Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:753

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
18-01-2019
Datum publicatie
08-03-2019
Zaaknummer
23-000970-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

opzetheling pinpas/bankpas - medeplichtigheid diefstal, op de uitkijk staan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-000970-18

datum uitspraak: 18 januari 2019

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen de vonnissen van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 14 maart 2018 en 27 maart 2018 in de strafzaken onder de parketnummers 13/703066-17 respectievelijk 13/229804-17 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1995,

adres: [adres 1].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

17 december 2018 en 18 januari 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van de onderzoeken ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormelde vonnissen is door de verdachte hoger beroep ingesteld. Ter terechtzitting van

17 december 2018 heeft het hof de voeging van de zaken bevolen.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijziging is aan de verdachte ten laste gelegd dat:

Zaak met parketnummer 13-703066-17 (hierna zaak A):

primair:
hij op of omstreeks 24 juni 2017 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een een tas met inhoud, geheel of ten dele toebehorend aan [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot die/dat tas heeft/hebben verschaft en/of die/dat weg te nemen tas onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak/verbreking (van een ruit van de auto van [slachtoffer 2]);

subsidiair:
hij op of omstreeks 24 juni 2017 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een bankpas heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen wist(en) of redelijkerwijs moest(en) vermoeden, dat het (een) door diefstal, in elk geval (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof.

Zaak met parketnummer 13-229804-17 (hierna zaak B):

primair:
hij op of omstreeks 13 november 2017 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een etui (met daarin een geldbedrag), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 3] en/of [bedrijf 1], heeft weggenomen in/uit een voertuig (Volkswagen met kenteken [kenteken]) met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

subsidiair:
[medeverdachte 1] op of omstreeks 13 november 2017 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een etui (met daarin een geldbedrag), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3] en/of [bedrijf 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan die [medeverdachte 1] en/of aan verdachte, bij het plegen van welk misdrijf verdachte toen daar opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft door met voornoemde [medeverdachte 1] te overleggen en/of (vervolgens) in een portiek te gaan staan en/of (vanuit dat portiek) eenmaal of meermalen te kijken naar voornoemde [medeverdachte 1] en/of te kijken in de richting van de Hobbemastraat en/of (aldus) op de uitkijk te staan;

meer subsidiair:

[medeverdachte 1] op of omstreeks 13 november 2017 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een voertuig (Volkswagen met kenteken [kenteken]) weg te nemen goederen en/of geld, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3] en/of [bedrijf 1], in elk geval aan een ander dan aan [medeverdachte 1] en/of aan verdachte, [medeverdachte 1] het voertuig in is gegaan en de cabine van het voertuig heeft doorzocht, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, bij het plegen van welk misdrijf verdachte toen daar opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft door met voornoemde [medeverdachte 1] te overleggen en/of (vervolgens) in een portiek te gaan staan en/of (vanuit dat portiek) eenmaal of meermalen te kijken naar voornoemde [medeverdachte 1] en/of te kijken in de richting van de Hobbemastraat en/of (aldus) op de uitkijk te staan;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnissen waarvan beroep

De vonnissen waarvan beroep zullen worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring en tevens strafoplegging komt dan de politierechter.

Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte in de zaken A en B primair is ten laste gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.

Bewijsoverweging

Zaak A

Anders dan de raadsvrouw heeft bepleit, is het hof van oordeel dat bewezen kan worden verklaard dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan opzetheling. Het hof overweegt daartoe als volgt.

De verdachte is op de camerabeelden van coffeeshop [naam], op het tijdstip waarop gebruik wordt gemaakt van een (op dat moment, gestolen) bankpas op naam van [slachtoffer 1], door vijf verbalisanten herkend. Deze vijf verbalisanten hebben onafhankelijk van elkaar de verdachte herkend op de camerabeelden van coffeeshop [naam]. Al deze verbalisanten hebben de verdachte eerder fysiek gezien; dan wel zijn diverse malen ambtshalve met hem geconfronteerd. Deze verbalisanten herkennen de verdachte aan de hand van meerdere kenmerken, waaronder zijn postuur, houding en gezichtskenmerken.

Aan de verdediging kan worden toegegeven dat met herkenningen zorgvuldig moet worden omgegaan maar gelet op de aard en stelligheid van de herkenningen door vijf verbalisanten - ieder op zichzelf genomen en in onderling verband gezien - acht het hof deze zodanig betrouwbaar dat kan worden vastgesteld dat de verdachte de persoon is geweest die in de coffeeshop gebruik heeft gemaakt van de gestolen bankpas. Het hof voegt daar aan toe, en acht van belang, dat de verdachte op 14 juli 2017 is gesignaleerd in dezelfde kleding als de kleding die de persoon op de camerabeelden droeg.

