Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:841

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
05-03-2019
Datum publicatie
15-03-2019
Zaaknummer
200.240.692/01 GDW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:TGDKG:2018:157, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Klacht tegen een (voormalig toegevoegd kandidaat-)gerechtsdeurwaarder. Klaagster verwijt de gerechtsdeurwaarder dat hij zich niet heeft gehouden aan de afspraak dat klaagster de incassokosten niet hoefde te betalen indien zij de vordering op 23 november 2015 zou betalen en bezwaar zou maken tegen de incassokosten.

De kamer heeft in de bestreden beslissing de klacht tegen de gerechtsdeurwaarder ongegrond verklaard. Het hof is, anders dan de kamer, van oordeel dat de klacht gegrond is. Het hof vernietigt de bestreden beslissing, verklaart de klacht gegrond en legt aan de gerechtsdeurwaarder ter zake daarvan de maatregel van waarschuwing op. Kostenveroordeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

___________________________________________________________________ _ _

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht

zaaknummer : 200.240.692/01 GDW

nummer eerste aanleg : C/13/614755 / DW RK 16/973

beslissing van de notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer van 5 maart 2019

inzake

[naam] ,

wonend te [plaats] ,

appellante,

gemachtigde: [echtgenoot] ,

tegen

[naam] ,

voormalig toegevoegd kandidaat-gerechtsdeurwaarder te [plaats] ,

geïntimeerde,

gemachtigde: mr. I. van Apeldoorn.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Appellante (hierna: klaagster) heeft op 11 juni 2018 een beroepschrift - met bijlage - bij het hof ingediend tegen de beslissing van de kamer voor gerechtsdeurwaarders te Amsterdam (hierna: de kamer) van 15 mei 2018 (ECLI:NL:TGDKG:2018:157). De kamer heeft in de bestreden beslissing de klacht van klaagster tegen geïntimeerde (hierna: de gerechtsdeurwaarder) ongegrond verklaard.

1.2.

De gerechtsdeurwaarder heeft op 14 augustus 2018 een verweerschrift - met bijlagen - bij het hof ingediend.

1.3.

De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 20 december 2018. De gemachtigde van klaagster, de gemachtigde van de gerechtsdeurwaarder en [naam] , een medewerker van het kantoor van de gerechtsdeurwaarder, zijn verschenen. De gemachtigden hebben het woord gevoerd. Klaagster is - met voorafgaand bericht - niet ter terechtzitting verschenen. De gerechtsdeurwaarder is evenmin ter terechtzitting verschenen.

2 Stukken van het geding

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie en de hiervoor vermelde stukken.

3 Feiten

3.1.

Het hof verwijst voor de feiten naar hetgeen de kamer in de bestreden beslissing heeft vastgesteld. Partijen hebben tegen de vaststelling van de feiten door de kamer geen bezwaar gemaakt, zodat ook het hof van die feiten uitgaat.

3.2.

Kort gezegd gaat het in deze zaak om het volgende.

3.2.1.

[naam] (hierna: het kantoor van de gerechtsdeurwaarder) is belast met het innen van een openstaande vordering van Menzis Zorgverzekeraar N.V. (hierna: Menzis) ten laste van klaagster.

3.2.2.

Bij brief van 28 oktober 2015 is klaagster door het kantoor van de gerechtsdeurwaarder gesommeerd de openstaande vordering van Menzis binnen veertien dagen te voldoen. In deze brief staat, voor zover hier van belang, het volgende vermeld:

“(…)

Voormelde termijn van 14 dagen vangt aan twee dagen na dagtekening van deze brief.

Indien u niet het volledige bedrag binnen de gestelde termijn betaalt, bent u vanaf de vijftiende dag buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd ad € 40,- boven op het totaalbedrag van de vordering.

Omdat Menzis Zorgverzekeraar N.V. niet BTW-plichtig is, zal u over de kosten tevens BTW in rekening worden gebracht ad € 8,40.

(…)”

3.2.3.

Op 16 november 2015 heeft de echtgenoot van klaagster telefonisch contact opgenomen met het kantoor van de gerechtsdeurwaarder om een betalingsafspraak te maken. Bij brief van 16 november 2015 heeft het kantoor van de gerechtsdeurwaarder de met klaagster (mondeling) overeengekomen betalingsregeling bevestigd. In deze brief staat, voor zover hier van belang, het volgende vermeld:

“(…)

Wij gaan akkoord met een eenmalige betalingsregeling voor het bedrag van € 143,83 . De betaling moet uiterlijk 01 december 2015 zijn ontvangen.

