Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:646

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
19-02-2019
Datum publicatie
14-03-2019
Zaaknummer
200.245.782/01 OK
Rechtsgebieden
Ondernemingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

OK; enquêterecht; er wordt een onderzoek bevolen naar het beleid en de gang van zaken; bij wijze van onmiddellijke voorziening worden bestuurders geschorst, worden bestuurders benoemd en worden aandelen ten titel van beheer overgedragen aan een beheerder

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 2 345
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ARO 2019/84
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

___________________________________________________________________

GERECHTSHOF AMSTERDAM

ONDERNEMINGSKAMER

zaaknummer: 200.245.782/01 OK

beschikking van de Ondernemingskamer van 19 februari 2019

inzake

[A] ,

wonende te [....] ,

VERZOEKSTER,

advocaten: mr. M. Wolters en mr. M. Hurks, beiden kantoorhoudende te [....] ,

t e g e n

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[B] ,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[C] ,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[D] ,

alle gevestigd te [....] ,

VERWEERSTERS,

niet verschenen,

e n t e g e n

1 [E] ,

wonende te [....] ,

2. [F],

wonende te [....] ,

BELANGHEBBENDEN,

advocaten: mr. P.D. Olden en mr. L.D.N. de Baar, beiden kantoorhoudende te [....] .

1. Het verloop van het geding

1.1

In het vervolg zullen partijen en belanghebbenden (ook) als volgt worden aangeduid:

  • -

    verzoekster met [A] ;

  • -

    verweersters elk afzonderlijk met [B] , [C] en [D] en gezamenlijk met [G] ;

  • -

    belanghebbenden ieder afzonderlijk met [E] en [F] en gezamenlijk met [H]

1.2

[A] heeft bij op 10 september 2018 ter griffie van de Ondernemingskamer ingekomen verzoekschrift met producties de Ondernemingskamer verzocht, bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad, een onderzoek te bevelen naar het beleid en de gang van zaken van [G] over de periode vanaf 2002. Daarbij heeft zij tevens verzocht – zakelijk weergegeven – bij wijze van onmiddellijke voorzieningen voor de duur van het geding [E] te schorsen als bestuurder van [B] , [I] te schorsen als bestuurder van [D] , een derde persoon te benoemen tot bestuurder van [B] en [D] met doorslaggevende stem (de Ondernemingskamer begrijpt: dit laatste voor het geval [E] en [I] . niet zouden worden geschorst), de door [F] gehouden aandelen in het kapitaal van [B] – minus één aandeel – over te dragen aan een door de Ondernemingskamer te benoemen beheerder, dan wel een andere voorziening te treffen die de Ondernemingskamer juist acht en de aanwijzing van een onderzoeker vooralsnog aan te houden.

1.3

[H] hebben bij op 17 oktober 2018 ter griffie van de Ondernemingskamer ingekomen verweerschrift met producties de Ondernemingskamer verzocht, bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad, primair, het verzoek tot het gelasten van een onderzoek en het treffen van onmiddellijke voorzieningen af te wijzen en, subsidiair, te bepalen dat in het onderzoek mede wordt betrokken in welke mate de beide aandeelhouders zijn gebaat.

1.4

Het verzoek is behandeld ter openbare terechtzitting van de Ondernemingskamer van 7 november 2018. Bij die gelegenheid hebben de advocaten de standpunten van de onderscheiden partijen toegelicht aan de hand van – aan de Ondernemingskamer en de wederpartij(en) overgelegde – aantekeningen en onder overlegging van op voorhand aan de Ondernemingskamer en de wederpartij(en) gezonden nadere producties. Partijen en hun advocaten hebben vragen van de Ondernemingskamer beantwoord en inlichtingen verstrekt. Ter terechtzitting heeft [A] haar verzoek gewijzigd in die zin dat zij thans niet langer verzoekt om aanhouding van het aanwijzen van een onderzoeker. [H] hebben verzocht om, zo de Ondernemingskamer een onderzoek gelast, te bepalen dat dit onderzoek zich mede zal uitstrekken tot de – voor schenkingen gecorrigeerde – schuldposities van [A] , [F] en [E] .

