Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:767

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
05-03-2019
Datum publicatie
11-03-2019
Zaaknummer
200.234.363/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

VvE. Plaatsing scootmobiel in gemeenschappelijke ruimte. Vernietiging besluit VvE wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid, artikel 2:15 lid 1 sub b jo artikel 2:8 BW. Artikel 6b onder d Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte bepaalt niet dat de VvE verplicht is mee te werken aan plaatsing van een scootmobiel in de gemeenschappelijke ruimten. Heeft de VvE bij het besluit geen toestemming te verlenen, bij afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid en naar billijkheid tot dat besluit kunnen komen? Geclausuleerde vervangende machtiging verleend. Een ongeclausuleerde rechterlijke (toestemming vervangende) machtiging kan niet door een enkel besluit van de ledenvergadering van de VvE ongedaan worden gemaakt, hetgeen op gespannen voet staat met de volgens artikel 13 lid 3 van de Akte van Splitsing bestaande (eveneens aan de redelijkheidstoets van artikel 2:15 lid 1 onder b BW onderworpen) bevoegdheid van de ledenvergadering van de VvE een gegeven toestemming ook weer in te trekken.

Zie ECLI:NL:GHAMS:2018:1793.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JONDR 2019/430
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team 1

zaaknummer: 200.234.363/01

zaaknummer rechtbank Noord-Holland: 6278611 EJ VERZ 17-351

beschikking van de meervoudige burgerlijke kamer van 5 maart 2019

inzake

VERENIGING VAN EIGENAARS FLATGEBOUW [(naam gebouw)] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] , gemeente [gemeente] ,

appellante,

verweerster in het voorwaardelijk incidenteel appel,

advocaat: mr. R.P.M. de Laat te Utrecht,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

verzoekster in het voorwaardelijk incidenteel appel,

advocaat: mr. C.B. van Die te Leusden.

1 Het verdere geding in hoger beroep

Partijen worden hierna wederom de VvE en [geïntimeerde] genoemd.

Op 8 mei 2018 heeft het hof een beschikking gegeven (hierna “de tussenbeschikking”) naar aanleiding van het incidentele verzoek van de VvE strekkend tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beschikking. Het hof heeft bij de eerste beschikking het verzoek van de VvE afgewezen, de beslissing over de kosten aangehouden tot de eindbeschikking in de hoofdzaak en een datum voor het verweerschrift in de hoofdzaak bepaald.

Op 15 juni 2018 is ter griffie van het hof een verweerschrift tevens voorwaardelijk incidenteel beroepsschrift van [geïntimeerde] , met producties, ingekomen. In het principaal appel strekt het verweerschrift tot bekrachtiging van de beschikking waarvan beroep, in het voorwaardelijk incidentele appel bevat het een verzoek om aan haar vervangende machtiging te verlenen de gemeenschappelijke containerruimte te mogen gebruiken voor het stallen en opladen van haar scootmobiel.

Op 24 juli 2018 is ter griffie van het hof een verweerschrift in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep van de VvE ingekomen. Dat verweerschrift strekt tot afwijzing van het voorwaardelijk incidenteel appel.

De mondelinge behandeling van het hoger beroep heeft plaatsgevonden op

22 januari 2019. Bij die gelegenheid heeft de VvE door mr. De Laat voornoemd tezamen met mr. M.H.J. Doornink, advocaat te Utrecht, het woord doen voeren en [geïntimeerde] door mr. Van Die voornoemd, aan beide zijden aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd. Beide partijen hebben nog producties in het geding gebracht. Partijen hebben inlichtingen verschaft.

Beide partijen hebben bewijs van hun stellingen aangeboden.

Vervolgens is de behandeling van de zaak gesloten. Uitspraak is bepaald op heden.

2 Feiten

In aanvulling op de feiten die het hof in de eerste beschikking heeft vastgesteld, behelzen de feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet (voldoende) betwist zijn komen vast te staan, het volgende.

2.1

[geïntimeerde] heeft op 8 februari 2017 samen met haar echtgenoot een appartement met berging gekocht in het appartementencomplex [naam complex] te [plaats] , waarvan de VvE de vereniging van eigenaars is. Op 17 juli 2017 heeft de levering plaatsgevonden en op 1 september 2017 zijn [geïntimeerde] en haar echtgenoot feitelijk in het appartement gaan wonen.

2.2

[geïntimeerde] maakt gebruik van een scootmobiel die opgeladen dient te worden.

