Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:658

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
19-02-2019
Datum publicatie
05-03-2019
Zaaknummer
200.248.327/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2018:6406
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

283 Rv

In eerste aanleg echtscheiding afgesplitst van nevenvoorzieningen. Verzoek van de vrouw gelijktijdig uitspreken echtscheiding en nevenvoorzieningen in hoger beroep afgewezen. Gebruik echtelijke woning. Proceskostenveroordeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2019-0073
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Zaaknummer: 200.248.327/ 01

Zaaknummers rechtbank: C/15/271927 / FA RK 18-1641 en C/15/275371 / FA RK 18-3401

Beschikking van de meervoudige kamer van 19 februari 2019 inzake

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. F.D. van Damme te Beverwijk,

en

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. R. Bottenheft te Velsen-Zuid.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem (hierna: de rechtbank) van 18 juli 2018.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

De vrouw is op 18 oktober 2018 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 18 juli 2018.

2.2

De man heeft op 22 november 2018 een verweerschrift ingediend.

2.3

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

- een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 27 december 2018 met bijlagen, ingekomen op 28 december 2018;

- een journaalbericht van de zijde van de man van 4 januari 2019 met bijlagen, ingekomen op 7 januari 2019.

2.4

De mondelinge behandeling heeft op 21 januari 2019 plaatsgevonden. Verschenen zijn:

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

- de man, bijgestaan door zijn advocaat.

3 De feiten

3.1

Partijen zijn [in] 2014 (in gemeenschap van goederen) gehuwd. Uit hun huwelijk zijn geen kinderen geboren.

3.2

Bij beschikking van de rechtbank van 13 december 2018 is in de voorlopige voorzieningenprocedure het verzoek van de vrouw aan haar het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning toe te kennen, afgewezen, en is een door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud bepaald.

3.3.

Partijen bewonen thans nog samen de echtelijke woning, gelegen aan [adres] , [postcode] te [plaats] (hierna: de woning).

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking is, op verzoek van beide partijen, tussen partijen de echtscheiding uitgesproken. De beslissing ten aanzien van de overige verzoeken van partijen, te weten de partneralimentatie en de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap, is aangehouden.

4.2

De vrouw verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, de echtscheiding eerst uit te spreken nadat op haar verzoek om te bepalen dat de vrouw gerechtigd is tot het voortgezet gebruik van de woning gedurende zes maanden na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand, zal zijn beslist. De vrouw verzoekt tevens de proceskosten tussen partijen te compenseren aldus dat ieder van partijen de eigen kosten draagt.

4.3

De man verzoekt de vrouw niet ontvankelijk te verklaren in haar hoger beroep althans het hoger beroep ongegrond te verklaren en de bestreden beschikking te bekrachtigen. De man verzoekt tevens te bepalen dat het voortgezet gebruik van de woning aan partijen gezamenlijk zal worden toegekend tot en met eind april 2019, althans te bepalen dat het voortgezet gebruik aan de man wordt toegekend gedurende zes maanden na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. De man verzoekt tevens de vrouw te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 1.086,- aan de man, zijnde de kosten van dit onderdeel van de procedure in hoger beroep.

5 De motivering van de beslissing

5.1

De vrouw stelt dat de rechtbank ten onrechte de echtscheiding heeft afgesplitst van de verzochte nevenvoorzieningen en de echtscheiding reeds heeft uitgesproken voordat op die verzoeken was beslist. Zij voert aan dat zij voornemens was in de bodemprocedure een verzoek tot het voortgezet gebruik van de woning in te dienen. Zij heeft belang bij het voortgezet gebruik van de woning nu zij nog geen passende woonruimte heeft gevonden.

De man stelt dat, nu partijen beiden hebben verzocht de echtscheiding uit te spreken, de vrouw bij haar hoger beroep geen belang heeft, te meer nu zij in de bodemprocedure in eerste aanleg haar verzoek om het voortgezet gebruik van de woning heeft kunnen indienen, maar dat tot nu toe heeft nagelaten.