2 De feiten

De Ondernemingskamer gaat uit van de volgende feiten:

2.1

[B] is op 30 juni 1994 opgericht door wijlen [J] (de moeder van [A] en [F] ). Zij was tot haar overlijden op 13 mei 2002 enig aandeelhouder van [B] en was tot 12 april 2002 bestuurder. [E] , echtgenoot van [J] en de vader van [A] en [F] , is vanaf 12 april 2002 bestuurder van [B] [E] was ten tijde van het overlijden van [J] met haar gehuwd in gemeenschap van goederen. De aandelen in [B] maakten geen deel uit van deze gemeenschap.

2.2

In de statuten van [B] is bepaald:

Artikel 5. (…)

9. Op aandelen kan vruchtgebruik worden gevestigd. Indien bij de vestiging van het vruchtgebruik is bepaald dat het stemrecht toekomt aan de vruchtgebruiker, komt hem dit recht slechts toe indien (…) deze bepaling (…) [is] goedgekeurd door de algemene vergadering. (…)

Artikel 11 . (…)

2. Het bestuur vertegenwoordigt de vennootschap, ook bij tegenstrijdig belang. (…)

3. De toestemming van de algemene vergadering is vereist voor bestuursbesluiten strekkende tot:

a. het verkrijgen, vervreemden (…) van onroerende zaken;

b. (…) het (…) uitlenen van gelden (…)

Artikel 14.

1. Jaarlijks zal op een door het bestuur vast te stellen tijdstip, uiterlijk binnen zes maanden na afloop van het boekjaar, een algemene vergadering – de jaarvergadering – worden gehouden. (…)

Artikel 15.

1. Buitengewone algemene vergaderingen worden gehouden, zo dikwijls het bestuur dit nodig oordeelt of aandeelhouders, meer dan één/tiende gedeelte van het geplaatste kapitaal vertegenwoordigende, dit (…) aan het bestuur verzoeken.

2. Indien het bestuur aan dit verzoek geen gevolg heeft gegeven (…) kunnen de verzoekers zelf de vergadering met inachtneming van deze statuten oproepen. (…)

Artikel 22.

1. Het boekjaar van de vennootschap valt samen met het kalenderjaar.

Jaarlijks worden binnen vijf maanden na afloop van het boekjaar der vennootschap, behoudens verlenging van deze termijn met ten hoogste zes maanden door de algemene vergadering op grond van bijzondere omstandigheden, door het bestuur de jaarrekening, omvattende een balans en een winst- en verliesrekening met toelichting opgemaakt, welke aan de algemene vergadering ter vaststelling worden overgelegd.”

2.3

[J] heeft in haar testament [A] en [F] tezamen en voor gelijke delen benoemd tot erfgenaam van haar nalatenschap en aan [E] het vruchtgebruik van haar gehele nalatenschap gelegateerd onder de navolgende bepalingen:

TEN TWEEDE (…)

A. (…)

5. Het beheer over het vruchtgebruikkapitaal wordt uitgeoefend door de vruchtgebruiker. Binnen het kader van dit beheer is de vruchtgebruiker geheel vrij in de wijze van beleggen en herbeleggen en het brengen van wijziging in de belegging. Belegging en herbelegging dienen te geschieden op naam van de hoofdgerechtigde(n) met aantekening van het vruchtgebruik.

6. De vruchtgebruiker is bevoegd over de aan het vruchtgebruik onderworpen goederen te beschikken met toestemming van de hoofdgerechtigde(n).

7. Tot vertering van de aan vruchtgebruik onderworpen goederen zal de vruchtgebruiker niet bevoegd zijn. (…)

11. Het vergader- en/of stemrecht, verbonden aan de tot het vruchtgebruikkapitaal behorende aandelen en andere rechten, komt toe aan de vruchtgebruiker, behoudens het daarover in de wet en betreffende statuten bepaalde.

2.4

[A] en [F] hebben bij akte van 12 mei 2004 de aandelen in [B] in vruchtgebruik afgegeven aan [E] . Daarbij is niet ook het stemrecht op die aandelen aan vruchtgebruiker [E] mee overgedragen, omdat [A] zich daartegen heeft verzet en [E] zich daarbij heeft neergelegd.

2.5

[B] houdt de aandelen in het geplaatste kapitaal van [C] en is tevens enig bestuurder van deze vennootschap.

2.6

[C] houdt de aandelen in het geplaatste kapitaal van [D] . [I] is enig bestuurder van [D] . [E] is enig bestuurder van [I] en houdt tevens alle aandelen in deze vennootschap.

2.7

[G] drijven een onderneming die zich in hoofdzaak toelegt op beheer en verhuur van onroerend goed in [....] .

