Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:805

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
04-02-2019
Datum publicatie
29-04-2021
Zaaknummer
200.239.974/01 OK
Rechtsgebieden
Ondernemingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De OK wijst het verzoek af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ARO 2019/80
JONDR 2019/724
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

___________________________________________________________________

GERECHTSHOF AMSTERDAM

ONDERNEMINGSKAMER

zaaknummer : 200.239.974/01 OK

beschikking van de Ondernemingskamer van 4 februari 2019

inzake

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BETA BEHEER B.V.,
gevestigd te Zeist,

VERZOEKSTER,

advocaat: mr. R.A.F. Harmsen te Zeist,

t e g e n

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[A] ,

gevestigd te [....] ,

VERWEERSTER,

advocaat: mr. S.W. Claassen te Den Haag,

e n t e g e n

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[B]

gevestigd te [....] ,

BELANGHEBBENDE,

advocaat: mr. S.W. Claassen te Den Haag.

1. Het verloop van het geding

1.1 Verzoekster, verweerster respectievelijk belanghebbende worden hierna respectievelijk aangeduid als Beta Beheer, [A] respectievelijk [B] .

1.2 Beta Beheer heeft bij op 31 mei 2018 ter griffie van de Ondernemingskamer ingekomen verzoekschrift, met producties, de Ondernemingskamer verzocht bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad een onderzoek te bevelen naar het beleid en de gang van zaken bij [A] over de periode vanaf 30 juni 2002, met betrekking tot enkele in het verzoekschrift nader genoemde onderwerpen en de onderzoeker te machtigen tot het raadplegen van boeken, bescheiden en ander gegevensdragers van [B] en aan deze vennootschap gelieerde vennootschappen en zo nodig te bepalen dat bestuurders van deze vennootschappen gehouden zijn aan de onderzoeker alle benodigde gegevens te verschaffen. Daarbij heeft zij tevens verzocht - zakelijk weergegeven - bij wijze van onmiddellijke voorziening voor de duur van het geding 22 van de door [B] gehouden aandelen in het kapitaal van [A] ten titel van beheer over te dragen aan een door de Ondernemingskamer te benoemen persoon, dan wel een andere voorziening te treffen die de Ondernemingskamer geraden acht.

1.3 [A] en [B] hebben bij op 27 september 2018 ter griffie van de Ondernemingskamer ingekomen verweerschrift met producties, de Ondernemingskamer verzocht het verzoek af te wijzen en Beta Beheer te veroordelen in de kosten van het geding.

1.4 Het verzoek is behandeld ter openbare terechtzitting van de Ondernemingskamer van 6 december 2018. Bij die gelegenheid hebben de advocaten de standpunten van de onderscheiden partijen toegelicht aan de hand van - aan de Ondernemingskamer en de wederpartij overgelegde – aantekeningen en onder overlegging van nadere producties die op voorhand aan de Ondernemingskamer en de wederpartij zijn toegestuurd. Partijen en hun advocaten hebben ter zitting vragen van de Ondernemingskamer beantwoord.

2 De feiten

De Ondernemingskamer gaat uit van de volgende feiten:

2.1

[A] is op 5 september 1978 opgericht. Beta Beheer houdt 14 aandelen (20%) en [B] houdt 56 aandelen (80%) in het geplaatste kapitaal van [A] . Enig bestuurder van [A] is [B] .

2.2

Bestuurders van [B] zijn [C] (hierna: [C] ) en diens zoon [D] .

2.3

[A] houdt zich bezig met het beheren en exploiteren van het enig registergoed van de vennootschap (zie hierna onder 2.5). De vennootschap heeft geen werknemers.

2.4

Alle geplaatste aandelen in het kapitaal van Beta Beheer worden gehouden door Stichting Administratiekantoor Beta Beheer, waarvan [E] (hierna: [E] ) de bestuurder en enig certificaathouder is. Bestuurder van Beta Beheer is [F] . [E] , haar echtgenoot, is gevolmachtigde van Beta Beheer, met een volledige volmacht.

2.5

Tot 2002 heeft een samenwerking bestaan tussen [E] en [C] . Doel van de samenwerking was gezamenlijk te beleggen in vastgoed. Toen de samenwerking tussen [E] en [C] eindigde zijn de gezamenlijke beleggingen afgewikkeld c.q. verdeeld, met uitzondering van het pand Limiet 13-15 te Vianen (verder: het pand te Vianen).

