Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:72

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
15-01-2019
Datum publicatie
21-01-2019
Zaaknummer
200.212.039/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 7:658 BW. Werknemer struikelt bij het betreden van een bak van een schaarhoogwerker over een op de vloer van de bak liggende accuboormachine. Gereedschap op de vloer van de bak met beperkte ruimte levert een struikelrisico op dat niet van alle dag is. Werkgever is aansprakelijk omdat zij geen eenvoudige en betaalbare voorzieningen heeft getroffen die voorkomen dat gereedschap op de vloer van de bak ligt zoals het voorzien van de bak van een gereedschapsbak op een veilige plaats of het geven van een instructie over het gebruik van de haak van de accuboor.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2019-0073
PS-Updates.nl 2019-0095
JHSE 2019/0
RAR 2019/66
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.212.039/01

zaaknummer rechtbank Amsterdam : CV 16-12207

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 15 januari 2019

inzake

1 AMLIN INSURANCE SE, h.o.d.n. MS AMLIN,

gevestigd te Amstelveen,

2. NEPTUNUS B.V.,

gevestigd te Kessel,

appellanten,

advocaat: mr. W.A.M. Rupert te Rotterdam,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. D. Knecht te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Appellanten worden hierna aangeduid als: Amlin en Neptunus, dan wel - appellanten gezamenlijk - als: Amlin c.s., geïntimeerde wordt aangeduid als: [geïntimeerde] .

Amlin c.s. zijn bij dagvaarding van 9 maart 2017 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter), van 12 december 2016, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [geïntimeerde] als eiser en Amlin c.s. als gedaagden.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met producties;

- memorie van antwoord, met producties.

Partijen hebben de zaak ter zitting van 16 februari 2018 doen bepleiten, Amlin c.s. door mr. P.C. Knijp, advocaat te Rotterdam, en [geïntimeerde] door mr. Knecht voornoemd, ieder aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd.

Ten slotte is arrest gevraagd.

Amlin c.s. heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en - uitvoerbaar bij voorraad - alsnog de vordering van [geïntimeerde] zal afwijzen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van de procedure in beide instanties met rente.

[geïntimeerde] heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met hoofdelijke veroordeling van Amlin c.s. in de kosten van de procedure in hoger beroep met nakosten.

Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.

2 Feiten

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis onder 1.1 tot en met 1.10 de feiten vastgesteld die hij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt. Amlin c.s. hebben weliswaar bij grief 1 geklaagd over de juistheid van de door de kantonrechter in r.o. 1.5. van het bestreden vonnis vastgestelde feiten maar zijn daar bij het pleidooi van teruggekomen.

2.1

Neptunus is een internationaal tentenbouwbedrijf.

2.2

[geïntimeerde] , geboren [geboortedatum] 1986, is in dienst bij Neptunus als 1e monteur.

2.3

Neptunus is verzekerd tegen aansprakelijkheid bij Amlin.

2.4

Op 10 februari 2015 was [geïntimeerde] voor Neptunus werkzaam op de Maasvlakte in Rotterdam. Neptunus werkte daar in opdracht van Allseas mee aan de opbouw van een tent op het dek van een (groot) zeeschip. Op het schip waren tijdens de werkzaamheden van Neptunus minimaal twee of drie voormannen van Neptunus en twee veiligheidsdeskundigen van Allseas aanwezig.

2.5

[geïntimeerde] was die dag vanuit een schaarhoogwerker type Genie GS3206 (hierna: de hoogwerker) van Neptunus bezig met het aanbrengen van traptreden in een trap. Hij gebruikte daarbij diverse gereedschappen, waaronder inbussleutels en een accuboor. Deze gereedschappen legde hij na gebruik los in de bak van de hoogwerker. Deze bak bevatte geen aparte opbergruimte voor gereedschappen.

2.6

Op enig moment is [geïntimeerde] gaan staan op de accuboor die zich op de grond van de bak bevond.