Mogelijk wordt door het treffen van deze betaalafspraak de vordering niet volledig binnen de in onze brief d.d. 27-10-2015 genoemde termijn voldaan. In dat geval wordt de vordering met de in die brief genoemde incassokosten verhoogd en bedraagt de vordering € 192,38 , te vermeerderen met de nog te vervallen rente.

(…)”

3.2.4.

Op 23 november 2015 heeft klaagster het bedrag van € 143,83 voldaan.

3.2.5.

Bij e-mailbericht van 2 december 2015 heeft klaagster bezwaar gemaakt tegen de incassokosten. In dit e-mailbericht staat, voor zover hier van belang, het volgende vermeld:

“(…)

Ik heb afgesproken dat ik het bedrag a € 143,83 pas op 23-11 kon betalen.

U ging hiermee accoord, alleen moest ik wel een bezwaar insturen, bij deze dan.

Het bedrag heb ik zoals afgesproken op de 23e overgemaakt naar u.

(…)”

3.2.6.

Bij brief van 14 december 2015 heeft het kantoor van de gerechtsdeurwaarder het bezwaar van klaagster afgewezen. In deze brief staat, voor zover hier van belang, het volgende vermeld:

“(…)

Doordat uw betaling ruim buiten de gestelde termijn van veertien dagen is ontvangen, bent u naast de hoofdsom tevens de buitengerechtelijke incassokosten, de btw en de rente verschuldigd.

(…)”

3.2.7.

Bij exploot van 15 januari 2016 heeft de gerechtsdeurwaarder klaagster gedagvaard te verschijnen ter zitting van de kantonrechter te Haarlem op 3 februari 2016. De dagvaarding vermeldt de betaling van € 143,83 en dat gedaagde de vordering heeft erkend, maar heeft verzocht de vordering in termijnen te mogen voldoen.

3.2.8.

Bij verstekvonnis van 17 februari 2016 heeft de kantonrechter, voor zover hier van belang, klaagster veroordeeld tot het betalen aan Menzis van € 48,78 te vermeerderen met de rente. Klaagster is tegen dit vonnis niet in verzet gegaan.

4 Standpunt van klaagster

Klaagster verwijt de gerechtsdeurwaarder - in de kern - dat hij zich niet heeft gehouden aan de afspraak dat klaagster de incassokosten niet hoefde te betalen indien zij de vordering op 23 november 2015 zou betalen en bezwaar zou maken tegen de incassokosten.

5 Standpunt van de gerechtsdeurwaarder

De gerechtsdeurwaarder betwist dat tussen de echtgenoot van klaagster en een medewerkster van het kantoor van de gerechtsdeurwaarder een afspraak is gemaakt over de verschuldigdheid van de incassokosten en dat klaagster kon volstaan met het voldoen van uitsluitend de hoofdsom. Klaagster heeft het bestaan van die afspraak volgens de gerechtsdeurwaarder niet aangetoond. De gerechtsdeurwaarder voert voorts aan dat aan klaagster slechts uitstel van betaling is verleend en dat er geen omstandigheden aanwezig waren op grond waarvan de incassokosten niet langer waren verschuldigd. In de brief van 16 november 2015 staat duidelijk vermeld dat klaagster eveneens de incassokosten verschuldigd zal zijn indien zij buiten de termijn van veertien dagen betaalt. Deze brief laat niets aan duidelijkheid te wensen over, aldus de gerechtsdeurwaarder.

Bovendien had het volgens de gerechtsdeurwaarder op de weg van klaagster gelegen haar standpunt bij de civiele rechter kenbaar te maken, aangezien uitsluitend de civiele rechter bevoegd is zich uit te laten over de verschuldigdheid van de gevorderde (incasso)kosten. Nu de kantonrechter het verzoek om klaagster te veroordelen tot betaling van de incassokosten heeft toegewezen en het vonnis van 17 februari 2016 in kracht van gewijsde is gegaan, staat het de tuchtrechter niet langer vrij om daarover een beslissing te nemen.