De scootmobiel kan vanwege de omvang ervan niet in haar appartement worden gestald (hij past niet in de lift van het appartementencomplex) en evenmin in haar berging. [geïntimeerde] is na het sluiten van de koopovereenkomst, maar voor de levering, met het bestuur van de VvE in overleg getreden over een locatie in het appartementencomplex waar de scootmobiel gestald en opgeladen kan worden. In het overleg van 1 mei 2017 heeft het bestuur haar laten weten dat de scootmobiel niet (onder de trap) in de hal kan worden gestald (zoals [geïntimeerde] wenste), maar wel toestemming verleend om deze te stallen en op te laden in de ruimte waar de afvalcontainers staan (“de containerruimte”). De containerruimte behoort volgens de Akte van Splitsing tot de gemeenschappelijke gedeelten.

2.3

De Akte van Splitsing bepaalt in artikel 12 lid 1, voor zover van belang:

Iedere eigenaar (…) is verplicht zich te onthouden van (…) het plaatsen van voertuigen (…) op plaatsen die hiervoor niet zijn bestemd.

Artikel 12 lid 3 bepaalt, voor zover van belang:

De vergadering kan tot de in het eerste (..) lid genoemde handelingen toestemming verlenen en een reeds verleende toestemming intrekken.

2.4

Teneinde de vereiste toestemming van de VvE te verkrijgen voor de door het bestuur verstrekte toestemming, heeft het bestuur dit onderwerp op de VvE vergadering van 15 augustus 2017 geagendeerd. In die vergadering is met 46 tegen 2 stemmen (het maximum aantal stemmen is 48) besloten [geïntimeerde] geen toestemming te verlenen om de scootmobiel in de containerruimte te plaatsen.

3 De verdere beoordeling

3.1

In dit geding heeft [geïntimeerde] om vernietiging verzocht van het besluit van de VvE van 15 augustus 2017 en verzocht de VvE te verplichten [geïntimeerde] een sleutel van de deur van de containerruimte ter beschikking te stellen en de gemeente Haarlemmermeer (verder: de gemeente) ongehinderd bepaalde benodigde aanpassingen aan te laten brengen. Zij acht het besluit van de VvE in strijd met de redelijkheid en billijkheid als bedoeld in artikel 2:15 lid 1 sub b BW. De kantonrechter heeft het verzoek van [geïntimeerde] toegewezen. Tegen dat oordeel en de gronden waarop het berust is de VvE in dit hoger beroep opgekomen, en [geïntimeerde] in voorwaardelijk incidenteel appel.

voorwaardelijk incidenteel appel

3.2

Het voorwaardelijk incidenteel appel van [geïntimeerde] strekt tot verduidelijking van haar verzoek, nu zij niet met zoveel woorden de vervangende machtiging tot stalling in de containerruimte van de kantonrechter heeft gevraagd, maar dat natuurlijk wel bedoelde te doen. Het hof is van oordeel dat dat inderdaad vanzelfsprekend is en uit (onder meer) het verweerschrift in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep van de VvE volgt dat ook de VvE die mening is toegedaan. Duidelijkheidshalve zal het hof dat, zo nodig, wel in het te formuleren dictum van deze beschikking verwerken. De voorwaarde waaronder het appel is ingesteld (te weten: dat haar verzoek niet als besloten liggend in het eerdere verzoek moest worden beschouwd) is intussen niet in vervulling gegaan, zodat het appel niet wordt behandeld. Het hof zal ook geen kostenveroordeling in dat appel uitspreken.

principaal appel

3.3

De VvE plaatst blijkens haar tweede grief vraagtekens bij de noodzaak voor [geïntimeerde] van het gebruik van een scootmobiel omdat zij lopend, soms zelfs boodschappentassen tillend, wordt gezien en zij ook geen (kennelijk:) WMO-indicatie voor een scootmobiel heeft overgelegd. [geïntimeerde] heeft erkend dat zij wel korte afstanden kan lopen, alleen geen lange afstanden. Zij heeft ter onderbouwing van de noodzaak om een scootmobiel te gebruiken enkele stukken overlegd. Uit de brief van dr. N. de Korte, chirurg in het Spaarne Gasthuis (productie 12 van [geïntimeerde] ), van 23 februari

