Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:726

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
05-03-2019
Datum publicatie
12-03-2019
Zaaknummer
200.247.745/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

Ondertoezichtstelling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civielrecht recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Zaaknummer: 200.247.745/ 01

Zaaknummer rechtbank: C15/275012/JURK 18-1042

beschikking van de meervoudige kamer van 5 maart 2019 inzake:

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. H.J.J. Hendrikse te Amsterdam,

en

de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,

gevestigd te Amsterdam,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de GI.

In zijn adviserende taak is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming, locatie Haarlem,

hierna te noemen: de raad.

Als belanghebbende is aangemerkt:

- [X] (hierna te noemen: [kind X] ).

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem (hierna: de kinderrechter) van 10 juli 2018, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

De moeder is op 9 oktober 2018 in hoger beroep gekomen van voornoemde beschikking van 10 juli 2018.

2.2

De GI heeft op 24 december 2018 een verweerschrift ingediend.

2.3

De mondelinge behandeling heeft op 28 januari 2019 plaatsgevonden. Verschenen zijn:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

- de raad, vertegenwoordigd door mw. N. Yonkio ;

- de GI, vertegenwoordigd door de gezinsmanager.

3 De feiten

3.1

Verzoeker is de moeder van [kind X] , geboren [in] 2007.

Verzoeker is voorts de moeder van de minderjarigen:

- [kind A] , geboren [in] 2015;

- [kind B] , geboren [in] 2015;

- [kind C] , geboren [in] 2009;

- [kind D] , geboren [in] 2008 (hierna samen ook: de kinderen).

De moeder oefent van rechtswege alleen het gezag over [kind X] uit. [kind X] woont bij de moeder, samen met [kind A] , [kind B] en [kind D] . [kind C] woont bij grootmoeder (vaderszijde) en verblijft in het weekend bij de moeder.

3.2

Bij beschikking van 20 juli 2012 is [kind X] onder toezicht gesteld van de GI. De ondertoezichtstelling is nadien telkens verlengd. [kind X] is van 12 september 2016 tot 21 februari 2017 uit huis geplaatst geweest.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking is, op het daartoe strekkende verzoek van de GI, de ondertoezichtstelling van [kind X] verlengd tot 20 juli 2019.

4.2

De moeder verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en -naar het hof begrijpt- het inleidend verzoek van de GI af te wijzen.

4.3

De GI verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Ter beoordeling aan het hof ligt voor of ten tijde van de bestreden beschikking de gronden voor de verlenging van de ondertoezichtstelling van [kind X] aanwezig waren en of deze ook thans nog aanwezig zijn.

5.2

Ingevolge het bepaalde in artikel 260, eerste lid, in verband met artikel 255, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter de ondertoezichtstelling van een minderjarige verlengen met ten hoogste een jaar indien een minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:

a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en

b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW, in staat zijn te dragen.

5.3

De moeder stelt dat de kinderrechter de ondertoezichtstelling ten onrechte heeft verlengd en voert daartoe onder meer het volgende aan. Er is geen sprake van een ernstige ontwikkelingsbedreiging voor [kind X] . De Bascule en stichting Odion zijn reeds bij het gezin van de moeder betrokken en noodzakelijke hulpverlening wordt door hen geboden. Het gaat goed met [kind X] . Hij gaat drie dagen per week naar school en staat op een wachtlijst voor een zorgboerderij. Behandeling bij de Bascule is misschien nog nodig, maar pas op termijn. Een eerdere behandeling in 2018 is door de Bascule zelf gestopt, omdat [kind X] niet open stond voor behandeling en ze hem daartoe niet wilden dwingen. De ondertoezichtstelling biedt geen meerwaarde, maar maakt [kind X] juist bang, aldus de moeder.

5.4

De GI voert in het verweerschrift, zoals aangevuld ter zitting in hoger beroep – onder meer – het volgende aan. [kind X] is in 2016 door de Horizon gediagnosticeerd met een Post-Traumatisch Stress Syndroom (PTSS). [kind X] heeft volgens het rapport van de Bascule uit 2017 gedragsstoornissen, die zich uiten in woede uitbarstingen en spanningen. (Trauma)Behandeling daarvoor is noodzakelijk. De behandeling voor zijn PTSS heeft nog niet plaatsgevonden, omdat de moeder wisselend is in het accepteren van hulp. [kind X] gaat slechts drie dagen per week naar school, omdat meer schooldagen teveel van hem vergen. Het plan van de GI is om hem de overige twee dagen bij een dagbehandeling te plaatsen. Er was plek op een zorgboerderij ( de Regenboog ), maar daar wilde [kind X] volgens de moeder niet naar toe. Er zijn grote stappen gezet door de moeder zelf, zoals het afkicken van haar alcoholverslaving, maar zij heeft zeker nog hulp en ondersteuning bij de opvoeding nodig. De moeder heeft een verstandelijke beperking. Zij acht zelf hulpverlening niet noodzakelijk. De moeder is wisselend in het accepteren van hulp en staat het de gezinsmanager niet toe om bij haar thuis alleen met de kinderen te spreken, zodat onvoldoende zicht op het gezin kan worden verkregen. De GI vreest dat de moeder alle hulp stop zal zetten op het moment dat er geen ondertoezichtstelling meer is, ook die van Stichting Odion, die door tussenkomst van de GI is ingezet.