2.7

[geïntimeerde] heeft als gevolg daarvan zijn knie verdraaid. Inmiddels heeft hij een kijkoperatie en een reguliere operatie ondergaan.

2.8

Op 10 februari 2015 heeft [geïntimeerde] het ongeval gemeld bij [X] (V&G-coördinator van Neptunus, hierna: [X] ). [X] heeft het voorval als volgt beschreven:

“Werkzaamheden: montage van houten traptreden in een vaste verdiepingsvloer-trap naar Mezzanine. Vanuit de hoogwerker worden de traptreden aan de buitenzijde vastgeschroefd.

[geïntimeerde] wilde in het bakje van de schaarhoogwerker stappen.

Op de vloer van de schaarhoogwerker lag de accuboormachine.

Tijdens het instappen in het bakje van schaarhoogwerker stapte [geïntimeerde] op een accu boormachine. [geïntimeerde] gleed weg en daarbij verdraaide hij zijn Linker-knie. Hij voelde 2x een knak tijdens het verdraaien van de knie. Niemand heeft het verdraaien van de knie zien gebeuren. (…) [geïntimeerde] wordt door […] naar ziekenhuis in Rotterdam gebracht waar een Rontgenfoto wordt gemaakt van de l-knie.

Oorzaak van het incident: Uitglijden/struikelen over accuboormachine.

Hoe had het incident voorkomen kunnen worden?”

Bij de situatietekening staat (onder meer) handmatig geschreven:

“Als de boormachine niet op die plaats had gelegen. [geïntimeerde] heeft boormachine zelf in hoogwerker laten liggen (ging doosje schroeven halen). (…) [geïntimeerde] was tijdens het instappen naar boven aankijken (wat te gaan doen). Als hij de boormachine had zien liggen was hij er niet op gaan staan”.

2.9

Bij brief van zijn gemachtigde van 13 november 2015 heeft [geïntimeerde] Neptunus aansprakelijk gesteld voor de door hem geleden schade als gevolg van het ongeval van 10 februari 2015.

3 Beoordeling

3.1

In deze procedure heeft [geïntimeerde] gevorderd: een verklaring voor recht dat Neptunus in haar hoedanigheid van werkgever van [geïntimeerde] aansprakelijk is voor het bedrijfsongeval van 10 februari 2015 op grond van artikel 7:658 BW; veroordeling van Amlin en / of Neptunus tot vergoeding van de nader bij staat op te maken en volgens de wet te vereffenen schade, met wettelijke rente en hoofdelijke veroordeling van Amlin c.s. in de kosten van de procedure met nakosten en vermeerderd met de wettelijke rente.

3.2

Aan deze vorderingen heeft [geïntimeerde] ten grondslag gelegd, samengevat, dat hij als gevolg van het ongeval op 10 februari 2015 letsel heeft opgelopen tijdens de uitoefening van zijn werkzaamheden. Met een beroep op het bepaalde in artikel 7:658 BW houdt hij Neptunus als zijn werkgever en Amlin als haar verzekeraar daarvoor aansprakelijk wegens schending van de zorgplicht van Neptunus. Het ongeval had volgens [geïntimeerde] voorkomen kunnen worden door het treffen van eenvoudige en weinig kostbare veiligheidsmaatregelen, zoals het aanbrengen van een gereedschapsbakje in de bak van de hoogwerker of het ter beschikking stellen van een gereedschapsriem.