2016 volgt dat [geïntimeerde] weliswaar korte afstanden kan lopen en een trap op en af kan, maar gezien haar mobiliteitsbeperking voor lange afstanden permanent is aangewezen op een rolstoel of scootmobiel. De als productie 13a van [geïntimeerde] opgenomen e-mail van de Casemanager Zorg en ondersteuning van de gemeente van 7 maart 2018 bevestigt voorts, dat er vanuit de WMO een indicatie is voor het verstrekken van een scootmobiel aan [geïntimeerde] en (nu [geïntimeerde] haar scootmobiel op eigen kosten heeft aangeschaft) voor het aanpassen van de algemene ruimte ten behoeve van de scootmobiel. Volgens de VvE kunnen deze verklaringen niet volstaan ter onderbouwing van [geïntimeerde] ’ standpunt omdat deze niet afkomstig zijn van een gezamenlijk door partijen aangewezen onafhankelijk deskundige zoals bepaald in artikel 23 lid 4 Modelreglement 2017; weliswaar is dat modelreglement formeel niet van toepassing, maar volgens de VvE codificeert dat reglement de heersende jurisprudentie. Het hof volgt de VvE echter niet in die opvatting. Er bestaat geen reden tot twijfel aan de juistheid en onafhankelijkheid van de zojuist weergegeven verklaringen en uit de e-mail van de gemeente blijkt onomwonden dat [geïntimeerde] een WMO-indicatie heeft voor een scootmobiel. Daarmee staat, als onvoldoende bestreden, vast dat [geïntimeerde] een scootmobiel nodig heeft.

3.4

De VvE trekt voorts in twijfel dat [geïntimeerde] een scootmobiel met de omvang van haar huidige nodig heeft. De VvE heeft niet dan wel onvoldoende bestreden dat [geïntimeerde] inmiddels niet meer beschikt over de tweede (kleinere) scootmobiel die zij oorspronkelijk (ook) gebruikte, dus het hof zal daarvan uitgaan. Uit de verklaring van de fysiotherapeut van [geïntimeerde] van 24 mei 2018 (productie 18 van [geïntimeerde] ) volgt dat dat kleinere type voor haar in de praktijk niet geschikt bleek. Zij heeft niet alleen een scootmobiel nodig met vering (om voor haar pijnlijke schokken op te vangen) maar ook een met een zodanige omvang dat zij daarop met een gestrekt been kan zitten; [geïntimeerde] kan haar been namelijk niet voor langere tijd dan een paar minuten naar beneden houden. Verder heeft haar huidige (grotere) scootmobiel een grotere actieradius en verschaft deze [geïntimeerde] daarom meer bewegingsvrijheid, hetgeen voor haar van wezenlijk belang is.

Voor zover de VvE ook hier betoogt dat en waarom een gezamenlijk benoemde onafhankelijke deskundige de noodzaak van de (huidige) scootmobiel voor [geïntimeerde] had moeten vaststellen wordt dit betoog eveneens verworpen. Het voor het overige gevoerde verweer van de VvE bevat onvoldoende aanknopingspunten om aan de juistheid en de onafhankelijkheid van de verklaring van de fysiotherapeut van [geïntimeerde] te twijfelen. Het hof zal er daarom vanuit gaan dat deze scootmobiel voor [geïntimeerde] noodzakelijk is. Grief 2 faalt in zoverre.

3.5

Anders dan [geïntimeerde] suggereert bepaalt artikel 6b onder d Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte niet, laat staan met zoveel woorden, dat de VvE verplicht is mee te werken aan plaatsing van een scootmobiel in de gemeenschappelijke ruimten. Bij de beslissing om al dan niet toestemming te verlenen de scootmobiel in de containerruimte te mogen plaatsen dient de ledenvergadering van de VvE, die krachtens de Akte van Splitsing tot een dergelijke beslissing bevoegd is, op grond van artikel 2:15 lid 1 sub b BW de redelijkheid en billijkheid die artikel 2:8 BW vereist in acht te nemen. Beoordeeld moet daarom worden of de VvE bij het besluit die toestemming niet te verlenen, bij afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid en naar billijkheid tot dat besluit heeft kunnen komen.

3.6

De VvE heeft er onder grief 2 op gewezen dat bij de beoordeling dient te worden betrokken dat [geïntimeerde] het appartement kocht zonder eerst te verifiëren of zij haar scootmobiel in een gemeenschappelijke ruimte kon én mocht stallen. Daarmee heeft zij het risico op de koop toe genomen dat die toestemming zou worden geweigerd. Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft de VvE daaraan nog toegevoegd dat andere leden in een met die van [geïntimeerde] vergelijkbare situatie keuzes plachten te maken waardoor geen beroep op de gemeenschappelijke ruimten hoefde te worden gedaan, zoals de keuze voor een kleiner type vervoermiddel (dat in de eigen berging of woning kan worden gestald), of zelfs om te verhuizen indien er binnen de privé ruimten geen stallingsplaats kon worden gevonden. Hoewel deze achtergrond kan verklaren waarom het verzoek van [geïntimeerde] (nieuw in het appartementencomplex) door de andere leden zeer koel werd ontvangen, betekent dit nog niet dat [geïntimeerde] geen aanspraak meer kon maken op het verkrijgen van toestemming als bedoeld in artikel 13 van de Akte van Splitsing. Of en zo ja in welke mate de VvE vervolgens bij de belangenafweging die het verstrekken van de toestemming vergt, rekening moet houden met een door een lid zelf bewerkstelligd fait accompli valt verder niet in algemene zin te beantwoorden, maar dat antwoord hoeft in dit geval ook niet te worden gegeven, zoals uit het hierna overwogene volgt.

