Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:670

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
19-02-2019
Datum publicatie
05-03-2019
Zaaknummer
200.235.904/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

Benoeming bijzondere curator.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Zaaknummer: 200.235.904/01

Zaaknummer rechtbank: C/13/633399 FA RK 17/5174 (LB/JP)

Beschikking van de meervoudige kamer van 19 februari 2019 inzake

[de vader] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. J.J.M. Kleiweg te Amsterdam,

en

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. J. van Koesveld te Amsterdam.

Als belanghebbende is overigens aangemerkt:

- de minderjarige [kind D] (hierna te noemen: [kind D] ).

In zijn adviserende taak is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

locatie: Amsterdam,

hierna te noemen: de raad.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) van 20 december 2017, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

De vader is op 19 maart 2018 in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking van 20 december 2017.

2.2

De moeder heeft op 24 april 2018 een verweerschrift ingediend.

2.3

De mondelinge behandeling heeft op 19 december 2018 plaatsgevonden. Verschenen zijn:

- de vader, bijgestaan zijn advocaat;

- de moeder, bijgestaan haar advocaat;

- de raad, vertegenwoordigd door mevrouw D.M. van Dijk.

3 De feiten

3.1

Uit de in 2003 verbroken relatie van de vader en de moeder (hierna tezamen ook: de ouders) is [kind D] geboren [in] 2006 te [geboorteplaats] . De vader en de moeder zijn daarnaast de ouders van:

- [kind A] (hierna te noemen: [kind A] ), geboren [in] 1998 te [geboorteplaats] ,

- [kind B] (hierna te noemen: [kind B] ), geboren [in] 1999 te [geboorteplaats] , en

- [kind C] (hierna te noemen: [kind C] ), geboren [in] 2001 te [geboorteplaats] .

[kind A] , [kind B] , [kind C] en [kind D] worden hierna tezamen ook ‘de kinderen’ genoemd.

3.2

[kind D] woont bij de vader en zijn partner [X] (hierna te noemen: [X] ).

3.3

De kinderen hebben van 7 januari 2008 tot 7 januari 2013 onder toezicht gestaan van Jeugdbescherming Regio Amsterdam (hierna: JBRA).

3.4

Bij beschikking van de rechtbank van 8 september 2010 is bepaald dat de ouders gezamenlijk met het gezag over de kinderen zijn belast en dat de kinderen hun hoofdverblijf hebben bij de vader. De verdeling van de zorg- en opvoedingstaken is aldus verdeeld dat de moeder de kinderen op woensdag van 13.00 uur tot 17.00 uur bij zich heeft volgens het bezoekschema zoals neergelegd in de brief van JBRA van 24 juni 2010. Daarnaast heeft de moeder de kinderen eenmaal per maand op zaterdag van 10.00 uur tot 18.00 uur bij zich met inachtneming van hetgeen daaromtrent in de brief van JBRA van 2 juli 2010 is bepaald.

3.5

Bij (tussen)beschikking van de rechtbank van 11 oktober 2017 is de raad verzocht rapport en advies uit te brengen omtrent de door de moeder verzochte zorgregeling met [kind D] , in die zin of er bij [kind D] ruimte is om contact te hebben met haar moeder en zo ja, in welke vorm en omvang.

3.6

Bij de stukken bevindt zich een rapport van de raad van 21 november 2017 (hierna: het raadsrapport).

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking is – op het daartoe strekkende verzoek van de moeder –, met wijziging van de beschikking van 8 september 2010, bepaald dat de moeder en [kind D] als volgt contact met elkaar zullen hebben:

- op woensdagmiddag een belcontact;

- vanaf 1 januari 2018:

een bezoek van [kind D] aan haar moeder één dag in het weekend samen met (een van) haar zussen;

en zodra [kind D] er aan toe is één keer in de twee weken van zaterdag op zondag overnachten bij haar moeder. Ouders en waar nodig [X] , dienen dit in onderling overleg met elkaar af te stemmen;

- de vakanties en feestdagen dienen in gezamenlijk overleg te worden verdeeld.

4.2

De vader verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, het inleidende verzoek van de moeder alsnog af te wijzen, althans een zodanige beslissing te nemen als het hof juist acht.

4.3

De moeder verzoekt de verzoeken van de vader in hoger beroep af te wijzen.

5 De motivering van de beslissing

5.1

De ouders hebben samen het gezag. Op grond van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter op verzoek van de ouders of een van hen een regeling vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken omvatten.

