Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:711

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
26-02-2019
Datum publicatie
11-03-2019
Zaaknummer
200.241.610/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

Beoordeling gronden tot ondertoezichtstelling artikel 1:255 lid 1 BW.

Aanhoudende strijd tussen ouders levert reële ontwikkelingsbedreiging voor minderjarige op en vrijwillig kader hulpverlening volstaat op dit moment niet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie -en jeugdrecht)

zaaknummer: 200.241.610/01

zaaknummer rechtbank: C/15/272403 / JU RK 18-620

beschikking van de meervoudige kamer van 26 februari 2019 inzake

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. K. Spaargaren te Hilversum,

en

Raad voor de Kinderbescherming Noord-Holland,

locatie Haarlem,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de raad.

Als belanghebbenden zijn aangemerkt:

- [de vader] (verder te noemen: de vader);

- Jeugdbescherming Regio Amsterdam (verder te noemen: de gezinsinstelling, GI).

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Holland (Haarlem) (verder te noemen: de rechtbank) van 11 april 2018, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

De moeder is op 27 juni 2018 in hoger beroep gekomen van voornoemde beschikking van 11 april 2018.

2.2

Mr. K. van Bijsterveld, advocaat te Hilversum, heeft op 24 augustus 2018 namens de vader een verweerschrift ingediend.

2.3

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

- een brief van de zijde van de raad van 13 augustus 2018, ingekomen op 15 augustus 2018, waarin de raad aangeeft op zitting verweer te zullen voeren.

2.4

De mondelinge behandeling heeft op 3 december 2018 plaatsgevonden.

Daarbij waren aanwezig:

- de moeder met haar advocaat;

- de raad, vertegenwoordigd door mevrouw D.M. van Dijk;

- de vader met zijn advocaat.

2.5

Namens de GI is, hoewel behoorlijk opgeroepen, geen vertegenwoordiger verschenen.

3 De feiten

3.1

De vader en de moeder hebben een relatie gehad. Zij hebben samen een kind:

[de minderjarige] (verder te noemen: [de minderjarige] ), geboren [in] 2017 te [geboorteplaats] (België). [de minderjarige] woont bij de moeder. De moeder oefent het gezag uit over [de minderjarige] . De vader heeft [de minderjarige] erkend.

3.2

De vader is op 11 mei 2017 bij de rechtbank een procedure gestart. Hij heeft daarbij verzocht om het gezamenlijk gezag over [de minderjarige] en om vaststelling van een omgangsregeling met [de minderjarige] .

3.3

In een tussenbeschikking van 22 november 2017 heeft de rechtbank – voor zover thans van belang – de raad verzocht onderzoek te verrichten en advies uit te brengen met betrekking tot het gezag en de omgang.

3.4

De raad heeft het onderzoek uitgebreid naar een beschermingsonderzoek. In het raadsrapport van 3 april 2018 is - voor zover thans van belang - verzocht [de minderjarige] voor de duur van een jaar onder toezicht te stellen van de GI.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking is [de minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 11 april 2018 tot 11 april 2019.

4.2

De moeder verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, het inleidend verzoek van de raad tot ondertoezichtstelling van [de minderjarige] alsnog af te wijzen.

4.3

De raad heeft ter zitting verzocht de bestreden beschikking te bekrachtigen.

4.4

De vader verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen en de moeder te veroordelen in de kosten van de procedure in hoger beroep van de vader, waaronder de advocaatkosten.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling indien die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:

a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en

b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW, in staat zijn te dragen.

5.2

De moeder voert - samengevat - aan dat geen sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging bij [de minderjarige] , zodat niet is voldaan aan het wettelijk criterium tot ondertoezichtstelling. De ondertoezichtstelling heeft tot oneigenlijk doel om het verzet van de moeder tegen een omgangsregeling te breken. Een ondertoezichtstelling zal de zienswijze van de moeder niet veranderen. Dat de situatie escaleert komt omdat de moeder wordt overvraagd met de proefomgangsregeling van twee bezoekmomenten per week. Deze huidige, te hoge frequentie in de omgang zorgt voor meer spanning en escalatie tussen de ouders. Daarbij komt dat ook minder vergaande maatregelen dan een ondertoezichtstelling kunnen worden ingezet, zoals in dit geval het omgangshuis. Dat verloopt redelijk, en voor een ondertoezichtstelling is dan geen plaats.