3.7

Het debat tussen partijen spitst zich toe op de vraag naar de beschikbaarheid van een reëel alternatief voor de stalling van de scootmobiel in de containerruimte, dat er volgens [geïntimeerde] niet is en volgens de VvE wel.

3.7.1

De VvE heeft met haar grieven onder 4 en 5 gewezen op de mogelijkheid de scootmobiel in een buitenbox te stallen of in de eigen transportbus van [geïntimeerde] . De overige alternatieven die de VvE onder 57 e.v. van haar hoger beroepschrift heeft aangevoerd gaan uit van een kleiner type scootmobiel dan [geïntimeerde] nodig heeft en zullen daarom, gelet op het hiervoor overwogene, niet meer worden besproken.

3.7.2

Op dit moment is er bij het appartementencomplex geen buitenbox. Niet is toegelicht wat de kosten om er een te plaatsen zullen zijn en tussen partijen is in geschil (zonder dat een der partijen het standpunt ter zake voldoende heeft onderbouwd) of een buitenbox op het terrein van de VvE kan worden gerealiseerd. Wat plaatsing in een buitenbox voor de actieradius van de scootmobiel betekent en hoe (en tegen welke kosten) een eventuele verminderde actieradius kan worden voorkomen houdt partijen ook verdeeld.

3.7.3

Het plaatsen van de scootmobiel in de transportbus van [geïntimeerde] betekent dat de scootmobiel niet opgeladen kan worden, dan wel (en ervan uitgaand dat een laadpaal bij de invalidenparkeerplaats wordt geplaatst) slechts met het raam van de transportbus open. Het laden van de scootmobiel duurt volgens [geïntimeerde] ca. 10 uur. Ook moet [geïntimeerde] dan de scootmobiel (van 174 kilo) voor ieder gebruik uit de bus halen en daar weer in terugplaatsen, hetgeen belastend voor haar is. Dit alternatief betekent voor [geïntimeerde] tevens dat het gebruik van haar transportbus aan beperkingen wordt onderworpen, onder meer omdat geen passagiers mee kunnen als - naast haar rolstoel - ook de scootmobiel steeds in de transportbus moet kunnen blijven.

3.7.4

Als gevolg van de beslissing van de kantonrechter staat de scootmobiel inmiddels ongeveer een jaar in de containerruimte. Gesteld noch gebleken is dat als gevolg daarvan iets anders heeft moeten plaatsmaken: de ruimte was kennelijk beschikbaar. Uit het door beide partijen in het geding gebrachte rapport van Bureau Bouwpathologie van 2 januari 2018 blijkt dat er net genoeg plek is om de achterste container uit de ruimte naar buiten te rijden wanneer de scootmobiel strak tegen de achterwand wordt geplaatst. Op de in het geding gebrachte foto’s (in het bijzonder productie 15 van [geïntimeerde] ) is, voorts, te zien dat het gangpad tussen de containers en de muur niet wordt geblokkeerd door de scootmobiel, die in een ruimte ná de muur is geplaatst en niet voorbij de muur steekt. Evenmin wordt de ruimte tussen de containers en de uitgang belemmerd.

Zo er al problemen waren in verband met brandveiligheid zijn die oplosbaar gebleken. Sinds het tijdstip dat de scootmobiel er staat zijn er geen schades door of aan de scootmobiel opgetreden; dat hier toch een serieus te nemen risico voor schade voor de VvE bestaat, zoals zij met haar derde grief betoogt, is onvoldoende door haar geconcretiseerd. Volgens de VvE werd het legen van de containers op enig moment bemoeilijkt door de aanwezigheid van de scootmobiel: [geïntimeerde] heeft dat betwist onder verwijzing naar een recente brief van het afvalverwerkingsbedrijf, waaruit volgt dat dat slechts een incident betrof en de scootmobiel geen problemen voor het legen van de containers oplevert. De VvE trekt die laatste verklaring weliswaar in twijfel, maar heeft daarmee nog niet aangevoerd dat zich op dit vlak nog problemen voordoen, zodat het hof ervan uit zal gaan dat die inmiddels zijn opgelost. De slotsom moet luiden dat de containerruimte een passende stallingsruimte voor [geïntimeerde] ’ scootmobiel is en geen (noemenswaardige) nadelen voor de VvE met zich brengt.