2.8

Er hebben vanaf 2002 bij [G] geen algemene vergaderingen van aandeelhouders plaatsgevonden. Er is sindsdien geen dividend uitgekeerd, met uitzondering van een bedrag van € 40.000 door [B] in 2014.

2.9

Op 29 november 2006 heeft [B] , vertegenwoordigd door [E] , een appartementsrecht, recht gevende op een deel van de onroerende zaak aan de [K] te [....] (indexnummer 2), gekocht voor € 651.776. Op dezelfde datum heeft [E] in privé een appartementsrecht in hetzelfde complex (indexnummer 3) gekocht voor € 693.424, ter financiering waarvan hij € 720.000 heeft geleend van [B] Beide appartementsrechten zijn op 1 augustus 2007 geleverd.

2.10

[E] heeft in 2010 tegen betaling van een koopprijs van € 300.000 een appartement gekocht te [M] , [....] , dat op naam van [A] en [F] is komen te staan. Ter financiering heeft hij € 235.000 geleend van [B] Daarnaast heeft [E] een van [B] in rekening-courant opgenomen bedrag van circa € 200.000 geïnvesteerd in de verbouwing van de aan [A] en [F] in eigendom toebehorende etages 1 tot en met 4 van de onroerende zaak [N] te [....] .

2.11

In de jaarrekening 2015 van [B] staan onder meer de volgende gegevens:

Eigen vermogen: € 5.780.804;

Lening [I] .: € 167.400;

Rekening-courant aandeelhouders: € 1.455.789;

Lening [E] inzake woonhuis: € 720.000;

Lening [E] inzake appartement [....] : € 235.00;

Lening [F] inzake woonhuis [....] : € 120.035;

Rekening-courant vordering op [E] : € 1.144.247.

2.12

De laatste opgemaakte en gedeponeerde jaarrekeningen van [B] , [C] en [D] zijn die over 2016.

In de jaarrekening 2016 van [B] staan onder meer de volgende gegevens:

Eigen vermogen: € 5.977.530;

Lening [I] .: € 167.400;

Rekening-courant aandeelhouders: € 1.508.021;

Lening [E] inzake woonhuis: € 720.000;

Lening [E] inzake appartement [....] : € 235.000;

Lening [F] inzake woonhuis [....] : € 120.035;

Rekening-courantvordering op [E] : € 1.212.044.

2.13

De rekening-courantvordering van [C] op [E] bedroeg op 31 december 2015 € 279.619 en op 31 december 2016 € 287.744. De rekening-courantvordering van [D] op [E] bedroeg op 31 december 2015 € 245.464 en op 31 december 2016 € 376.047.

2.14

Door [D] zijn volgens haar jaarrekening 2016 de volgende geldleningen verstrekt:

31-12-2016

31-12-2015

Overige vorderingen

Lening [O]

27.607

28.609

Lening [P]

12.000

12.000

Lening [Q]

49.685

47.345

Lening [R]

9.143

13.333

Lening [F]

57.952

55.000

Lening [S]

16.427

-

172.814

156.287

2.15

Bij e-mail van 21 maart 2016 heeft [A] onder meer aan [E] kenbaar gemaakt: “(…) Ook wil ik je hierbij laten weten, zoals ik al eerder op email heb gedaan ten tijde van de aankoop van [M] , dat het niet de bedoeling is dat jij gelden van de BV leent, teneinde prive aankopen te doen.

2.16

Op 13 juli 2017 zijn de beide appartementsrechten in het pand [K] te [....] (zie hierboven onder 2.9) verkocht en geleverd aan één en dezelfde koper tegen betaling van een koopprijs van respectievelijk € 685.000 (indexnummer 2) en € 1.015.000 (indexnummer 3).

2.17

Op 18 juli 2017 is [E] eigenaar geworden van de onroerende zaak aan het [T] te [....] . Hij heeft bij brief van 24 september 2017 aan [A] te kennen gegeven: “(…) [T] is door mij privé gekocht met eigen geld en deels met geld van de Bv. (…)”. Voor deze aanschaf heeft [E] een bedrag van € 660.000 gebruikt van de in 2.9 genoemde lening van € 720.000. Inmiddels is het pand aan het [T] door [E] verkocht. De koopprijs bedraagt € 805.000.

2.18

Op 19 juli 2017 heeft [F] [E] gevolmachtigd om haar in alle opzichten te vertegenwoordigen.