2.6

In 2005 is [A] van financier veranderd. Zij is overgestapt van CenE Bankiers naar Rabobank. [C] heeft bij Rabobank een paraplufinanciering gekregen ten behoeve van [A] en enkele aan [B] gelieerde vennootschappen.

2.7

In 2005 hebben partijen onderhandeld over een uitkoop van Beta Beheer. In een e-mail van [E] van 31 augustus 2005, die mede aan [C] is gestuurd, worden bedragen genoemd en wordt gesproken over de eisen die Rabobank mogelijk zou stellen. Die onderhandelingen hebben niet tot resultaat geleid.

2.8

In 2012 is [A] ondergebracht bij de afdeling Bijzonder Beheer van Rabobank, met welke bank een hypothecaire lening was afgesloten (zie hierna onder 2.13).

2.9

Bij e-mail van 8 april 2014 heeft [C] aan [E] onder meer geschreven: “Van harte gefeliciteerd met de geboorte van jullie dochter. (…) Wonen jullie voortaan in Frankrijk of is dit een onderbreking van het verblijf in China? (…) mocht je eens naar Nederland komen; laten we dan eens bij elkaar komen om bij te praten. De situatie in het bedrijfsmatig onroerend goed is hier nog steeds dramatisch. 2 jaar geleden had ik je verwacht; maar kennelijk ben je lang niet in Nederland geweest.”

2.10

Bij e-mail van 13 oktober 2016 heeft [C] namens [A] aan [E] in vervolg op de hierboven genoemde e-mail van 8 april 2014 onder meer het volgende geschreven: “Ik hoop dat het je goed gaat. (…) Helaas heb ik nooit een reactie gehad. Door de slechte economische toestand in Nederland en speciaal die van de kantorenmarkt is de leegstand in Vianen steeds groter geworden en liepen de inkomsten steeds verder terug. Hierdoor werd de instandhouding van het pand Vianen steeds moeilijker. Nu is per 22 september de grootste en oudste huurder Ouwerkerk failliet verklaard waardoor ook die huur van ca. € 330.000 per jaar ook is komen te vervallen. Het vinden van een grote vervangende huurder is eigenlijk een utopie waardoor ik daarnaast ga proberen het pand te verkopen. Ik heb helaas geen positievere berichten.”

2.11

Bij e-mail van 3 november 2016 heeft [E] aan [C] in reactie op bovenstaand bericht onder meer geschreven dat hij met het voornemen tot verkoop van het onroerend goed kan instemmen onder de voorwaarde dat [E] voorafgaand wordt uitgekocht voor een bedrag van € 272.000 en dat dit uiterlijk 30 april 2017 dient te worden geëffectueerd.

2.12

Op 13 december 2016 heeft Rozenhage Bedrijfshuisvesting B.V. (hierna: Rozenhage) op verzoek van [A] ( [C] ) een waardering uitgebracht van het pand te Vianen. De marktwaarde is daarbij vastgesteld op € 2.635.000 en de executiewaarde op € 1.845.000.

2.13

Bij e-mail van 22 december 2016 heeft [C] aan [E] onder meer geschreven dat hij het voorstel van [E] niet kan aanvaarden, dat de financiële situatie van [A] weinig rooskleurig is, dat [A] al geruime tijd onder Bijzonder beheer van Rabobank staat en dat die bank aandringt op verkoop. Het bericht vervolgt met: “Zoals aangekondigd ben ik op zoek gegaan naar een koper. Tot mijn opluchting hebben we een koper weten te vinden die, na stevig onderhandelen 3.35 MIO heeft geboden, nota bene boven de getaxeerde marktprijs. Ik zal dan ook als bestuurder van [A] overgaan tot verkoop maar het leek me niet meer dan juist jou te informeren. Ik kan dit besluit echter niet afhankelijk stellen van jouw verzoek om overdracht van jouw aandelen aan mij. Overigens meen ik ook in mijn hoedanigheid van grootaandeelhouder dat een dergelijke verkoop het enige juiste is op dit moment. Gelet op de omstandigheden is dit de beste weg voor alle betrokkenen.”

2.14

Het pand te Vianen is op 20 december 2016 verkocht door [A] voor € 3.350.000,-- en op 3 maart 2017 geleverd aan de koper, Henley 360 505 B.V.