5.2

Het hof overweegt als volgt. De vrouw heeft in eerste aanleg, evenals de man, verzocht om de echtscheiding uit te spreken. In eerste aanleg heeft de vrouw in de bodemprocedure geen verzoek om het voortgezet gebruik van de echtelijke woning ingediend. Op grond van vaste jurisprudentie heeft te gelden dat hoger beroep tegen een door de rechter in eerste aanleg uitgesproken echtscheiding slechts kan worden aangewend op grond van door de echtgenoot die het instelt aan te voeren bijzondere omstandigheden, teneinde te bewerkstelligen dat de band tussen het verzoek tot echtscheiding en een verzochte nevenvoorziening wordt hersteld en dat tezelfdertijd wordt beslist op dit verzoek. De vrouw meent dat vanwege het moment van uitspreken van de echtscheiding haar de mogelijkheid tot het indienen van bedoelde nevenvoorziening is ontnomen. Echter, op grond van artikel 283 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is de vrouw in de bodemprocedure nog totdat de rechter een eindbeschikking heeft gegeven, in de gelegenheid om een nevenvoorziening in te dienen (mits dit niet in strijd is met de goede procesorde). Dat bij de door de rechtbank gegeven (tussen)beschikking de echtscheiding reeds is uitgesproken, staat derhalve aan de mogelijkheid tot het indienen van een verzoek tot een nevenvoorziening niet in de weg. Dat gedurende enige tijd een mediationtraject tussen partijen heeft gelopen tijdens welk traject de bodemprocedure is aangehouden, zoals de vrouw ter zitting in hoger beroep heeft betoogd, maakt het voorgaande niet anders, nu na beëindiging van het mediationtraject de procedure in eerste aanleg is hervat. Ter zitting in hoger beroep is gebleken dat door de vrouw, ook na aanhouding van de behandeling in eerste aanleg tot de nader bepaalde zitting van 8 januari 2019 van de rechtbank, geen aanvullend verzoek tot voortgezet gebruik van de echtelijke woning is ingediend.

Nu door de vrouw geen bijzondere omstandigheden zijn aangevoerd die ertoe zouden moeten leiden dat de band tussen het verzoek tot echtscheiding en de door haar eerst in hoger beroep verzochte nevenvoorziening wordt hersteld door tezelfdertijd te beslissen op die verzoeken, en van zulke bijzondere omstandigheden ook anderszins niet is gebleken, is het hof van oordeel dat de vrouw geen rechtens te respecteren belang heeft bij haar verzoek. De bestreden beschikking zal worden bekrachtigd.

5.3

Ten aanzien van het verzoek van de vrouw het gebruik van de woning aan haar toe te kennen gedurende zes maanden na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand, overweegt het hof nog als volgt. De vrouw stelt zich op het standpunt dat het voortgezet gebruik van de woning aan haar dient te worden toegekend, aangezien zij tot op heden geen andere woonruimte heeft kunnen vinden. Zij heeft ter onderbouwing verwezen naar verschillende producties die zij in hoger beroep heeft ingediend, waaruit blijkt dat zij zich tevergeefs op verschillende woningbouwprojecten heeft ingeschreven en dat zij tevergeefs op door woningbouwverenigingen aangeboden woningen heeft gereageerd.

De man betwist dat de vrouw belang heeft bij toekenning van het voortgezet gebruik van de woning, te meer nu hij heeft toegezegd dat de vrouw in ieder geval tot eind april 2019 de woning tezamen met hem kan blijven bewonen en dat hij bereid is om zo nodig, in overleg met de vrouw, die termijn te verlengen. Volgens hem zou de vrouw bovendien (tijdelijk) bij haar dochter kunnen wonen. De man voert aan dat hij evenmin geschikte woonruimte voor zichzelf heeft kunnen vinden. Ter zitting in hoger beroep heeft de man aanvullend verklaard dat hij de woning reeds vóór het huwelijk van partijen bewoonde, dat hij in de bodemprocedure in eerste aanleg ter zitting van 8 januari 2019 heeft verzocht de woning aan zich te laten toedelen, en dat hij in de gelegenheid is gesteld in de komende periode van vier maanden zijn financiële mogelijkheden daartoe te onderzoeken.

