Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:816

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
13-02-2019
Datum publicatie
03-06-2019
Zaaknummer
23-001123-18
Rechtsgebieden
Materieel strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bevestiging vonnis met vervanging overweging t.a.v. vrijspraak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-001123-18

datum uitspraak: 13 februari 2019

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 16 maart 2018 in de strafzaak onder parketnummer

15-860263-17 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1998,

adres: [adres 1].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

30 januari 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is door het openbaar ministerie hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring en gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden waarvan

1 maand voorwaardelijk met een proeftijd voor de duur van 2 jaren, met aftrek van voorarrest.

De raadsman van de verdachte heeft vrijspraak bepleit.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen met dien verstande dat de overweging ten aanzien van de vrijspraak wordt vervangen door de navolgende.

Het hof overweegt dat uit de processtukken weliswaar blijkt van aanwijzingen dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het ten laste gelegde, maar dat het dossier voldoende wettig bewijs ontbeert om die conclusie te kunnen trekken. Immers, er heeft geen enkele herkenning plaatsgevonden met de personen, te weten getuige [getuige] en de verbalisant [verbalisant], die de mogelijke daders van de woninginbraak daar toen in de directe omgeving hebben gezien. Ook op andere wijze is niet boven redelijke twijfel verheven dat deze personen juist de verdachte en zijn medeverdachte [medeverdachte] hebben gezien als de mogelijke daders. Daarvoor is van belang dat [getuige] een erg algemeen signalement van de mannen die hij bij de auto heeft gezien heeft gegeven. Bovendien weet hij niet of de mannen die hij de eerste keer heeft gezien, dezelfde zijn als de mannen die hij later met een witte tas heeft gezien. [verbalisant], die de daders bij de [adres 2] heeft zien weglopen, oogcontact met hen heeft gehad en ze klaarblijkelijk goed heeft kunnen zien beschrijft dat de daders lichte broeken droegen, zulks terwijl de verdachte noch de medeverdachte [medeverdachte] bij hun aanhouding een lichte broek droeg. Het onderzoek naar de schoensporen in de woning leidt niet tot een ander oordeel, omdat niet alleen de koppelingen tussen de SIN-nummers van de schoenen die onderzocht zijn en de inbeslaggenomen schoenen van de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte] ontbreken, maar ook de vereiste typica die zouden kunnen leiden tot een zekere mate van waarschijnlijkheid van het gebruik van de inbeslaggenomen schoenen bij het ten laste gelegde feit, waardoor - indien de koppeling tussen de onder de verdachte inbeslaggenomen schoenen en de onderzochte schoenen al zou kunnen worden gemaakt - niet kan worden vastgesteld dat de sporen daadwerkelijk met de schoenen van de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte] zijn veroorzaakt. Ook overigens is geen sprake van ander technisch bewijs dat in de richting van de verdachte wijst als dader van de woninginbraak.

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen de verdachte is ten laste gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.

BESLISSING

Het hof:

Bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.E. Kleene-Krom, mr. S.M.M. Bordenga en mr. M.A.H. van Dalen-van Bekkum, in tegenwoordigheid van mr. D.J. Lutje Wagelaar, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 13 februari 2019.

mr. M.A.H. van Dalen-van Bekkum is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

=========================================================================

[…]