3.3

De kantonrechter heeft de vordering van [geïntimeerde] toegewezen. Wat hij daartoe heeft overwogen, kan als volgt worden weergegeven. Vast staat dat [geïntimeerde] in de bak van de hoogwerker werkte met verschillende gereedschappen, waaronder de accuboor, die hij nergens anders kwijt kon dan op de vloer als hij deze niet gebruikte. Dat levert een struikelrisico op en in zoverre was de werkplek onvoldoende veilig. De risico’s op een dergelijk ongeval hadden beperkt kunnen worden door het bieden van de mogelijkheid om de gereedschappen bij elkaar in een bak op de grond te doen of in een bak die is bevestigd aan de bak van de hoogwerker. Onvoldoende is duidelijk gemaakt door Amlin c.s. waarom een gereedschapsriem, of een haak om de accuboor aan de broeksriem te hangen, geen oplossing zou zijn voor het probleem van rondslingerend gereedschap. Door na te laten om te bepalen wat de veiligste werkwijze is en haar werknemers uit en te na te waarschuwen voor gevaren, en telkens actief te onderzoeken of er geen andere methodes zijn om de risico’s die haar branche optreden te verminderen, heeft Neptunus onvoldoende aan haar zorgplicht ten aanzien van [geïntimeerde] om een veilige werkplek te waarborgen voldaan.

3.4

Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen komen Amlin c.s. op in hoger beroep. Met hun grieven 2 tot en met 8 betogen Amlin c.s., kort samengevat, dat de kantonrechter ten onrechte heeft geconcludeerd dat Neptunus niet aan de op haar als werkgever rustende zorgplicht heeft voldaan. Amlin c.s. voeren aan dat Neptunus veel aandacht heeft voor veiligheid. Neptunus is VGA-gecertificeerd, de Risico Inventarisatie en Evaluatie (hierna: RI&E) wordt jaarlijks bijgehouden en de daarin omschreven veiligheidsmaatregelen worden getoetst door een externe, hogere veiligheidskundige. Neptunus waarschuwt haar werknemers regelmatig voor struikelgevaar en geeft instructies om de werkplek opgeruimd te houden. Neptunus hield in de tijd dat het ongeval plaatsvonditgebreid toezicht op de door haar werknemers in acht te nemen veiligheidsmaatregelen. Het betreft hier bovendien een gevaar van alledag. Van een ervaren medewerker mag verwacht worden dat hij een accuboormachine op de vloer van de bak van de hoogwerker opmerkt. Maatregelen als het voorschrijven van een gereedschapsriem, of het gebruik van een gereedschapsbak zijn niet mogelijk of hadden niet een beter alternatief geboden dan de instructie om het gereedschap op de vloer in de hoek of langs de rand te plaatsen, aldus Amlin c.s. [geïntimeerde] heeft de grieven gemotiveerd bestreden. Naar aanleiding van de grieven overweegt het hof als volgt.

3.5

Als uitgangspunt heeft te gelden dat de in artikel 7:658 lid 1 BW bedoelde zorgplicht de werkgever niet alleen verplicht om aanwijzingen te verstrekken om zoveel mogelijk te voorkomen dat de werknemer schade lijdt, maar ook om daartoe de geëigende veiligheidsmaatregelen te treffen. Bij de beantwoording van de vraag of de werkgever aan zijn zorgplicht heeft voldaan, moet in aanmerking worden genomen dat met de zorgplicht van de werkgever weliswaar niet wordt beoogd een absolute waarborg te scheppen voor de bescherming van de werknemer tegen het gevaar van arbeidsongevallen, maar dat gelet op de ruime strekking van de zorgplicht niet snel mag worden aangenomen dat de werkgever daaraan heeft voldaan en bijgevolg niet aansprakelijk is voor door de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden geleden schade. Artikel 7:658 BW vergt immers een hoog veiligheidsniveau van de betrokken werkruimte, werktuigen, gereedschappen en kleding alsmede van de organisatie van de werkzaamheden, en vereist dat de werkgever het op de omstandigheden van het geval toegesneden toezicht houdt op behoorlijke naleving van de door hem gegeven instructies (vgl. HR 11 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR5223, NJ 2011/598, Hagens/Rooyse Wissel).