5.4

Naar het oordeel van het hof heeft de vrouw middels voornoemde producties voldoende aangetoond dat zij ondanks haar inspanningen nog geen geschikte eigen woning heeft kunnen vinden. Gelet op de door de vrouw in het geding gebrachte verklaring van haar dochter dat zij onvoldoende ruimte heeft om haar moeder onderdak te bieden, neemt het hof aan dat zij evenmin (tijdelijk) bij haar dochter kan wonen. De vrouw heeft in die zin dan ook belang bij het voortgezet gebruik van de echtelijke woning. Het hof zal het verzoek van de vrouw evenwel afwijzen, en overweegt daartoe als volgt. De vrouw heeft tot op heden nagelaten aan de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking haar medewerking te verlenen en heeft ook ter zitting in hoger beroep verklaard dat zij niet, zoals door de man is gevraagd, van zins is daaraan zo spoedig als mogelijk is wel haar medewerking te verlenen. Ter zitting in hoger beroep heeft de advocaat van de vrouw laten weten dat de vrouw overweegt, indien haar verzoek in hoger beroep tot vernietiging van de echtscheidingsbeschikking wordt afgewezen, cassatieberoep in te stellen, met als gevolg dat de - door de man vooral in verband met de duur van zijn partneralimentatieverplichting gewenste - inschrijving van de echtscheidingsbeschikking nog langer op zich zal laten wachten. Gelet hierop en mede in aanmerking genomen het feit dat de vrouw in eerste aanleg niet de toedeling van de woning aan haar heeft verzocht, doch heeft verzocht tot verdeling en verkoop van de woning over te gaan, acht het hof toekenning van het recht op gebruik van de echtelijke woning gedurende zes maanden na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand aan de vrouw zodanig in strijd met het belang van de man, die de woning aan zich wenst te laten toedelen, dat dit verzoek van de vrouw dient te worden afgewezen. Daarbij komt dat de man heeft aangeboden dat de vrouw voorlopig tezamen met hem in de woning kan blijven wonen en dat hij bereid is met haar daarover verder te overleggen.

5.5

De man verzoekt primair aan partijen gezamenlijk het gebruik van de echtelijke woning toe te kennen. Nu daartoe een wettelijke grondslag ontbreekt, zal het hof dit verzoek afwijzen.

Subsidiair verzoekt de man aan hem het voortgezet gebruik van de woning toe te kennen. Nu hij dit verzoek niet nader heeft onderbouwd, zal het hof dit verzoek eveneens afwijzen.

5.6

Het hof zal, overeenkomstig het verzoek van de man, de vrouw in de kosten van de procedure veroordelen, nu de vrouw van de beslissing inzake de echtscheiding nodeloos in hoger beroep is gekomen, zij er geen afdoende verklaring voor heeft gegeven dat zij het verzoek tot voortgezet gebruik van de woning niet in de bodemprocedure in eerste aanleg heeft ingediend en haar hoger beroep lijkt te zijn ingegeven door haar wens de totstandkoming van de echtscheiding te vertragen, om zodoende de wettelijke limiteringstermijn van vijf jaar te doorbreken. De proceskosten van de man worden overeenkomstig het forfaitaire liquidatietarief begroot op een bedrag van € 1.086,- ter zake van salaris van de advocaat (tarief II, 2 punten).

5.7

Dit alles leidt tot de volgende beslissing.

6 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep voor zover daarbij tussen partijen de echtscheiding is uitgesproken;

veroordeelt de vrouw in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van de man tot deze uitspraak begroot op een bedrag van € 1.068,- aan advocaatkosten;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad ten aanzien de uitgesproken kostenveroordeling;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.T. Hoogland, mr. C.E. Buitendijk en mr. A.P. Vaatstra, in tegenwoordigheid van mr. T. Mekkelholt als griffier en is op 19 februari 2019 in het openbaar uitgesproken door de oudste raadsheer.