2.19

Op 17 augustus 2017 hebben [E] en zijn huidige echtgenote de onroerende zaak aan de [U] te [....] voor een bedrag van € 875.000 gekocht en verkregen. Ter financiering van deze koop heeft [E] € 660.000 tegen een rente van 2,5 % geleend van [B]

3 De gronden van de beslissing

3.1

[A] heeft aan haar verzoek ten grondslag gelegd dat er gegronde redenen zijn voor twijfel aan een juist beleid en een juiste gang van zaken van [G] en dat gelet op de toestand van de vennootschappen onmiddellijke voorzieningen dienen te worden getroffen. Ter toelichting heeft zij – kort samengevat – het volgende naar voren gebracht:

  1. [E] heeft zich als (indirect) bestuurder van [G] gedragen alsof het vermogen van deze vennootschappen zijn privévermogen is dat hij naar believen kan benutten. Hij heeft rekening-courantverhoudingen tussen hem en [G] doen ontstaan, die hij vervolgens sterk heeft laten oplopen. Voorts heeft hij geldleningen door [B] aan zichzelf laten verstrekken voor de aankoop in privé van diverse onroerende zaken. Het is maar de vraag of [E] zijn schuld aan [G] – van in totaal € 2,3 miljoen per ultimo 2016 – ooit zal kunnen terugbetalen. Gevreesd moet worden dat de Belastingdienst de leningen als onzakelijk zal beschouwen, hetgeen fiscaal nadelig is voor [B] [E] had bij het ontstaan van de geldleningen een met het belang van [G] tegenstrijdig persoonlijk belang. Er is geen zekerheid bedongen voor de door [B] aan [E] geleende bedragen. Evenmin is zekerheid bedongen voor de diverse leningen, die door [D] aan derden zijn verstrekt. Onderliggende informatie over die leningen ontbreekt. [E] heeft daarnaast verzuimd toestemming aan de aandeelhoudersvergadering te vragen voor bestuursbesluiten tot het aankopen en verkopen van onroerende zaken, het verstrekken van de leningen en het aangaan van de rekening-courantverhoudingen.

  2. [E] heeft corporate opportunities die toebehoorden aan [G] (en daarmee indirect aan [A] en [F] ) benut voor zichzelf in privé. Bij de verkoop van beide appartementsrechten aan de [K] , waarbij hij optrad zowel als bestuurder van [B] als in privé, heeft hij zichzelf een aanzienlijk voordeel toegekend.

  3. Sinds 2002 hebben er bij [G] geen aandeelhoudersvergaderingen plaatsgevonden en zijn er geen jaarrekeningen vastgesteld. [E] weigert rekening en verantwoording af te leggen aan de aandeelhouders. Er is overigens sprake van een patstelling op aandeelhoudersniveau, die de continuïteit van de onderneming van [G] ernstig in gevaar brengt. De verzochte onmiddellijke voorzieningen dienen te worden getroffen om grotere schade voor [G] en haar stakeholders te voorkomen.