2.15

Over het boekjaar 2017 bedroeg het resultaat na belastingen € 244.393 negatief. Over het boekjaar 2016 bedroeg het resultaat na belastingen van [A] € 1001.919 negatief. De schuld aan Rabobank bedroeg toen € 1.430.132. Het resultaat na belastingen en de schuld aan de Rabobank bedroegen in

2015: € 18.277, resp. € 4.174.468;

2014: € 259.061 negatief , resp. € 4212.766;

2013: € 1.404.855 negatief, resp. € 4.251.063.

Over alle genoemde jaren had [A] een negatief eigen vermogen.

2.16

In een brief van 26 september 2018 van de belastingadviseur van [A] staat dat de jaarrekeningen 2005, 2011 tot en met 2015 zijn verstrekt aan de accountant/adviseur van Beta Beheer en dat daarvan verzend- en leesbevestigings e-mails zijn teruggevonden. Voorts staat in de brief dat er voor de overige jaren e-mailverkeer is teruggevonden met [E] dan wel zijn accountant omtrent de verstrekking van de jaarrekening, maar dat de specifieke e-mail met de verzending dan wel de leesbevestiging niet meer kon worden achterhaald.

3 De gronden van de beslissing

3.1

Beta Beheer heeft aan haar stelling dat er gegronde redenen zijn voor twijfel aan een juist beleid van en een juiste gang van zaken bij [A] en dat gelet op de toestand van de vennootschap onmiddellijke voorzieningen dienen te worden getroffen het navolgende ten grondslag gelegd.

- [A] ( [B] ) heeft, anders dan was afgesproken na het beëindigen van de samenwerking in 2002, te lang gewacht met de verkoop van het pand te Vianen, waardoor een te lage verkoopprijs is gerealiseerd.

- [B] is als bestuurder van [A] tekortgeschoten met betrekking tot het gevoerde huurbeleid. Zij heeft nagelaten het pand te Vianen aantrekkelijk te maken voor huurders; het bestuur heeft louter passief beheer gevoerd en het heeft onderhoud aan het pand verwaarloosd. Een beter beleid zou hebben geresulteerd in een hogere waarde van het pand.

- Beta Beheer werd pas geïnformeerd over het voornemen tot verkoop van het pand te Vianen toen de verkoop al was gesloten. Bovendien is [A] afgegaan op een op haar verzoek uitgebracht taxatierapport dat ondeugdelijk was. De uiteindelijk gerealiseerde koopprijs was niet marktconform: uitgaande van reële huurprijzen per vierkante meter voor panden als dit, had de koopprijs op € 5.270.000,-- uit moeten komen: er is dus verkocht voor een prijs ver beneden de reële waarde.

- Na 25 oktober 2004 zijn nimmer algemene vergaderingen gehouden. Jaarrekeningen (na die van 2003) zijn nooit voor de aandeelhouders ter inzage gelegd ten kantore van de vennootschap, in de publicatiestukken is telkens in strijd met de waarheid vermeld dat de jaarrekeningen waren vastgesteld. Voor zover jaarrekeningen aan de accountant van Beta Beheer werden toegestuurd, ging het slechts om publicatiestukken. Aldus heeft het bestuur van [A] minderheidsaandeelhouder Beta Beheer buitengesloten, en geen rekening en verantwoording afgelegd; het bestuur is tekortgeschoten in de informatieverstrekking aan Beta Beheer.

- [A] is, geheel buiten Beta Beheer om, overgestapt naar een andere financier: van CenE Bankiers naar de Rabobank. Gebleken is dat het bij de nieuwe financiering ging om een gezamenlijke financiering van [A] en verschillende vennootschappen gelieerd aan [B] , terwijl [A] aansprakelijk is voor de gehele schuld. Er was aldus een tegenstrijdig belang; door na te laten de algemene vergadering hierover te informeren heeft het bestuur fundamentele beginselen van het vennootschapsrecht en corporate governance geschonden.

- In het verleden, ten tijde van de samenwerking, verrichtte [C] ten onrechte betalingen ten behoeve van aan hem verbonden vennootschappen. Het is de vraag of [B] daar mee door is gegaan. De grote bedragen voor reis- en verblijfkosten die in 2013 en 2014 ten laste van [A] zijn gebracht zijn voorbeelden van oneigenlijke betalingen.