3.7.5

Gegeven de beschikbaarheid van een passende ruimte voor de scootmobiel van [geïntimeerde] en in het licht van het feit dat er op dit moment geen ander lid van de VvE is dat om dezelfde redenen aanspraak op die ruimte maakt, zijn de door de VvE genoemde alternatieven thans niet reëel te noemen. Deze zijn hetzij te zeer met (technische, praktische dan wel financiële) onzekerheden omgeven (de buitenbox) hetzij voor [geïntimeerde] met haar handicap te ingrijpend (stallen in de eigen transportbus), bezien in het licht van het relatief probleemloze stallen in de containerruimte. Hetgeen [geïntimeerde] daarover heeft aangevoerd heeft de VvE onvoldoende gemotiveerd weersproken. Bewijslevering is dan niet aan de orde. De feitelijke beschikbaarheid van een stallingsplaats voor de scootmobiel van [geïntimeerde] en de afwezigheid van redenen die de VvE ertoe nopen die plaats níet aan haar ter beschikking te stellen brengen mee dat het hof de vervangende machtiging als hierna te vermelden zal verstrekken. Het enkele risico dat een zekere precedentwerking van de toestemming aan [geïntimeerde] kan uitgaan weegt onvoldoende zwaar om anders te beslissen en hetzelfde geldt voor het feit dat [geïntimeerde] pas om toestemming heeft gevraagd nadat zij haar appartement had gekocht. De grieven 3 tot en met 6 falen. De proceskostenveroordeling in eerste aanleg is terecht gegeven, zodat ook grief 7 faalt.

3.8

Wel heeft de VvE onder grief 1 terecht gewezen op de problemen die door een ongeclausuleerde machtiging kunnen ontstaan als in de toekomst leden die daar een groter belang bij hebben dan [geïntimeerde] een scootmobiel in een gemeenschappelijke ruimte, in het bijzonder de containerruimte, wensen te plaatsen. Die problemen zijn verre van denkbeeldig, gezien de leeftijdsopbouw van het ledenbestand, waarin het zwaartepunt boven de 65 jaar ligt, en ervan uitgaand dat er geen of weinig andere ruimtes beschikbaar zijn. Een ongeclausuleerde rechterlijke (toestemming vervangende) machtiging kan niet door een enkel besluit van de ledenvergadering van de VvE ongedaan worden gemaakt, hetgeen op gespannen voet staat met de volgens artikel 13 lid 3 van de Akte van Splitsing bestaande (eveneens aan de redelijkheidstoets van artikel 2:15 lid 1 onder b BW onderworpen) bevoegdheid van de ledenvergadering van de VvE een gegeven toestemming ook weer in te trekken. Het hof ziet daarin aanleiding aan de door [geïntimeerde] verzochte machtiging de door de VvE verzochte beperking te verbinden, op de wijze als hierna in het dictum te vermelden.

3.9

De slotsom luidt dat grief 1 slaagt en de overige grieven falen. In deze uitkomst ziet het hof aanleiding in de hoofdzaak geen kostenveroordeling op te leggen. De kosten van het incident dient de VvE te dragen omdat zij daarin in het ongelijk is gesteld.

4 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking, met dien verstande dat aan 6.1 wordt toegevoegd:

en verleent vervangende machtiging aan [geïntimeerde] voor het mogen gebruiken van de gemeenschappelijke containerruimte als stallings- en oplaadplaats voor haar scootmobiel, tot het moment dat [geïntimeerde] , naar objectieve maatstaven, ten opzichte van een of meer andere appartementseigenaars of -gebruikers, niet meer het meest dwingende belang heeft bij die stallingsplaats en/of deze ruimte in het geheel niet meer voor de stalling van voertuigen kan worden gebruikt;

verstaat dat in de hoofdzaak van het hoger beroep geen kostenveroordeling wordt opgelegd;

bepaalt dat de VvE de kosten van het incident in hoger beroep zal dragen, tot op heden begroot op € 1.074,-;

verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. L.A.J. Dun, R.J.M. Smit en C.C. Meijer en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 5 maart 2019.