6 Beoordeling

6.1.

Het hof stelt voorop dat in deze tuchtrechtelijke procedure de verschuldigdheid van de incassokosten niet ter beoordeling voorligt. Aan de orde is de klacht dat de gerechtsdeurwaarder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld, doordat hij zich niet aan een afspraak heeft gehouden die zijn kantoor met klaagster zou hebben gemaakt.

6.2.

Vast staat dat klaagster het verschuldigde bedrag van € 143,83 niet binnen de in de brief van 28 oktober 2015 vermelde termijn heeft voldaan.

6.3.

Ter zitting in hoger beroep heeft de gemachtigde van klaagster, haar echtgenoot, nader toegelicht dat hij op 16 november 2015 heeft gebeld met het kantoor van de gerechtsdeurwaarder en dat een medewerkster toen tegen hem heeft gezegd dat hij nog bezwaar moest maken tegen de incassokosten, maar dat dit geen probleem zou zijn, omdat hij in het ziekenhuis had gelegen, zijn post niet had kunnen openen en daarom niet had kunnen betalen. Voorts heeft de gemachtigde van klaagster verklaard dat, indien niet zou zijn afgesproken dat de incassokosten niet hoefden te worden betaald, deze kosten tegelijk met het bedrag van € 143,83, zouden zijn betaald.

6.4.

In de eerste alinea van de brief van 16 november 2015 - zoals hiervoor onder 3.2.3
weergegeven - is de betalingsregeling bevestigd voor het bedrag van € 143,83. Voorts is vermeld dat die betaling uiterlijk op 1 december 2015 diende te zijn ontvangen. Deze mededelingen stroken met de afspraak die de echtgenoot van klaagster stelt te hebben gemaakt tijdens het telefonisch onderhoud met een medewerkster van het kantoor van de gerechtsdeurwaarder. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat het in de brief van 16 november 2015 vermelde bedrag overeenkomt met het bedrag dat wordt vermeld in de (sommatie)brief van 28 oktober 2015, derhalve de hoofdsom vermeerderd met de rente tot 28 oktober 2015 zonder incassokosten.

6.5.

In de tweede alinea van de brief van 16 november 2015 is weliswaar medegedeeld dat “mogelijk” door het treffen van deze betaalafspraak de vordering niet binnen de termijn vermeld in de brief van - naar het hof begrijpt - 28 oktober 2015 zou worden voldaan en dat in dat geval de vordering met de incassokosten zou worden verhoogd, maar het hof acht deze alinea in het licht van de eerste alinea onduidelijk. In dit verband acht het hof mede van belang dat ten tijde van voormeld telefonisch onderhoud en de verzending van de bevestigingsbrief op 16 november 2015 de betalingstermijn vermeld in de brief van 28 oktober 2015 al was verstreken. Deze onduidelijkheid over de met klaagster gemaakte afspraak dient naar het oordeel van het hof dan ook voor rekening van de gerechtsdeurwaarder te komen. Klaagster is door de mededelingen in de eerste alinea van de brief van 16 november 2015 immers bevestigd in haar veronderstelling dat de zaak zou zijn geregeld, wanneer zij de hoofdsom op 23 november 2015 zou betalen en bezwaar zou maken tegen de incassokosten. Die veronderstelling blijkt ook uit haar e-mailbericht van 2 december 2015 waarin zij (pro forma) bezwaar maakte tegen de incassokosten.

6.6.

Op grond van het voorgaande is het hof, anders dan de kamer, van oordeel dat de klacht gegrond is. De bestreden beslissing dient derhalve te worden vernietigd.

Maatregel

6.7.

De Wet van 17 februari 2016 tot wijziging van de Gerechtsdeurwaarderswet in verband met de evaluatie van het functioneren van de Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders, alsmede de regeling van enkele andere onderwerpen in die wet (Stb. 2016, nr. 93), waarin de mogelijkheid tot het opleggen van de maatregel van waarschuwing is opgenomen, was ten tijde van de indiening van de klacht op 5 september 2016 reeds in werking getreden en - gelet op het overgangsrecht (artikel IV onder 4 van voormelde wet) - van toepassing op de onderhavige procedure.