3.2

[A] en [B] hebben gemotiveerd verweer gevoerd. De Ondernemingskamer zal hieronder waar nodig op dit verweer ingaan.

3.3

De Ondernemingskamer ziet geen basis voor de (bestreden) stelling van Beta Beheer dat er een afspraak bestond om snel na de beëindiging van de samenwerking in 2002 tussen Beta Beheer/ [E] en [B] / [C] tot verkoop van het pand te Vianen (dan wel tot overname van de aandelen van Beta Beheer in [A] ) te komen. De na 2002 gevoerde correspondentie laat een dergelijke afspraak niet zien: nergens is te lezen dat Beta Beheer na 2002 op enig moment heeft aangedrongen op een spoedige verkoop van het pand te Vianen. Dat er wel in de loop der tijd, in 2002 en wederom in 2005, (tevergeefs) gepoogd is tot een scheiding te komen, leidt niet, zeker niet zonder meer, tot de conclusie dat [A] / [B] op zich had genomen om tot verkoop over te gaan.

3.4

Het verwijt van Beta Beheer dat het verhuurbeleid van [A] tekortschoot, kan niet worden afgeleid uit hetgeen Beta Beheer daaromtrent heeft gesteld. Zoals [A] en [B] naar voren hebben gebracht ging de grootste huurder van het pand in september 2016 failliet. Hiermee viel een jaarlijks bedrag aan inkomsten van circa € 330.000 weg. Ter terechtzitting heeft [C] nog naar voren gebracht dat de bedrijfsvoering heeft geleden onder de crisis en dat het pand niet verhuurbaar was, ondanks pogingen daartoe. [A] en [B] hebben een opsomming van aan verhuur gerelateerde activiteiten over de jaren 2013 (deels) tot en met 2016 overgelegd, waaruit kan worden afgeleid dat er bezichtigingen hebben plaatsgevonden met potentiële huurders en dat het bestuur overleg heeft gevoerd met makelaars en geïnteresseerde partijen. Beta Beheer heeft nog gesteld dat de opvolgend eigenaar inmiddels een eigen website van het pand heeft geopend en een hogere bezettingsgraad en hogere huurprijzen heeft weten te bereiken. [A] en [B] weerspreken dit op zich niet, maar zij wijzen er op dat die nieuwe eigenaar heeft geïnvesteerd door allerlei verbeteringen en vernieuwingen aan te brengen. De Ondernemingskamer overweegt dat wat daarvan ook zij, uit hetgeen Beta Beheer naar voren heeft gebracht en de reacties daarop van de zijde van [A] en [B] geenszins het beeld ontstaat dat het bestuur van [A] zijn verantwoordelijkheid ten aanzien van de exploitatie van het pand te Vianen heeft verwaarloosd.

3.5

De taxatie (of waardeverklaring) van het pand te Vianen is in opdracht van [A] in december 2016 verricht door register makelaar-taxateur Rozenhage (zie hierboven onder 2.12). Voor de suggestie van Beta Beheer dat bestuurder Hogestede Holding bewust onjuiste gegevens heeft verstrekt aan de taxateur met de bedoeling de taxatiewaarde neerwaarts aan te passen, of deze zelfs anderszins negatief zou hebben gemanipuleerd, heeft ze onvoldoende feitelijke aanknopingspunt naar voren gebracht. Zij is blijven steken in een suggestie. Bovendien heeft ze nagelaten duidelijk te maken welk belang [B] daarbij zou hebben. Uiteindelijk is een aanzienlijk hogere prijs dan de getaxeerde waarde gerealiseerd voor het pand te Vianen, hetgeen het belang van beide aandeelhouders heeft gediend.