3.2

[H] hebben als verweer – kort samengevat – het volgende naar voren gebracht. [E] heeft vanaf 2002 als (indirect) bestuurder orde op zaken gesteld binnen [G] en is erin geslaagd het daarin ondergebrachte vermogen sindsdien aanzienlijk te vergroten ten behoeve van zijn dochters. Hij betwist dan ook dat sprake is van het benutten van dat vermogen voor eigen gewin. [A] lijkt er ten onrechte van uit te gaan dat [E] niet werkelijk van het vruchtgebruik zou mogen genieten en dat hij zijn werkzaamheden voor [G] – die ten behoeve van [A] en [F] hebben gestrekt – om niet zou moeten verrichten. Hij heeft nooit een managementvergoeding ontvangen. Door middel van opnamen in rekening-courant heeft [E] in zijn levensonderhoud voorzien. Van het toekennen van dividend heeft hij afgezien, nu hij daarvoor afhankelijk zou zijn van de steun van [A] , die ervoor had gezorgd dat hij niet het stemrecht op de aandelen heeft gekregen. De rekening-courantverhoudingen die vanaf 2004 tot heden zijn ontstaan tussen hem en [G] zijn niet buitensporig. Een aanzienlijk deel van de door [E] in rekening-courant opgenomen dan wel geleende bedragen hebben tot voordeel van [A] (en [F] ) gestrekt, nu deze onder meer zijn besteed aan de aanschaf van het appartement te [....] en de verbouwing van de etages van [N] die aan hen in eigendom toebehoren. Weliswaar heeft [E] bij zijn optreden als (indirect) bestuurder formaliteiten veronachtzaamd, maar dit is te begrijpen tegen de achtergrond van de familieverhoudingen en de informele werkwijze die daarmee samenhing. Daar komt bij dat [A] (net als [F] ) het besturen van [G] altijd aan [E] heeft overgelaten. Zij koos ervoor om passief te blijven en om de jaarrekeningen van [G] – die jaarlijks zijn opgemaakt en gedeponeerd – rechtstreeks bij de accountant op te vragen. Hoewel [A] hierdoor op de hoogte moet zijn geweest van de diverse daarin vermelde geldleningen en rekening-courantverhoudingen, heeft zij daartegen nooit eerder bezwaar gemaakt. Evenmin heeft zij ooit een verzoek gedaan tot het bijeenroepen van een aandeelhoudersvergadering van [B] , noch is zij daartoe zelf overgegaan, hoewel zij daartoe volgens de statuten bevoegd was. Zij klaagt te laat. Er is geen sprake van dat [E] corporate opportunities aan [B] heeft onthouden: het verschil tussen de verkoopprijzen van de twee appartementsrechten aan de [K] is verklaarbaar vanwege de staat van het onderhoud en van elk van beide appartementsrechten is een taxatierapport voorhanden dat de verkoopprijs ondersteunt. Er heeft zich nimmer een situatie voorgedaan waarin een aandeelhoudersbesluit op het bestaan van een patstelling is afgestuit, zodat geen aanleiding bestaat de aandelen die [F] in [B] houdt ten titel van beheer over te dragen, aldus [H]

3.3

De Ondernemingskamer overweegt als volgt.

Zoals uit 2.11, 2.12 en 2.13 naar voren komt, hebben de opgelopen rekening-courantschulden van [E] aan [G] een aanzienlijke omvang bereikt. Om zijn rekening-courantschulden te kunnen voldoen, zal volgens [E] deels verrekening met nog door [B] uit te keren dividend nodig zijn. [A] heeft evenwel naar voren gebracht dat de ruimte voor het uitkeren van dividend door [B] inmiddels beperkt is. Bovendien heeft zij aangevoerd dat het gevaar bestaat – zoals ook door [E] is onderkend – dat de betalingen aan [E] uit hoofde van zijn rekening-courantverhoudingen met [G] door de Belastingdienst als verkapt dividend zullen worden beschouwd. De Ondernemingskamer overweegt dat de fiscale en financiële gevolgen van voormelde gang van zaken op dit moment niet voorzienbaar zijn. Dat de rekening-courantverhoudingen reeds meerdere jaren bestaan en – zoals door [E] onbetwist naar voren is gebracht – voor [A] kenbaar waren uit de jaarrekeningen van [G] , betekent niet dat [A] daartegen in de onderhavige procedure geen bezwaar kan maken.

3.4

Verder heeft [E] als bestuurder van [B] aanzienlijke geldleningen vanuit deze vennootschap aan zichzelf verstrekt. Hij heeft deze onder meer aangewend voor het aankopen van onroerende zaken door hem in privé. [E] heeft € 720.000 geleend van [B] ter financiering van het op 29 november 2006 door hem gekochte appartementsrecht op [K] (indexnummer 3) (zie 2.9). Vervolgens heeft [E] € 660.000 geleend van [B] voor de aankoop van het pand aan de [U] (zie 2.19). Voor geen van deze leningen is door [E] zekerheid ten behoeve van [B] gesteld. Het doen oplopen van de rekening-courantschulden door [E] en het nalaten zekerheden te verstrekken voor bedragen die hij van [B] heeft geleend, duidt erop dat [E] zijn persoonlijk belang heeft laten prevaleren boven het belang van [B] Daarnaast zijn diverse leningen verstrekt vanuit [D] , waarvan [E] indirect bestuurder is. Van het merendeel van deze in 2.14 vermelde leningen is gebleken dat deze geen zakelijke achtergrond hadden, waaronder de leningen aan [F] en de onderneming van haar echtgenoot. Het vermoeden van [A] dat ook voor het verstrekken van deze leningen geen zekerheid is verstrekt dan wel bedongen ten gunste van [D] , is niet ontzenuwd door [H]