5.2

De vader betoogt dat de rechtbank ten onrechte een zorgregeling tussen [kind D] en de moeder heeft vastgesteld en voert daartoe onder meer het volgende aan. [kind D] heeft al sinds haar zesde geen contact met de moeder gehad en heeft daar geen behoefte aan. Zij is door [X] opgevoed en ziet haar als haar moeder. De vader realiseert zich wel dat [kind D] het recht heeft om te weten van wie zij afstamt en hij heeft haar meermaals uitgelegd dat als zij contact met de moeder wil, hij hiermee kan instemmen. [kind D] is hier echter nog niet aan toe en de zorgregeling zoals door de rechtbank is vastgesteld, is dan ook niet in haar belang. Het is juist in het belang van [kind D] dat haar de tijd wordt gegund om zelf tot contactherstel te komen als zij daar aan toe is. Een verplicht contactherstel werkt contraproductief en zorgt voor veel onrust, aldus de vader.

5.3

De moeder betoogt dat de rechtbank terecht een zorgregeling tussen haar en [kind D] heeft vastgelegd en voert daartoe onder meer het volgende aan. De moeder erkent dat zij in het verleden fouten heeft gemaakt maar zij wil [kind D] graag laten zien dat dit beeld van haar niet beantwoordt aan de huidige situatie. De vader belemmert [kind D] echter vanwege zijn eigen kwaadheid het contact met de moeder te herstellen, waardoor [kind D] in een loyaliteitsconflict is beland. Zij krijgt niet de ruimte om zelfstandig een oordeel over de moeder te vormen, hetgeen niet in haar belang is. Dit geldt te meer nu [kind B] en [kind C] wel (goed) contact hebben met de moeder. De moeder begrijpt dat [X] erg belangrijk is in het leven van [kind D] en zij is haar ook dankbaar voor het feit dat zij de moederrol voor [kind D] voor haar rekening heeft genomen. De moeder begrijpt ook dat de contactopbouw tussen haar en [kind D] misschien langzamer gaat dan door de rechtbank is vastgesteld. Het is echter wel in het belang van [kind D] om haar moeder te kennen en te weten van wie zij afstamt, zodat het verzoek van de vader afgewezen dient te worden, aldus de moeder.

5.4

De raad heeft zich ter zitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat – zoals ook in het raadsrapport is geconcludeerd – contactherstel tussen de moeder en [kind D] belangrijk is. Een voorwaarde voor het contactherstel is echter wel dat de vader emotionele toestemming daartoe geeft. Dit lijkt voor de vader niet mogelijk. Aangezien [kind D] duidelijk in de knel zit, lijkt steun van buitenaf een goed idee, ofwel in de vorm van een bijzondere curator ofwel vanuit de Jeugdbescherming, aldus de raad.

5.5

Het hof overweegt als volgt.

Uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting in hoger beroep is gebleken dat tussen de ouders al geruime tijd een zeer moeizame verhouding bestaat en dat er vrijwel geen contact meer tussen hen is. Beide ouders hebben een belaste voorgeschiedenis, er is sprake van persoonlijke problematiek en de ouders hebben – zowel samen als apart – het nodige meegemaakt. [kind D] is samen met haar broer en zussen opgegroeid in de thuissituatie bij de vader en [X] en heeft al een tijd geen contact met de moeder. De ouders verschillen van mening waar het gaat om de vraag hoe lang [kind D] haar moeder niet heeft gezien. Volgens de moeder is dit ongeveer twee jaar, volgens de vader is dit vier à vijf jaar. Tussen de andere kinderen en de moeder heeft er lange tijd wel een zorgregeling plaatsgevonden en [kind B] woont inmiddels (sinds april 2017) bij de moeder. Ook [kind C] heeft nog goed contact met de moeder. Uit het raadsrapport blijkt voorts dat de vader afwijzend staat tegenover contact tussen [kind D] en de moeder. De vader maakt zich zorgen over de opvoedomgeving bij de moeder en het onderlinge vertrouwen ontbreekt. Duidelijk is dat [kind D] – en ook de andere kinderen – last hebben van de conflictueuze verhouding tussen de ouders. Zo heeft [kind B] op dit moment geen contact meer met de vader, waardoor ook het contact tussen [kind B] en [kind D] is verstoord. [kind D] lijkt door de huidige situatie klem te zitten en lijkt wisselend te staan tegenover het contact met de moeder. Zo heeft zij in oktober 2017 door middel van een brief aan de rechtbank laten weten dat zij geen behoefte heeft aan contact met de moeder, terwijl zij nadien bij de raadsonderzoeker (voorzichtig) heeft laten weten hier wel open voor te staan. De raad heeft de rechtbank naar aanleiding van het onderzoek geadviseerd een opbouwende zorgregeling tussen [kind D] en de moeder vast te leggen, welke de rechtbank bij de bestreden beschikking heeft vastgelegd. Ter zitting in hoger beroep is echter gebleken dat tot nu toe geen invulling aan deze zorgregeling is gegeven. De ouders verschillen van mening waar het gaat om de aanleiding tot deze impasse.

Tot slot is gebleken dat JBRA op dit moment in het vrijwillig kader bij het gezin betrokken is, met name voor [kind C] .