3.6

Met betrekking tot het verwijt van Beta Beheer dat zij pas werd pas geïnformeerd over het voornemen tot verkoop van het pand te Vianen (op 22 december 2016) toen de verkoop al was gesloten (op 20 december 2016) en dat daarmee haar belangen als minderheidsaandeelhouder zijn geschonden, overweegt de Ondernemingskamer als volgt. Beta Beheer heeft na ontvangst van het bericht over de voorgenomen verkoop van het pand, daarop instemmend gereageerd, zij het onder de voorwaarde dat [B] voorafgaand aan de verkoop van het pand de aandelen in [A] zou overnemen tegen een door Beta Beheer bedongen prijs. Beta Beheer was op dat moment in ieder geval op de hoogte van het voornemen tot verkoop. Die door Beta Beheer gestelde voorwaarde heeft [C] / [B] van de hand gewezen in de voormelde e-mail van 20 december 2016, waarin uitdrukkelijk werd medegedeeld dat de koopprijs voor het pand € 3.350.000,-- zou bedragen. Daarop bleef het echter weer geruime tijd stil van de zijde van Beta Beheer, die eerst bij brief van haar advocaat van 12 juli 2017 reageerde op de aankondiging van de verkoop van 20 december 2016. Die trage reactie past in het patroon dat sinds 2002 bestond, waarin Beta Beheer geen belangstelling toonde voor [A] en bijvoorbeeld een verzoek van [B] van 8 april 2014 om eens te komen praten (met de vermelding: “de situatie in het bedrijfsmatig onroerend goed is hier nog steeds dramatisch”) onbeantwoord liet. Voor Beta Beheer moet die dramatische situatie kenbaar zijn geweest omdat zij beschikte over de jaarstukken (zie hierna). Verkoop op zichzelf moet dus geen verrassing zijn geweest en zij moet hebben beseft dat verkoop in feite de enige aangewezen weg was. Onder die omstandigheden leidt het hierboven weergegeven verwijt van het Beheer met betrekking tot de informatie over de verkoop van 20 december 2016 niet tot een gegronde reden om te twijfelen aan een juist beleid en een juiste gang van zaken van [A] .

3.7

Beta Beheer stelt dat hem sinds 2003 nooit meer concept-jaarrekeningen zijn toegestuurd en nooit algemene vergaderingen zijn gehouden. Dat laatste bestrijden [A] en [B] niet, maar jaarrekeningen zijn wel toegestuurd, en wel naar de accountant van Beta Beheer, zo voeren zij aan. De accountant van [A] , HZW, heeft e-mails terug kunnen vinden waaruit blijkt dat de jaarrekeningen 2005 en 2006, alsmede de jaarrekeningen 2011, 2012, 2013 en 2015 aan de accountant van Beta Beheer zijn toegestuurd. Diezelfde accountant verklaart in een e-mail aan [A] dat er wel e-mails zijn gevonden waarin met [E] of zijn accountant is gecommuniceerd over jaarrekeningen die betrekking hebben op “de overige jaren”, maar dat de e-mails waarin de verzending is vastgelegd niet meer te vinden zijn (zie hierboven onder 2.16). Mede gezien deze brief acht de Ondernemingskamer het aannemelijk dat de jaarstukken (en niet slechts de publicatiestukken) steeds aan Beta Beheer, dan wel aan diens accountant zijn toegestuurd en dat dit een gebruikelijke gang van zaken was. Dat geen besluitvorming in de algemene vergadering over de jaarstukken heeft plaatsgevonden, levert, onder de gegeven omstandigheden, geen reden op om te twijfelen aan een juist beleid. Al eerder kwam aan de orde dat Beta Beheer jarenlang geen belangstelling heeft getoond voor de gang van zaken in [A] en dat op een uitnodiging om te komen praten, in 2014, niet is ingegaan. Beta Beheer verwijt [B] nu nooit rekening en verantwoording te hebben afgelegd in een algemene vergadering, maar klaarblijkelijk heeft Beta Beheer, die naar – mag worden aangenomen – in het bezit was van de jaarstukken, daar nimmer waarde aan gehecht, totdat zij haar advocaat halverwege 2017 had ingeschakeld. Belangrijk is, naar het oordeel van de Ondernemingskamer, dat er geen aanwijzingen om aan te nemen dat de belangen van [A] (en daarmee van Beta Beheer) in enigerlei opzicht zijn verwaarloosd.