5.5

De raad heeft ter zitting in hoger beroep het hof geadviseerd de bestreden beschikking te bekrachtigen en heeft daarbij -onder meer- als volgt verklaard. [kind X] is een jongen van elf jaar die al veel meegemaakt heeft. In 2012 waren er ernstige zorgen over zijn thuissituatie bij de moeder. Inmiddels heeft de moeder veel stappen in de goede richting gezet, waar zij ook een compliment voor verdient, maar [kind X] heeft gedragsproblematiek en PTSS, die nog steeds behandeld moet worden. Behandeling zal vanwege het trauma eerst leiden tot versterking van de (gedrags)problemen van [kind X] -zoals destijds bij de Bascule - waarbij ondersteuning van de moeder nodig is. Indien zijn PTSS onbehandeld blijft, zijn grote problemen in de toekomst voor hem te verwachten. Het is in het van belang van [kind X] dat de moeder deze behandeling ondersteunt en zonder een ondertoezichtstelling zal de moeder dat niet doen, aldus de raad De moeder kan bij bekrachtiging van de beschikking in de periode tot 20 juli 2019 laten zien dat het nu goed gaat om verlenging van de ondertoezichtstelling na die periode te voorkomen.

5.6

Het hof overweegt als volgt. Uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting in hoger beroep is onder meer het volgende gebleken. [kind X] is een kwetsbare jongen van elf jaar. Hij heeft een zeer belast verleden en heeft in zijn vroege jeugd een trauma opgelopen, hetgeen zich uit in gedragsproblematiek en PTSS. Hij heeft veel wisseling van woonplekken gehad en hij is geruime tijd uit huis geplaatst geweest, laatstelijk bij behandelinstelling de Horizon in Rotterdam . Sinds februari 2017 woont hij weer bij de moeder. Hij volgt, vanwege zijn problematiek, slechts drie dagen per week (speciaal) onderwijs. Voor de overige twee dagen is nog geen dagbesteding voor hem gevonden, hetgeen wel nodig is. De moeder heeft een periode in een woning van de Bascule gewoond waarbij zij intensieve begeleiding kreeg. Sinds acht maanden heeft zij een zelfstandige woning en krijgt het gezin door tussenkomst van de GI één uur per week thuis hulp van Stichting Odion. Het hof acht - met de raad en de GI - behandeling van de PTSS van [kind X] noodzakelijk, omdat bij het uitblijven van een adequate behandeling de reeds bestaande problematiek van [kind X] in de toekomst zal verergeren. Aangezien, zoals de raad ter zitting heeft verklaard, de juiste behandeling nog moet worden gevonden en het negatieve gedrag van [kind X] tijdens de behandeling mogelijk eerst zal toenemen, is het in het belang van [kind X] dat de moeder hierbij intensief begeleid wordt. De moeder heeft, mede door haar verstandelijke beperking en de verzorging van haar andere kinderen, van wie ook [kind D] extra zorg en aandacht nodig heeft, een zware draaglast, en de opvoedingstaak vergt veel van haar. De moeder is echter wisselend gebleken in het accepteren van de geboden hulp en begeleiding voor [kind X] . Zij verschilt niet alleen van mening met de GI over de noodzaak van een voor [kind X] in te zetten behandeling, maar ook over zijn buitenschoolse dagbesteding, zoals de door de GI gesuggereerde zorgboerderij. De moeder is van mening dat [kind X] zelf kan bepalen of hij behandeling nodig acht voor zijn PTSS en is zelf tegen die behandeling omdat deze [kind X] ’s negatieve gedrag zou versterken. Ook ter zitting in hoger beroep gaf de moeder aan vooral bezig te zijn met het afbouwen van hulp, terwijl dit niet de insteek van de GI is. Daarnaast is het zorgelijk dat de GI onvoldoende zicht op [kind X] en de andere kinderen heeft omdat de moeder de gezinsmanager niet alleen wil laten spreken met de kinderen.

5.7

Gelet op de bovengenoemde problematiek van [kind X] , de zorgen over het uitblijven van de juiste behandeling en dagbesteding, de draagkracht van de moeder en haar wisselende medewerking aan de hulpverlening, is het hof van oordeel dat [kind X] ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd en dat hulpverlening in een gedwongen kader noodzakelijk is en vooralsnog blijft. De gronden voor (de verlenging van) de ondertoezichtstelling waren ten tijde van de bestreden beschikking aanwezig en zijn dat thans nog steeds.

Het hof zal de bestreden beschikking dan ook bekrachtigen.

5.8

Dit leidt tot de volgende beslissing.

6 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.N. van de Beek, W.F. Groos en C.E. Buitendijk in tegenwoordigheid van mr. L. van Tol als griffier en is op 5 maart 2019 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.