In de coffeeshop heeft de verdachte gebruik gemaakt van een bankpas (contactloos pinnen) die op naam stond van [slachtoffer 1], de enige persoon die op regelmatige wijze gebruik mocht maken van de pas. Dat de verdachte de pas heeft gebruikt op aanwijzingen van [slachtoffer 1], dan wel niet heeft opgemerkt dat hij een pas gebruikte van een ander, is gesteld noch aannemelijk geworden. Door desondanks de bankpas te gebruiken heeft de verdachte, naar het oordeel van het hof, minst genomen bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat deze bankpas van een misdrijf afkomstig was. Het hof acht dan ook voorwaardelijk opzet van de verdachte op de heling van de bankpas van [slachtoffer 1] bewezen.

Anders dan de politierechter in de rechtbank Amsterdam is het hof van oordeel dat de primair ten laste gelegde diefstal in vereniging niet bewezen kan worden verklaard mede gelet op het feit dat tussen het moment van de diefstal van de tas (met daarin de bankpas) en het gebruik door de verdachte van de bankpas in de coffeeshop, er door een derde ([medeverdachte 2]) met de betreffende bankpas is gepind bij een ING pinautomaat.

Zaak B

Anders dan de politierechter heeft geoordeeld en door de advocaat-generaal is betoogd, is het hof van oordeel dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan medeplichtigheid aan diefstal, zoals dit subsidiair ten laste is gelegd. Het hof overweegt daartoe als volgt.

In zijn algemeenheid is van medeplichtigheid bij een strafbaar feit sprake wanneer iemand hulp verleent bij een misdrijf dat door een ander wordt gepleegd, tijdens of voorafgaand daaraan. Uit het dossier blijkt het volgende. De politieambtenaar [verbalisant 1] ziet op 13 november 2017 twee mannen op straat lopen die opvallend veel aandacht hebben voor de aldaar geparkeerde voertuigen. Hierna blijft één persoon, de verdachte, in een portiek staan terwijl de medeverdachte [medeverdachte 1] de cabine van een bedrijfsbus doorzoekt. De verdachte keek vanuit het portiek zowel in de richting van de medeverdachte als in de tegengestelde richting. Na enige tijd komt de medeverdachte uit de bedrijfsbus en loopt naar de portiek waar de verdachte staat. De medeverdachte is vervolgens aangehouden en bij zijn fouillering is een etui gevonden. De aangever heeft dit etui herkend als het uit het handschoenenkastje van zijn bedrijfsbus weggenomen etui. Het hof acht daarbij van belang dat de aangever, een Brits staatsburger, heeft verklaard dat in dat etui onder meer wat kleingeld zat om te parkeren, terwijl bij de medeverdachte naast voormeld etui iets meer dan zes euro aan muntgeld is aangetroffen en drie Britse munten van vijf pence. Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat de medeverdachte zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal en de verdachte daarbij hulp heeft verleend en zich aldus schuldig heeft gemaakt aan medeplichtigheid bij de diefstal.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak A subsidiair en in de zaak B subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

Zaak A
subsidiair:
hij op 24 juni 2017 te Amsterdam een bankpas heeft verworven en voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen wist dat het een door diefstal, in elk geval een door misdrijf verkregen goed betrof.

Zaak B
subsidiair:
[medeverdachte 1] op 13 november 2017 te Amsterdam, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een etui met daarin een geldbedrag, toebehorende aan [slachtoffer 3], bij het plegen van welk misdrijf verdachte toen daar opzettelijk behulpzaam is geweest door met voornoemde [medeverdachte 1] te overleggen en vervolgens in een portiek te gaan staan en vanuit dat portiek eenmaal of meermalen te kijken naar voornoemde [medeverdachte 1] en te kijken in de richting van de Hobbemastraat en aldus op de uitkijk te staan.

Hetgeen in de zaak A subsidiair en in zaak B subsidiair meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de hieronder opgenomen bewijsmiddelen zijn vervat.

Bewijsmiddelen

Zaak A

1. Een proces-verbaal aangifte met nummer PL1300-2017134195-1 van 26 juni 2017, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2] (doorgenummerde pagina’s 1-4).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 26 juni 2017 tegenover verbalisant afgelegde verklaring van [slachtoffer 1].

Hierbij doe ik aangifte van diefstal door middel van braak uit de auto. Uit de auto is weggenomen pas-bankbescheiden, ABN Amro. Ik heb direct de bank gebeld om mijn bankpas te blokkeren. De medewerker van de bank vertelde mij dat er contactloos is betaald met mijn pinpas voor een bedrag van 15,07 euro.

2. Een proces-verbaal met nummer PL1300-2017134195-11 van 11 juli 2017, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 3] (doorgenummerde pagina’s 7-8)

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 11 juli 2017 tegenover verbalisant afgelegde verklaring van [slachtoffer 1].

Op 24 juni 2017 om 20:17 uur hadden ze bij [bedrijf 2] 15,07 euro contactloos gepind.