3.8

In 2005 is de vennootschap van financier gewisseld: ze is overgestapt van CenE Bankiers naar Rabobank. Naar [A] en [B] hebben aangevoerd was een wisseling van financier noodzakelijk omdat CenE Bankiers zich terugtrok als financier. Beta Beheer wijst op het tegenstrijdig belang van [B] bij de overstap van de Rabobank, omdat in de financiering niet alleen [A] , maar ook vennootschappen gelieerd aan [B] waren betrokken. Zelfs als Beta Beheer niet op de hoogte was van deze overstap – [A] en [B] voeren aan dat zij daarover wel was geïnformeerd en dat is aannemelijk gelet op de hierboven onder 2.7 aangehaalde e-mail van de hand van [E] van 31 augustus 2005, waarin Rabobank expliciet wordt genoemd – dan moet worden vastgesteld dat deze overstap voordelig uitpakte voor [A] , omdat ze een aanzienlijk gunstiger rente over de uitstaande kredietsom betaalde (van 6,00% rente naar 4,18% rente). Dat de risico’s groter waren doordat met [B] verbonden vennootschappen in de paraplufinanciering waren betrokken is op zichzelf juist, maar moet gerelativeerd worden omdat [C] in privé (en [E] niet), hoofdelijk verbonden was voor de gehele schuld aan de Rabobank. Tot slot kan (nu) geconstateerd worden dat deze gezamenlijke financiering met – naar de Ondernemingskamer begrijpt – hoofdelijke onderlinge verbondenheid, geen nadeel heeft toegebracht aan [A] . Hoewel [B] krachtens de statuten destijds ondanks de aanwezigheid van (mogelijk) tegenstrijdig belang vertegenwoordigingsbevoegd was (artikel 9 lid 5 statuten van [A] ), was [B] destijds in beginsel gehouden daarin Beta Beheer te betrekken. Maar nu, zoveel jaren later, duidelijk is dat [A] daarvan geen schade (eerder voordeel) heeft ondervonden, er van uit mag worden gegaan dat Beta Beheer in 2005 van de overstap op de hoogte was en Beta Beheer niet afdoende heeft kunnen toelichten waarom zij nu pas een bezwaar heeft gemaakt, ziet de Ondernemingskamer ook hierin geen gegronde reden om te twijfelen aan een juist beleid en een juiste gang van zaken van [A] .

3.9

Er zijn in 2013 en 2014 bedragen door [B] gefactureerd wegens reis- en verblijfkosten. Uit het door [A] en [B] overgelegde overzicht van activiteiten die (van medio oktober 2013 en in 2014) zijn verricht in het kader van de exploitatie van het pand te Vianen ontstaat de indruk dat het bestuur met regelmaat bezig is geweest met dergelijke activiteiten. Op het eerste oog zijn de gefactureerde bedragen van € 13.208,-- (2013) en € 12.873,-- (2014) niet buitensporig. De stelling van Beta Beheer dat [B] zich in het verleden “meerdere keren te buiten is gegaan” aan het doen van betalingen ten behoeve van aan haar gelieerde vennootschappen ten laste van [A] , is op geen enkele wijze geconcretiseerd. Beta Beheer heeft nagelaten duidelijk te maken wanneer en in welk verband daarvan sprake is geweest. De stelling is blijven steken in een verdenking.

3.10

Beta Beheer heeft een investering gedaan die tot niet tot een financieel positief resultaat heeft geleid. Er zijn geen gegronde redenen voor twijfel aan een juist beleid en een juiste gang van zaken van [A] aanwijsbaar die aan dat resultaat kunnen worden gerelateerd. Ook als de Ondernemingskamer hetgeen Beta Beheer heeft aangevoerd in onderlinge samenhang beschouwt, komt zij niet tot de slotsom dat er gegronde redenen zijn voor twijfel aan een juist beleid van en een juiste gang van zaken van [A] . Er is daarom geen grond om een onderzoek te gelasten. Het verzoek zal worden afgewezen.

3.11

De Ondernemingskamer overweegt voorts dat de vennootschap hoe dan ook niet over de middelen beschikt om een te gelasten onderzoek te bekostigen. Ook op die grond wordt het verzoek afgewezen.

3.12

Beta Beheer zal, zoals verzocht door [A] en [B] , worden veroordeeld in de kosten, bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

4 De beslissing

De Ondernemingskamer:

wijst het verzoek van Beta Beheer af;

veroordeelt Beta Beheer in de kosten van het geding tot op heden aan de zijde [A] en [B] begroot op € 3.948;

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.J. Wolfs, voorzitter, mr. A.M.L. Broekhuijsen-Molenaar en mr. H.J. Vetter, raadsheren, en prof. dr. mr. F. van der Wel RA en dr. P.M. Verboom, raden, in tegenwoordigheid van mr. C.J.E. Brouwer, griffier, en in het openbaar uitgesproken door mr. A.J. Wolfs op 4 februari 2019.