Het hof acht de maatregel van waarschuwing in dit geval passend en geboden, nu de brief van de gerechtsdeurwaarder van 16 november 2015 onvoldoende duidelijk was en deze juist in het licht van de met klaagster overeengekomen betalingsregeling volstrekte duidelijkheid had moeten verschaffen, ook ten aanzien van de incassokosten. Hierbij neemt het hof mede in aanmerking dat ter zitting in hoger beroep namens de gerechtsdeurwaarder is verklaard dat die brief een standaardbrief betrof.

Bewijsaanbod

6.8.

De gerechtsdeurwaarder heeft zowel in eerste aanleg als in hoger beroep bewijs aangeboden van al zijn stellingen met alle middelen rechtens, in het bijzonder door het doen horen van getuigen. Het hof ziet in dit bewijsaanbod niet een voldoende concrete aanduiding van de specifieke feiten en omstandigheden waarop het betrekking heeft. Het hof zal dit bewijsaanbod reeds daarom passeren.

6.9.

Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht, kan buiten beschouwing blijven omdat het niet van belang is voor de beslissing in deze zaak.

Griffierecht en kostenveroordeling

6.10.

Per 1 januari 2018 is de Gerechtsdeurwaarderswet (hierna: Gdw) gewijzigd (Wet doorberekening kosten toezicht en tuchtrecht juridische beroepen). In verband met de wijziging van deze wet heeft dit hof per 1 januari 2018 de Tijdelijke richtlijn kostenveroordeling notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer Gerechtshof Amsterdam (Staatscourant 2017, nr. 75085; hierna: de richtlijn) vastgesteld, die geldt voor beroepschriften die vanaf dan bij het hof worden ingediend.

Het beroepschrift in deze zaak is ingediend na 1 januari 2018 (op 11 juni 2018), derhalve na de wijziging van de Gdw.

6.11.

Nu het hof de klacht gegrond verklaart, stelt het hof vast dat de gerechtsdeurwaarder op grond van de artikelen 37 lid 7 Gdw jo. 47 Gdw het door klaagster betaalde griffierecht in hoger beroep (€ 50,-) aan haar dient te vergoeden.

6.12.

Nu het hof de gerechtsdeurwaarder tevens een maatregel oplegt, zal het hof de gerechtsdeurwaarder op grond van artikel 43a lid 1 Gdw jo. artikel 47 Gdw jo. de richtlijn daarnaast veroordelen in de volgende kosten in hoger beroep:

- € 50,- kosten van klaagster;

- € 3.000,- als kosten van behandeling van de klacht door het hof.

Er zijn geen bijzondere omstandigheden gebleken die aanleiding geven tot een andere beslissing.

6.13.

De gerechtsdeurwaarder dient de kosten van klaagster in hoger beroep binnen vier weken na deze uitspraak aan klaagster te voldoen, hetgeen kan geschieden door betaling op een daartoe door klaagster aan de gerechtsdeurwaarder opgegeven rekeningnummer

6.14.

De gerechtsdeurwaarder dient de kosten van behandeling van de klacht in hoger beroep door het hof te voldoen aan het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak (LDCR), waarbij de termijn en de wijze waarop de kosten moeten worden voldaan door het LDCR per brief aan de gerechtsdeurwaarder zullen worden meegedeeld.

6.15.

Het hiervoor overwogene leidt tot de volgende beslissing.

7 Beslissing

Het hof:

- vernietigt de bestreden beslissing;

en, opnieuw beslissende:

- verklaart de klacht gegrond;

- legt aan de gerechtsdeurwaarder ter zake daarvan de maatregel van waarschuwing op;

- veroordeelt de gerechtsdeurwaarder tot betaling aan klaagster van haar kosten in hoger beroep, bestaande uit € 50,- aan griffierecht en € 50,- aan kosten klaagster, derhalve in totaal € 100,-, binnen vier weken na heden;

- veroordeelt de gerechtsdeurwaarder tot betaling van de kosten van behandeling van de klacht in hoger beroep door het hof (€ 3.000,-) aan het LDCR op de wijze en binnen de termijn als door het LDCR aan de gerechtsdeurwaarder meegedeeld.

Deze beslissing is gegeven door mrs. J.C.W. Rang, L.J. Saarloos en A.W. Jongbloed en in het openbaar uitgesproken op 5 maart 2019 door de rolraadsheer.