Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:810

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
29-01-2019
Datum publicatie
16-05-2019
Zaaknummer
23-001664-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Eenvoudige belediging ambtenaar. Geldboete van € 300.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-001664-18

datum uitspraak: 29 januari 2019

TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsvrouw)

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 26 april 2018 in de strafzaak onder parketnummer 13-013222-18 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Suriname) op [geboortedag] 1982,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

15 januari 2019.

Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 18 januari 2018 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk een ambtenaar, te weten [verbalisant 1], hoofdagent van politie, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar bediening, in zijn/haar tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hem/haar de woorden toe te voegen: "kankerhoofd", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.

Bespreking van bewijsverweer

Ter terechtzitting in hoger heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde.

Zij heeft daartoe primair aangevoerd dat de verdachte ontkent het woord “kankerhoofd” te hebben gebezigd. Indien de verdachte het woord “kankerhoofd” al zou hebben gebezigd, dan blijkt uit de bewijsmiddelen niet dat de verdachte het woord specifiek tegen verbalisant [verbalisant 1] heeft gericht, nu er meer mensen in de lift stonden en de verdachte op dat moment met zijn gezicht naar de muur stond.

Subsidiair heeft zij aangevoerd dat sprake is van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering, nu de staandehouding van de verdachte onrechtmatig is geweest. Uit het proces-verbaal van bevindingen kan niet worden opgemaakt waar het hinderlijk gedrag van de verdachte uit zou hebben bestaan. Een redelijk vermoeden van schuld ontbrak, dus de staandehouding was onrechtmatig. De verdachte is in zijn belangen geschaad, omdat de verdachte anders niet was aangehouden wegens het niet opgeven van zijn identiteitsgegevens en de situatie in de lift vervolgens niet zou hebben plaatsgevonden.

Meer subsidiair heeft de verdachte zijn identiteitsgegevens wel opgegeven, en is hij daarna onderworpen aan een willekeurige staandehouding die niet op een wettelijke grondslag berust. Als gevolg daarvan dienen alle bewijsmiddelen worden uitgesloten die door het verzuim, dat wil zeggen: na de staandehouding, zijn verkregen.

De uitsluiting van de bewijsmiddelen leidt er volgens de raadsvrouw toe dat er onvoldoende resterend bewijs is voor de bewezenverklaring van de belediging.

Het hof overweegt als volgt.

Uit het proces-verbaal van bevindingen van de verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 1] van 18 januari 2018 blijkt dat de verdachte staande werd gehouden wegens hinderlijk gedrag. [verbalisant 1] heeft de verdachte naar zijn identiteitsbewijs gevraagd en de verdachte zei hem dat niet te hebben. Vervolgens heeft [verbalisant 1] de verdachte meermalen naar zijn naam gevraagd, maar heeft de verdachte op onduidelijke en onvolledige wijze zijn identiteitsgegevens verstrekt. [verbalisant 1] heeft de verdachte vervolgens aangehouden wegens het niet duidelijk en volledig opgeven van zijn identiteitsgegevens.

Het hof is op grond van het voorgaande van oordeel dat de aanhouding van de verdachte, die op basis van het niet verstrekken van zijn identiteitsgegevens heeft plaatsgevonden, rechtmatig is geweest. Derhalve doet zich geen vormverzuim als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering voor en gaat het hof niet over tot bewijsuitsluiting.

Het hof is daarom voorts van oordeel dat [verbalisant 1] in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening handelde. In tegenstelling tot hetgeen de raadsvrouw heeft betoogd, volgt naar het oordeel van het hof uit de bewijsmiddelen onmiskenbaar dat de verdachte [verbalisant 1] opzettelijk heeft beledigd en dat de gebezigde woorden ook specifiek tegen hem waren gericht.

De verweren worden dan ook verworpen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 18 januari 2018 te Amsterdam, opzettelijk een ambtenaar, te weten [verbalisant 1], hoofdagent van politie, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in zijn tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hem de woorden toe te voegen: "kankerhoofd".

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezen verklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.

Strafbaarheid van de verdachte

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 400,00, subsidiair 8 dagen hechtenis.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 400,00, subsidiair 8 dagen hechtenis.

De raadsvrouw heeft, indien het hof komt tot een strafoplegging, verzocht de verdachte een geldboete op te leggen, maar de geldboete die door de advocaat-generaal wordt gevorderd te matigen gelet op alle omstandigheden van het geval.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon en de draagkracht van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan belediging van een politieambtenaar tijdens de uitoefening van zijn functie. Hij heeft de politieambtenaar, die gewoon zijn werk deed en wiens interventie nodig was vanwege het berispelijke gedrag van de verdachte, in zijn eer en goede naam aangetast en zijn gezag als ambtsdrager ondermijnd.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 28 december 2018 is hij eerder ter zake van soortgelijke feiten onherroepelijk veroordeeld, hetgeen in het nadeel van de verdachte weegt.

Het hof heeft gelet op de straf die door rechters bij eenvoudige belediging pleegt te worden opgelegd. Deze straf heeft zijn weerslag gevonden in de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Daarin geldt als uitgangspunt een geldboete ter hoogte van € 150,00. Indien het feit is begaan tegen een politieambtenaar in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening kan de straf worden verhoogd met 33% tot 100%. Gelet op het voorgaande en mede gelet op de recidive van de verdachte zal het hof een hogere straf opleggen dan in de oriëntatiepunten van het LOVS als uitgangpunt is vermeld.

Het hof acht, alles afwegende en rekening houden met het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht en de beperkte draagkracht van de verdachte, een geldboete ter hoogte van € 300,00, subsidiair 6 dagen hechtenis, passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 23, 24, 24c, 63, 266 en 267 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 300,00 (vierhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 6 (zes) dagen hechtenis.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. F.M.D. Aardema, mr. W.M.C. Tilleman en mr. C.N. Dalebout, in tegenwoordigheid van

mr. D.J. Lutje Wagelaar, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 29 januari 2019.

mr. F.M.D. Aardema is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

=========================================================================

[…]