3. Een proces-verbaal met nummer PL1300-2017134195-5 van 4 juli 2017, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 4] (doorgenummerde pagina’s 9-10).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 11 juli 2017 tegenover verbalisant afgelegde verklaring van [slachtoffer 1].

Ik wil u de locatie nog geven, alwaar er contactloos gepind is met de weggenomen pinpas. Dit is geweest bij:

Coffeeshop [naam] gevestigd aan de [adres 2].

4. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2017134195-15 van 14 juli 2017, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 5] en [verbalisant 6] (doorgenummerde pagina’s 15-16).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisanten (of één of meer van hen):

Op vrijdag 14 juli 2017 omstreeks 15:00 uur was ik, verbalisant [verbalisant 6], in burger gekleed en bevond mij in de Rocketstraat te Amsterdam. Ik verbalisant [verbalisant 6], zag op de mr. Treublaan ter hoogte van perceel 20 [verdachte] lopen. Ik, verbalisant [verbalisant 6], zag dat El Jarrari dezelfde kledij droeg als welke hij droeg op de camerabeelden van coffeeshop DNA waar hij contactloos aan het pinnen was met een gestolen pas.

Ik verbalisant [verbalisant 5], heb vervolgens op vrijdag 14 juli 2017 omstreeks 15:10 uur [verdachte] staande gehouden en hierbij zijn kleding gezien. Ik zag later (het hof begrijpt: op die dag) op het politiebureau Linnaeusstraat beelden van de beveiligingscamera waarbij de verdachte de coffeeshop benadert en waarbij hij contactloos pint in de coffeeshop. Ik, verbalisant [verbalisant 5] herkende van deze beelden [verdachte] als verdachte. Ik herkende hem aan zijn kleding, die 100% overeenkwam met wat hij aanhad tijdens zijn staandehouding op de mr. Treublaan. Zijn kleding kwam overeen qua pet, bovenkleding en joggingbroek. Ook herkende ik hem aan zijn postuur, houding en gezicht.

5. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2017134195-9 van 6 juli 2017, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 7] (doorgenummerde pagina 52).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:

Op 6 juli 2017 zag ik een aandachtvestiging waarin videobeelden werden getoond van personen en de volgende informatie werd verstrekt. Op 24 juni 2017 heeft een diefstal uit auto plaatsgevonden. Hierbij is onder andere en pinpas weggenomen welke later is gebruikt bij coffeeshop DNA aan de [adres 2]. De verdachte in de beelden van de coffeeshop DNA heeft contactloos gepind met deze gestolen pinpas.

De persoon links, midden herken ik als [verdachte]. Ik ken de bovengenoemde persoon ambtshalve. Ik herken de persoon aan zijn, opmerkelijk bovenlipje en zijn grote, donkere wenkbrauwen. Ik kwam [verdachte] veel tegen op straat in mijn werkgebied. Ik heb [verdachte] meerdere malen aangehouden. Ik herkende de persoon onmiddellijk toen ik de videobeelden zag.

6. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2017134195-7 van 6 juli 2017, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 8] (doorgenummerde pagina’s 53-54).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:

Op 6 juli 2017 zag ik een aandachtvestiging waarin videobeelden werden getoond van personen en de volgende informatie werd verstrekt. Op 24 juni 2017 heeft een diefstal uit auto plaatsgevonden. Hierbij is onder andere en pinpas weggenomen welke later is gebruikt bij coffeeshop DNA aan de [adres 2]. De verdachte in de beelden van de coffeeshop DNA heeft contactloos gepind met deze gestolen pinpas.

De persoon links in het midden herken ik als [verdachte]. Ik ken bovengenoemde persoon ambtshalve. Ik herken de persoon aan zijn, voor mij, opmerkelijke bovenlip, laaghangende oren en grote wenkbrauwen. Als politiemotorrijder kom ik [verdachte] veel tegen op straat en spreek hem ook regelmatig. Ik herkende de persoon onmiddellijk toen ik de videobeelden zag.

7. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2017134195-6 van 6 juli 2017, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 9] (doorgenummerde pagina’s 55-56).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:

Op 6 juli 2017 zag ik een aandachtvestiging waarin videobeelden werden getoond van personen en de volgende informatie werd verstrekt. Op 24 juni 2017 heeft een diefstal uit auto plaatsgevonden. Hierbij is onder andere en pinpas weggenomen welke later is gebruikt bij coffeeshop DNA aan de [adres 2]. De verdachte in de beelden van de coffeeshop DNA heeft contactloos gepind met deze gestolen pinpas.

De persoon op de videobeelden herken ik als [verdachte]. Ik ken hem ambtshalve. Ik ken de verdachte goed omdat ik hem tijdens mijn werkzaamheden vaak tegengekomen ben. Ik heb de verdachte meerdere malen aangehouden. Ik herkende de persoon onmiddellijk toen ik de videobeelden zag.