5.3

De raad voert - zakelijk weergegeven – aan dat sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging bij [de minderjarige] en dat ouders op dit moment onvoldoende bereid en in staat zijn die bedreiging in een vrijwillig kader weg te nemen en hulpverlening te accepteren. Hoewel tot op heden daaraan weinig invulling is gegeven, dient de ondertoezichtstelling te worden voortgezet. Er is weinig vertrouwen in de voortgang in een vrijwillig kader. Er is een grote rol weggelegd voor jeugdzorg. Bekeken moet worden wat de mogelijkheden voor hulpverlening zijn, wat de ouders (aan)kunnen en willen.

5.4

De vader stelt – kort samengevat - dat de moeder gerechtelijke uitspraken niet nakomt, zich niet houdt aan afspraken en niet bereid is hulpverlening te aanvaarden. Gelet op de jeugdige leeftijd van [de minderjarige] is het in deze fase echter cruciaal voor het hechtingsproces dat hij regelmatig contact heeft met de vader. De raad heeft geconstateerd dat er geen belemmeringen zijn voor omgang. Er is voldaan aan de gronden voor ondertoezichtstelling van [de minderjarige] .

5.5

Het hof overweegt als volgt. Uit het verhandelde ter zitting en de stukken van het dossier, waaronder een rapport van de raad van 3 april 2018, is gebleken dat tussen de ouders sprake is van een slechte verstandhouding en moeizame communicatie. De relatie tussen partijen was reeds beëindigd voordat [de minderjarige] , thans twee jaar oud, werd geboren. Na de geboorte van [de minderjarige] heeft de vader enkele maanden omgang met hem gehad in de woning van de moeder, veelal in aanwezigheid van oma (moederszijde), waarna de moeder de omgang heeft stopgezet. Partijen hebben vergeefs getracht middels mediation hun conflicten te beslechten. De vader is een bodemprocedure gestart met als inzet gezamenlijk gezag en omgang met [de minderjarige] . De raad heeft op verzoek van de rechtbank advies uitgebracht, welk advies inhoudt de beslissing op de verzoeken tot gezamenlijk gezag en een omgangsregeling aan te houden voor de duur van een jaar, in afwachting van de resultaten van hulpverlening. Voorts heeft de raad – op de gronden als vermeld in het raadsrapport - een verzoek ingediend om [de minderjarige] onder toezicht te stellen. Dat verzoek is in de bestreden beschikking toegewezen.

5.6

In de onder 3.3 vermelde tussenbeschikking heeft de rechtbank een tijdelijke regeling vastgesteld, inhoudende dat de vader en [de minderjarige] omgang met elkaar hebben iedere donderdag en zondag van 13:30 uur tot 15:00 uur in de woning van de moeder. In het kader van de ondertoezichtstelling is omgang opgestart bij het omgangshuis teneinde partijen te ondersteunen en te begeleiden en de opvoedvaardigheden van de vader in kaart te brengen. De begeleide omgang zou begin 2019 worden geëvalueerd.