3.5

Bij het aangaan van de rekening-courant verhoudingen en de geldleningen met zichzelf in privé en het overeenkomen van de leningsvoorwaarden had [E] een persoonlijk, met dat van [B] tegenstrijdig belang. Dat [E] een deel van de geleende gelden heeft aangewend voor de aankoop en het onderhoud van onroerende zaken die aan [A] en [F] in privé toebehoren, doet daaraan niet af. Niet is gebleken dat [E] oog heeft gehad voor de aanwezigheid van een tegenstrijdig belang en daarmee samenhangende wettelijke verplichtingen. Ook is blijkens de statuten (zie hierboven onder 2.2) toestemming van de aandeelhoudersvergadering vereist voor bestuursbesluiten strekkende tot het verkrijgen en vervreemden van onroerende zaken en tot het uitlenen van gelden. [E] was uit dien hoofde gehouden de aandeelhouders om toestemming te vragen voor het kopen en verkopen van onroerende zaken van [B] en het uitlenen van geld door [B] Hij heeft dit niet gedaan. [E] heeft zich erop beroepen dat partijen informeel met elkaar om gingen, maar ook anderszins is niet gebleken van enige afstemming of overleg door hem met zowel [A] als [F] als bloot-eigenaren van de aandelen.

3.6

[E] heeft vanaf zijn aantreden als bestuurder in 2002 überhaupt nooit een aandeelhoudersvergadering bijeengeroepen, ook niet nadat [A] in de loop der tijd vragen heeft gesteld over het beheer van het vermogen van [G] Het door [H] genoemde argument dat de familieverhoudingen leidden tot een informele werkwijze, was in elk geval vanaf dat moment niet meer redengevend. Dat [A] in die periode niet heeft verzocht om het bijeenroepen van een aandeelhoudersvergadering noch daartoe zelf is overgegaan, maakt dit niet anders. In ieder geval had [E] zich bij de verkoop van het appartementsrecht aan de [K] (indexnummer 2) en het aangaan van de lening ten behoeve van de aanschaf van het woonhuis aan de [U] dienen te realiseren dat hij zich tot de algemene vergadering van aandeelhouders had moeten wenden.

3.7

Vaststelling van de jaarrekeningen van [G] heeft vanwege het sinds 2002 niet houden van aandeelhoudersvergaderingen evenmin plaatsgevonden. Aangezien de jaarrekening van [B] over 2014 niet is vastgesteld, kon er evenmin een besluit door de aandeelhoudersvergadering over de bestemming van de daarbij bepaalde winst over dat jaar worden genomen. Aan de dividenduitkering van € 40.000 ligt derhalve geen besluit van de algemene vergadering van aandeelhouders ten grondslag.

3.8

Verder roept de verkoopprijs van het aan [B] toebehorende appartementsrecht [K] (indexnummer 2) vragen op, gelet op het prijsverschil met het gelijktijdig aangekochte en gelijktijdig verkochte, aan [E] in privé toebehorende appartementsrecht [K] (indexnummer 3). De verkoopprijs bedroeg bij de overdracht van beide appartementsrechten medio 2017 respectievelijk € 685.000 en € 1.015.000. [A] stelt dat [E] , die bij de verkoop optrad zowel als vertegenwoordiger van [B] als voor zichzelf in privé, de waardestijging van de appartementsrechten grotendeels aan zichzelf ten goede heeft laten komen en zich daarmee een aanzienlijk voordeel heeft toegekend ten koste van [B] [A] heeft in dat verband naar voren gebracht dat het gaat om appartementen in hetzelfde gebouw, die één gezamenlijke opgang en voordeur hebben, waardoor deze niet los van elkaar kunnen worden bewoond en verkocht; [E] heeft beide appartementen zelf bewoond en beide ook aan dezelfde koper verkocht. Een rechtvaardiging voor het verschil tussen de verkoopprijzen kan niet worden afgeleid uit de overgelegde taxatierapporten, die wel bedragen noemen maar geen inzicht geven in de onderliggende factoren. De Ondernemingskamer constateert dat vooralsnog onvoldoende inzicht bestaat in de totstandkoming van de verkooprijzen en de gerechtvaardigdheid van het prijsverschil.