Zaak B

1. Het hof neemt over uit het proces-verbaal van de politierechter dat één geheel uitmaakt met de aantekening van het mondelinge vonnis waarvan beroep, de bewijsmiddelen 2 en 3. Het Hof voegt aan bewijsmiddel 2 de volgende zin toe:

“Wel miste ik een geel etui uit mijn handschoenenkastje. In dat gele etui zat onder andere wat klein geld om te kunnen betalen als ik moet betalen voor het parkeren. Dat was ongeveer 5 a 10 euro aan muntgeld denk ik.”

Het Hof voegt aan bewijsmiddel 3 de volgende zin toe:

“Op een gegeven moment zag ik [medeverdachte 1] aan de linkerzijde via het bestuurdersportier de bedrijfsbus uit komen en dat hij vervolgens naar het portiek liep alwaar [verdachte] nog steeds stond.”

2. Een proces-verbaal met nummer PL1300-2017240289-18 van 14 november 2017, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 10] (doorgenummerde pagina 15).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:

Ik zag in de fouillering van de verdachte [[medeverdachte 1]] een etui, bruin van kleur.

3. Een proces-verbaal met nummer PL1300-2017240289-24 van 15 november 2017, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 11] (doorgenummerde pagina 16).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:

Aldaar heb ik een foto van de inbeslaggenomen etui getoond aan de aangever, [slachtoffer 3], en gevraagd of hij het etui herkende.

Ik hoorde de aangever onmiddellijk tegen mij zeggen dat hij het etui herkende als zijnde het etui wat uit zijn bestelbus komt en van hem is.

4. Het bewijs van ontvangst ingevolge van art. 94 van het Wetboek van Strafvordering, registratienummer: PL1300-2017240289-23, opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 11] (ongenummerd)

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:

Ondergetekende verklaart op woensdag 15 november 2017 uit handen van [medeverdachte 1] te hebben in beslag genomen:

- Geld (munten) – totaal € 6,65 aan muntgeld; en

- Geld (munten) – 3 munten van five pence.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het in de zaak A subsidiair en in de zaak B subsidiair bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het in de zaak A (met parketnummer 13-703066-17) subsidiair bewezen verklaarde levert op:

opzetheling.

Het in de zaak B (met parketnummer 13-229804-17) subsidiair bewezen verklaarde levert op:

medeplichtigheid aan/tot diefstal.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het in de zaak A subsidiair en in de zaak B subsidiair bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg in zaak A primair ten laste gelegde bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden, met aftrek en voor het in zaak B meer subsidiair ten laste gelegde bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 maand, met aftrek.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het in zaak A primair en in zaak B meer subsidiair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden, met aftrek.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich allereerst schuldig gemaakt aan heling van een bankpas, terwijl hij wist dat deze bankpas van misdrijf afkomstig was. Door deze gestolen pinpas voorhanden te hebben en te gebruiken heeft de verdachte slechts gehandeld uit geldlust en zich niet bekommerd om financiële schade en overlast die door zijn handelen wordt veroorzaakt. Daarbij heeft de aan deze heling voorafgaande diefstal inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van de eigenaresse en haar overlast bezorgd. Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan medeplichtigheid aan een andere diefstal uit een bestelbus, die met braak gepaard is gegaan. De verdachte heeft met zijn handelen ook in dat geval een gebrek aan respect voor het eigendomsrecht van anderen aan de dag gelegd.

Ten nadele van de verdachte weegt het hof mee dat hij blijkens een hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 29 november 2018 eerder voor soortgelijke feiten onherroepelijk is veroordeeld.

Het hof heeft kennisgenomen van de verklaringen van de medewerkers van de reclassering en de intenties van de verdachte om zijn leven te beteren. Het stemt het hof positief dat er voldoende perspectief voor de verdachte is om een nieuwe weg in te slaan en hij daartoe stappen wil zetten. Anderzijds merkt het hof op dat deze stappen op dit moment nog niet concreet zijn gezet en aldus niet in de weg staan aan de oplegging van onderstaande straf.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 48, 57, 63, 310 en 416 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het in de zaak A (met parketnummer 13-703066-17) primair en in de zaak B (met parketnummer 13-229804-17) primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak A (met parketnummer 13-703066-17) subsidiair en in de zaak B (met parketnummer 13-229804-17) subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het in de zaak A (met parketnummer 13-703066-17) subsidiair en in de zaak B (met parketnummer 13-229804-17) subsidiair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.M. van Amsterdam, mr. A.D.R.M. Boumans, en mr. R.D. van Heffen, in tegenwoordigheid van mr. N.E.M. Keereweer, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 18 januari 2019.

Mr. R.D. van Heffen is buiten staat dit arrest te ondertekenen.