zijn grootouders door bijvoorbeeld met hem te bespreken dat hij zijn grootouders kan vertellen wat hij heeft meegemaakt op school, met zijn broertje enz.

3.9

De grootouders hebben in incidenteel hoger beroep gevorderd dat alsnog een dwangsom aan de door de voorzieningenrechter vastgestelde omgangsregeling wordt verbonden. Gelet op het voorgaande zal deze vordering worden afgewezen.

3.10

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd. Het hof ziet in de omstandigheden van het geval aanleiding de proceskosten te compenseren.

4 Beslissing

Het hof:

rechtdoende in kort geding in principaal en incidenteel appel:

vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover daarbij een omgangsregeling en een tweewekelijks belcontact tussen de grootouders en [de minderjarige] is bepaald,

en, in zoverre opnieuw rechtdoende:

bepaalt dat tussen [de minderjarige] en de grootouders een belcontactregeling geldt waarbij de grootouders eenmaal per maand op de laatste zondag van de maand, alsmede op hun eigen verjaardag en die van [de minderjarige] , om 17.00 uur (Nederlandse tijd) telefonisch contact met [de minderjarige] hebben, waarbij de vader ervoor zorg draagt dat [de minderjarige] in de gelegenheid wordt gesteld om onbelast contact met de grootouders te hebben;

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep voor het overige;

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de proceskosten in hoger beroep in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. H.A. van den Berg, A.R. Sturhoofd en M.C. Schenkeveld en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 12 maart 2019.