Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:691

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
10-01-2019
Datum publicatie
11-03-2019
Zaaknummer
23-004450-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor mishandeling, meermalen gepleegd; geen voortgezette handeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-004450-17

datum uitspraak: 10 januari 2019

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 12 december 2017 in de strafzaak onder parketnummer 15‑800466‑16 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Brazilië) op [geboortedatum] 1993,

adres: [adres].

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

De verdachte is door rechtbank Noord-Holland vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 3 is ten laste gelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

14 december 2018, 10 januari 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijziging en voor zover in hoger beroep nog aan de orde, is aan de verdachte ten laste gelegd dat:

1. primair:
hij op of omstreeks 01 november 2016 in de gemeente Heerhugowaard ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen een glas met kracht in het gezicht van die [slachtoffer] heeft geslagen, althans dat glas in het gezicht van die [slachtoffer] heeft geduwd, althans in het gezicht heeft gegooid, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

1. subsidiair:
hij op of omstreeks 01 november 2016 in de gemeente Heerhugowaard [slachtoffer] heeft mishandeld door een glas met kracht in het gezicht van die [slachtoffer] te slaan, althans dat glas in het gezicht van die [slachtoffer] te duwen, althans in het gezicht te gooien;

2:
hij op of omstreeks 01 november 2016 in de gemeente Heerhugowaard [slachtoffer] heeft mishandeld door met kracht op het oor van die [slachtoffer] te slaan en/of te stompen;

3:
(…).

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Vrijspraak van poging zware mishandeling

De door getuigen afgelegde verklaringen lopen uiteen over de vraag of de verdachte het glas in de richting van de aangeefster heeft gegooid dan wel dat hij het glas in haar gezicht heeft geslagen. Tevens is onvoldoende duidelijk wat voor glas het was waarmee de verdachte de aangeefster heeft mishandeld, met name hoe dik en breekbaar het was. Als gevolg van deze onduidelijkheden kan niet worden vastgesteld dat de verdachte de bedoeling had of bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel zou oplopen.

Naar het oordeel van het hof is aldus niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1 primair is ten laste gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.

Bespreking van het verweer

De raadsman heeft aangevoerd dat de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten moeten worden beschouwd als een voortgezette handeling, waardoor de strafwaardigheid minder zou zijn. Dat verweer gaat niet op. De twee afzonderlijk tenlastegelegde feiten komen voort uit twee van elkaar los staande wilsbesluiten. Uit de verklaringen blijkt immers dat de verdachte na de stomp tegen het oor van de aangeefster uit de kamer was gezet en meermalen door een van de aanwezigen werd tegengehouden, alvorens hij opnieuw een geweldshandeling (slaan of gooien met het glas) pleegde.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1 subsidiair:
hij op 01 november 2016 in de gemeente Heerhugowaard [slachtoffer] heeft mishandeld door een glas met kracht in het gezicht van die [slachtoffer] te slaan, althans dat glas in het gezicht van die [slachtoffer] te gooien;

2:
hij op 01 november 2016 in de gemeente Heerhugowaard [slachtoffer] heeft mishandeld door met kracht op het oor van die [slachtoffer] te stompen;

Hetgeen onder 1 subsidiair en 2 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezen verklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 subsidiair en 2 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 subsidiair en 2 bewezen verklaarde levert op:

Mishandeling, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1 subsidiair en 2 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straffen

De rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 primair en 2 bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf van 9 weken.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 150 uur, subsidiair 75 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest, alsmede tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden met een proeftijd van 3 jaren.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling van zijn toenmalige vriendin. Het slachtoffer heeft daarbij pijn en letsel opgelopen. De verdachte heeft door aldus te handelen een ernstige inbreuk gemaakt op haar lichamelijke integriteit. Zij heeft het handelen van de verdachte kunnen ervaren als een bedreigende en intimiderende situatie.

Ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat het inmiddels beter gaat met de verdachte en dat hij zijn leven op orde lijkt te hebben. Hij zegt met middelengebruik te zijn gestopt en fulltime te werken in de funderingstechniek. De verdachte heeft thans een eigen woning. Bovendien heeft de verdachte sinds dit feit geen aantoonbare aanvaringen met justitie meer gehad.

Teneinde de verdachte een extra impuls te geven de door hem ingeslagen weg te vervolgen en die niet te doorkruisen, zal het hof geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen, maar een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 weken. Daarnaast acht het hof een taakstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen vervangende hechtenis passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57, 63 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 3 ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte onder 1 subsidiair en 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 subsidiair en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) weken.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 80 (tachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 40 (veertig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.D.R.M. Boumans, mr. P.C. Römer en mr. A. Dantuma-Hieronymus, in tegenwoordigheid van mr. S.W.H. Bootsma, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 10 januari 2019.