3.6

Indien de plaats waar de werkzaamheden worden verricht eraan in de weg staat dat de werkgever direct toezicht houdt op de naleving van de door hem gegeven instructies, dient deze zo nodig aanvullende veiligheidsmaatregelen te treffen. Het antwoord op de vraag welke maatregelen de werkgever dient te treffen, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de werkzaamheden, de kans dat zich een ongeval zal voordoen, de ernst die de gevolgen van een ongeval kunnen hebben en de mate van de bezwaarlijkheid van de te nemen maatregelen.

3.7

In het onderhavige geval staat vast dat [geïntimeerde] afwisselend met verschillende gereedschappen, in dit geval een accuboormachine en een koevoet, diende te werken in de beperkte ruimte van de bak van de hoogwerker om op hoogte verschillende montagehandelingen te verrichten. Door de inrichting van de bak van de hoogwerker was het, bij afwezigheid van een gereedschapsriem en een instructie over de mogelijkheid van het gebruik van de haak van de accuboor, onvermijdelijk, althans voor Neptunus te voorzien dat [geïntimeerde] tijdens zijn werkzaamheden telkens zijn gereedschappen op de vloer van de bak van de hoogwerker neerlegde. Dat vormde een struikelrisico.

Dit gevaar was onderkend door Neptunus en ook opgenomen in de RI&E. Van een gevaar van alledag kan daarom niet worden gesproken, als daarmee bedoeld wordt dat de omstandigheden waaronder de werkzaamheden verricht moesten worden geen verhoging van het ‘normale’ risico ‘van alledag’ opleverden. Het gevaar om te struikelen in een bak op (grote) hoogte stelt, gelet op de ernst die de gevolgen van een dergelijke struikelpartij voor de betrokken werknemer kunnen hebben, hoge eisen aan het te hanteren veiligheidsregime. Van Neptunus had daarom redelijkerwijs verwacht mogen worden dat zij specifieke maatregelen had genomen om het struikelrisico te beperken. Neptunus had, niettegenstaande haar VCA certificering en de externe toetsing van de RI&E, niet mogen volstaan met het geven van waarschuwingen en instructies aan haar werknemers om looppad en werkplek vrij van obstakels en opgeruimd te houden. Het was voor Neptunus mogelijk eenvoudige en betaalbare voorzieningen te treffen om de werknemer in staat te stellen het gereedschap in de hoogwerker zo opgeruimd te houden dat het geen, althans een relevant lager, struikelrisico opleverde. Daargelaten of een gereedschapsriem in deze situatie bruikbaar zou zijn geweest, zoals namens [geïntimeerde] is bepleit maar door Amlin c.s. is betwist, had Neptunus redelijkerwijs haar werknemers in ieder geval de specifieke instructie dienen te geven om de accuboor met de haak aan het valharnas op te hangen en / of had Neptunus de hoogwerker redelijkerwijs dienen te voorzien van een op een veilige plaats bevestigde gereedschapsbak. De veiligheidsmaatregelen van andere aard die Allseas voor de werkzaamheden op het schip getroffen had, doen hier niet aan af. De vraag of Neptunus aan de op haar als werkgever rustende zorgplicht heeft voldaan, moet gezien het vorenstaande ontkennend worden beantwoord. Omdat de feiten waarvan Neptunus bewijslevering heeft aangeboden niet tot een ander oordeel kunnen leiden, zal het hof Neptunus niet tot bewijslevering toelaten.

3.8

De slotsom is dat de grieven falen. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd. Amlin c.s. zal als in het ongelijk gestelde partij hoofdelijk worden verwezen in de kosten van de procedure in hoger beroep.

4 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt Amlin c.s. hoofdelijk in de kosten van de procedure in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 313,- aan verschotten en € 2.682,- voor salaris en op € 131,- voor nasalaris, te vermeerderen met € 68,- voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit arrest plaatsvindt;

verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. H.T. van der Meer, H.M.M. Steenberghe en

F.J. Verbeek en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 15 januari 2019.