5.6

Gelet op het voorgaande, acht het hof zich op dit moment onvoldoende voorgelicht over de vraag of een zorgregeling, en zo ja welke invulling van de zorgregeling, in het belang van [kind D] is. Daarbij is van belang dat [kind D] al geruime tijd geen contact heeft met de moeder, zij wisselend lijkt te staan tegenover dit contact en dat de vader als gevolg van ervaringen uit het verleden haar weinig emotionele ruimte lijkt te bieden om onbelast contact met de moeder te hebben. Gelet hierop en gelet op de standpunten van de beide ouders en de wensen en belangen van [kind D] , acht het hof het in haar belang noodzakelijk een bijzondere curator te benoemen. De bijzondere curator zal [kind D] ter zake van de zorgregeling vertegenwoordigen en in het kader van de vervulling van die taak onderzoek verrichten naar wat zij – zonder de belasting van de kant van de ouders – zelf belangrijk vindt als het gaat om het contact met de moeder. Het hof acht het van belang dat dit onderzoek wordt verricht door een neutraal persoon, die – in tegenstelling tot de reeds betrokken medewerker van JBRA – (nog) geen rol heeft in het gezinssysteem. De bijzondere curator wordt verzocht door middel van gesprekken met [kind D] , de ouders en [X] en alle bij het gezin betrokken hulpverlening aan deze opdracht te voldoen. Het hof heeft geconstateerd dat ook de contacten tussen de ouders en de andere kinderen onder druk staan. Deze verhoudingen kunnen tevens van invloed zijn op de (kwaliteit van de) mogelijke contacten tussen [kind D] en haar moeder. Met het oog daar op kan de bijzondere curator, indien zij dat nodig acht voor de beantwoording van onderstaande vragen, ook de andere kinderen en de invloed die van hen uit gaat voor het antwoord op de vragen in haar onderzoek betrekken.

De ouders dienen hun medewerking te verlenen aan het verkrijgen van alle door de bijzondere curator relevant geachte informatie. De bijzondere curator wordt verzocht binnen twee maanden na heden aan het hof schriftelijk verslag uit te brengen naar aanleiding van de hierna te noemen vragen.

5.7

Het hof heeft mevrouw drs. I. Henar, psychologe en mediator te Amsterdam, bereid gevonden om als bijzondere curator voor [kind D] op te treden. Het hof zal thans tot benoeming van laatstgenoemde tot bijzondere curator over [kind D] overgaan.

5.8

In afwachting van het verslag van de bijzondere curator wordt iedere verdere beslissing aangehouden.

5.9

Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

6 Beslissing

Het hof:

- benoemt, alvorens verder te beslissen, met ingang van heden tot bijzondere curator als bedoeld in artikel 1:250 van het Burgerlijk Wetboek over de minderjarige [kind D] :

Mevrouw drs. I. Henar

Postbus 9165

1180 MD Amsterdam

- verzoekt de bijzondere curator verslag uit te brengen ten aanzien van de volgende vragen, met inachtneming van hetgeen daarover is overwogen in rechtsoverweging 5.6:

- Hoe is de relatie van [kind D] met haar beide ouders?

- Zijn er factoren vanuit [kind D] die het contact met de moeder belemmeren? Zo ja, welke zijn dat en hoe en op welke termijn zijn deze belemmeringen op te heffen?

- Zijn er factoren gelegen buiten [kind D] waardoor het contact met de moeder wordt belemmerd? Zo ja, welke zijn dat, zijn deze belemmeringen op te heffen en zo ja op welke termijn?

- Wat zijn de wensen van [kind D] ten aanzien van de wijze waarop een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedtaken qua vorm en frequentie zou moeten worden vormgegeven? Komen de wensen van [kind D] overeen met wat in haar belang is?

- Indien u vastlegging van een zorgregeling in het belang van [kind D] vindt: welke zorgregeling acht u qua vorm en frequentie, het meest in haar belang?

- Welke andere bevindingen volgen uit het onderzoek die relevant zijn voor de te nemen beslissing ten aanzien van de zorgregeling?

- verzoekt de bijzondere curator het verslag uiterlijk één week voor de hierna te noemen pro forma datum aan het hof en aan partijen toe te sturen;

- benoemt tot raadsheer-commissaris mr. J.M.C. Louwinger-Rijk met wie de bijzondere curator zich, indien daartoe aanleiding is, omtrent het verloop en de voortgang van het onderzoek kan verstaan;

- bepaalt dat de griffier van het hof binnen een week na de datum van deze beschikking een afschrift van de processtukken aan de bijzondere curator ter beschikking zal stellen;

- houdt de behandeling van de zaak pro forma aan tot zondag 21 april 2019, waarna bepaald zal worden op welke wijze behandeling van de zaak zal worden voortgezet;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.M.C. Louwinger-Rijk, mr. H.A. van den Berg en mr. P.J.W.M. Sliepenbeek, in tegenwoordigheid van mr. S.C.G.A. Duivenvoorde als griffier, en is op 19 februari 2019 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.