3.9

Naar het oordeel van de Ondernemingskamer levert het voorgaande in onderling verband en samenhang bezien gegronde redenen op om te twijfelen aan juist beleid en een juiste gang van zaken van [G] die een onderzoek rechtvaardigen. De Ondernemingskamer zal, aanknopend bij het onder 2.9 overwogene, een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van [G] bevelen vanaf 2006, dat zich in het bijzonder richt op hetgeen onder 3.3 tot en met 3.8 is overwogen. Dit onderzoek dient zich mede uit te strekken tot de schuldposities van [A] en [F] (zowel leningen als rekening-courant posities).

3.10

De Ondernemingskamer is verder van oordeel dat de toestand van [G] , zoals die blijkt uit de voorgaande overwegingen noopt tot het treffen van de navolgende onmiddellijke voorzieningen. Zij acht het noodzakelijk om bij wijze van onmiddellijke voorziening [E] te schorsen als bestuurder van [B] , [D] Holding II B.V. te schorsen als bestuurder van [D] en in hun plaats een derde als bestuurder van [B] en [D] te benoemen. Voorts is gebleken dat de verhouding tussen [A] en [F] dusdanig is verstoord dat, gezien hun gelijkgerechtigdheid met betrekking tot de aandelen, naar verwachting geen besluitvorming door de aandeelhoudersvergadering van [B] mogelijk is, waardoor dit orgaan niet naar behoren zal kunnen functioneren. Daarbij geldt tevens dat [B] , ook gelet op het feit dat het hier om een diepgaand familieconflict gaat, gebaat is bij rust in de algemene vergadering van aandeelhouders. Dit noopt ertoe dat de aandelen in [B] van [A] en [F] ten titel van beheer aan een door de Ondernemingskamer te benoemen beheerder zullen worden overgedragen.

3.11

Voor het treffen van andere onmiddellijke voorzieningen ziet de Ondernemingskamer vooralsnog geen aanleiding.

3.12

De Ondernemingskamer zal de kosten van het onderzoek ten laste brengen van [G] , de kosten van de te benoemen bestuurder ten laste brengen van [B] en [D] en de kosten van de te benoemen beheerder van aandelen ten laste brengen van [B]

4 De beslissing

De Ondernemingskamer:

beveelt een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van [B] , [C] en [D] , alle gevestigd te [....] , over de periode vanaf 2006;

benoemt een nader aan te wijzen en aan partijen bekend te maken persoon teneinde het onderzoek te verrichten;

stelt het bedrag dat het onderzoek ten hoogste mag kosten vast op € 25.000, de verschuldigde omzetbelasting daarin niet begrepen;

bepaalt dat de kosten van het onderzoek ten laste komen van [B] , [C] en [D] en dat zij voor de betaling daarvan ten genoegen van de onderzoeker voor de aanvang van diens werkzaamheden zekerheid dienen te stellen;

benoemt mr. A.J. Wolfs tot raadsheer-commissaris, zoals bedoeld in artikel 2:350 lid 4 BW;

schorst, bij wijze van onmiddellijke voorziening en vooralsnog voor de duur van het geding, met ingang van heden [E] als bestuurder van [B] , alsmede [I] als bestuurder van [D] ;

benoemt bij wijze van onmiddellijke voorziening met onmiddellijke ingang en vooralsnog voor de duur van het geding – voor zover nodig in afwijking van de statuten – een nader aan te wijzen en aan partijen bekend te maken persoon tot bestuurder van [B] en van [D] ;

bepaalt dat het salaris en de kosten van deze bestuurder ten laste komen van [B] en [D] en bepaalt dat [B] en [D] voor de betaling daarvan ten genoegen van de bestuurder zekerheid dienen te stellen vóór de aanvang van diens werkzaamheden;

bepaalt vooralsnog voor de duur van het geding dat de aandelen in [B] ten titel van beheer met ingang van heden zijn overgedragen aan een nader aan te wijzen en aan partijen bekend te maken persoon;

bepaalt dat het salaris en de kosten van de beheerder van aandelen ten laste komen van [B] en bepaalt dat [B] voor de betaling daarvan ten genoegen van de beheerder zekerheid dient te stellen vóór de aanvang van diens werkzaamheden;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.M.L. Broekhuijsen-Molenaar, voorzitter, mr. M.M.M. Tillema en mr. A.J. Wolfs, raadsheren, dr. P.M. Verboom en mr. D.E.M. Aleman MBA, raden, in tegenwoordigheid van mr. F.L.A. Straathof, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 19 februari 2019.