5.7

Uit het raadsonderzoek komt naar voren dat [de minderjarige] op zichzelf een gezond en vrolijk jongetje is dat zich lichamelijk en op cognitief gebied goed ontwikkelt. Beide ouders houden veel van [de minderjarige] en zij willen beiden graag dat hij goed en veilig opgroeit. Anderzijds biedt het rapport voldoende aanknopingspunten voor de conclusie dat er een reële dreiging is voor de ontwikkeling van [de minderjarige] . [de minderjarige] wordt geconfronteerd met een aanhoudende strijd tussen zijn ouders over de aard en de frequentie van het contact dat hij met zijn vader kan hebben en de wijze waarop ouders daaraan invulling geven. De verstandhouding tussen de ouders is dusdanig verstoord dat [de minderjarige] geen onbelast contact met zijn vader kan hebben. De beperkte omgang die er in het verleden was vond plaats in een (zeer) spanningsvolle situatie, die ook zijn (fysieke) weerslag op [de minderjarige] had. Ook de contactmomenten die thans hebben plaatsgevonden bij het Omgangshuis hebben spanningen opgeleverd bij de ouders en, naar de moeder aanvoert, bij [de minderjarige] . Voorts is zowel uit het raadsrapport als ter zitting in hoger beroep gebleken dat de moeder jegens de vader gevoelens van spanning en onveiligheid ervaart. De vader is niet in staat deze gevoelens weg te nemen en doet er alles aan contact met [de minderjarige] tot stand te brengen, hetgeen bij de moeder nog meer spanning teweegbrengt. Hierdoor, mede gelet op de jonge leeftijd van [de minderjarige] en op het feit dat hij nog geen hechte band heeft kunnen opbouwen met zijn vader, dreigt hechtingsproblematiek. Bovendien hebben de spanningen tussen de ouders, zoals uit het voorgaande blijkt, hun weerslag op [de minderjarige] . Dat, zoals de moeder stelt, de huidige gespannen situatie te maken heeft met de omstandigheid dat de rechtbank bij beschikking van 22 november 2017 twee bezoekmomenten per week heeft bepaald, acht het hof niet waarschijnlijk, aangezien, blijkens voormelde beschikking, ook daarvoor zich al ernstige spanningen tussen de ouders voordeden. Naar het oordeel van het hof is gelet op het voorgaande voldaan aan de gronden voor een ondertoezichtstelling.

5.8

Het hof is voorts van oordeel dat het gedwongen kader van de ondertoezichtstelling noodzakelijk is om de ontwikkelingsbedreiging bij [de minderjarige] af te wenden; een vrijwillig kader volstaat op dit moment niet. Ten tijde van de mondelinge behandeling in hoger beroep was de omgang bij het Omgangshuis weliswaar voorzichtig op gang gekomen, maar dat is niet zonder slag of stoot gebeurd. Het moge zo zijn dat vertraging in de start van het traject (mede) zijn oorzaak vindt in agenda-afstemming met de moeder maar dat neemt niet weg dat de moeder afwijzend tegenover de vader staat, (vooralsnog) geen vertrouwen in zijn opvoedvaardigheden heeft en dat er reële twijfels zijn over de vraag of zij voldoende open en welwillend staat tegenover hulpverlening. De door de moeder uitgesproken bereidheid daartoe is niet voldoende. Er moet sprake zijn van het (in voldoende mate) daadwerkelijk accepteren en benutten van die zorg. De hulpverlening via het Omgangshuis is nog maar betrekkelijk recent en het is nog te vroeg om te concluderen dat de moeder de ingezette – noodzakelijke hulpverlening - voldoende bestendig zal accepteren. Het beeld dat ter zitting naar voren is gekomen biedt daarvoor thans nog onvoldoende aanleiding.

Dat de daadwerkelijke uitvoering van de ondertoezichtstelling pas enkele maanden na de bestreden beschikking ter hand is genomen, leidt niet tot een ander oordeel. De gezinsvoogd heeft een belangrijke taak bij het begeleiden van de verdere hulpverlening en ontwikkelingen, die ertoe moeten leiden dat de reële ontwikkelingsbedreiging van [de minderjarige] wordt weggenomen.

Gelet op het voorgaande zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen.

5.9

Gelet op de aard van de procedure ziet het hof onvoldoende aanleiding de moeder te veroordelen in de kosten van de procedure in hoger beroep zoals door de vader verzocht. Dit verzoek zal het hof dan ook afwijzen.

6 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Noord-Holland (Haarlem) van 11 april 2018;

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Noord-Holland (Haarlem), afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht ter attentie van het openbaar register;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. J. Jonkers, mr. A.N. van de Beek en mr. J.W. van Zaane, in tegenwoordigheid van mr. C.M. van Harten als griffier en is op 26 februari 2019 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.