Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:628

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
26-02-2019
Datum publicatie
04-03-2019
Zaaknummer
200.225.221/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Servicecontracten waarbij een "director" en een "account manager" ter beschikking worden gesteld aan een softwareontwikkelaar. Vertrouwelijkheids- en concurrentiebeding met boetebeding. "Deliberate negligent behavior".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RCR 2019/42
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.225.221/01

zaak- en rolnummer rechtbank Amsterdam : C/13/605647 / HA ZA 16-357

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 26 februari 2019

inzake

1 MAJAM INTERIM MANAGEMENT B.V.,

gevestigd te Rijswijk,

2. JOHUMA B.V.,

gevestigd te Ooltgensplaat,

3. PQNIA B.V.,

gevestigd te Doorn,

appellanten in het principaal appel,

geïntimeerden in het incidenteel appel,

advocaat: mr. J.G.A. Struycken te Amsterdam,

tegen

1 UNISERV GmbH,

gevestigd te Pforzheim, Bondsrepubliek Duitsland,

2. UNISERV B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerden in het principaal appel,

appellanten in het incidenteel appel,

advocaat: mr. E.H. Boucher te Utrecht.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna Majam, Johuma, PQnia, Uniserv en Grecco genoemd (zie rov. 2.1 hierna voor de naam Grecco). Majam, Johuma en PQnia worden gezamenlijk Majam c.s. genoemd. Uniserv en Grecco worden gezamenlijk Uniserv c.s. genoemd.

Majam c.s. zijn bij dagvaarding van 29 september 2017 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Amsterdam van 5 juli 2017, onder bovenvermeld zaak- en rolnummer gewezen tussen Majam c.s. als eiseressen in conventie, verweersters in reconventie, en Uniserv c.s. als gedaagden in conventie, eiseressen in reconventie.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven;

- memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel appel, met producties;

- akte in principaal appel, tevens memorie van antwoord in incidenteel appel, met een productie;

- antwoordakte in principaal appel, tevens akte in incidenteel appel, met producties;

- akte uitlating producties, met een productie.

Ten slotte is arrest gevraagd.

Majam c.s. hebben geconcludeerd, naar het hof begrijpt, dat het hof het bestreden vonnis (gedeeltelijk) zal vernietigen en – uitvoerbaar bij voorraad – hun gewijzigde eis zal toewijzen en die van Uniserv c.s. zal afwijzen, met hoofdelijke veroordeling van Uniserv c.s. in de kosten.

Uniserv c.s. hebben geconcludeerd, naar het hof begrijpt, dat het hof het bestreden vonnis (gedeeltelijk) zal vernietigen en – uitvoerbaar bij voorraad – hun verminderde eis zal toewijzen en die van Majam c.s. zal afwijzen, met hoofdelijke veroordeling van Majam c.s. in de kosten.

Majam c.s. hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.

2 Feiten

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2.1-2.18 de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Voor zover deze feiten in hoger beroep niet in geschil zijn, dienen zij ook het hof tot uitgangspunt. Samengevat en aangevuld met andere vaststaande feiten komen zij op het volgende neer.

2.1

Grecco (oorspronkelijk genaamd Grecco B.V., thans genaamd Uniserv B.V.) is op 30 juni 2011 opgericht. Zij hield zich bezig met de ontwikkeling van software op het gebied van 'customer data hub' (hierna: CDH). Dat is software waarmee een onderneming haar klantgegevens kan gebruiken voor marketingdoeleinden. Tot 26 februari 2014 werden de aandelen in Grecco gehouden door vijf houdstervennootschappen (hierna: de houdstervennootschappen), ieder voor 20%: PQnia, Johuma en nog drie andere. Iedere houdstervennootschap had een eigen directeur-grootaandeelhouder (hierna: dga). De dga's van PQnia en Johuma waren respectievelijk [A] (hierna: [A] ) en [B] (hierna: [B] ).

2.2

Uniserv hield zich onder meer bezig met de ontwikkeling en verkoop van software waarmee adressenbestanden kunnen worden opgeschoond ('data quality').

2.3

In 2012-2013 heeft Uniserv een strategie ontwikkeld om in 2017 marktleider in Europa te worden op het gebied van klantgegevensbeheer ('customer data management').

2.4

In 2014 heeft Uniserv alle aandelen in Grecco gekocht en geleverd gekregen. Het hiervoor opgestelde koopcontract (de sale purchase agreement, hierna: de SPA) is gedateerd op 26 februari 2014 en noemt de vijf houdstervennootschappen als verkopers en Uniserv als koper. In art. 2.4 van de SPA staat dat de koopprijs van de aandelen € 1,5 miljoen bedraagt. Verder vermeldt de SPA onder meer:

"9. PURCHASER'S AND SELLERS' COVENANTS

9.1

The Parties agree and the Purchaser covenants with the Sellers, in order to achieve optimal synergies and value to the benefit of all parties and recognizing that for the 3 (three) years after completion:

( a) (...),

( b) the business unit will be operationally led by the current managing director of the Company, who will also be part of the senior management of the Purchaser. In case [A] is no longer the manager of the unit, the Purchaser, after consultation with the Sellers, will appoint a new manager who will have the same objectives as the sellers.

( c) (...).

9.2

The Purchaser is liable to each of the Sellers for compensation should any of the commitments referred to in 9.1(a) thru c) be breached by any entity of the Purchaser’s group.

9.3

Each of the Sellers covenants with the Purchaser and the Company, for the benefit of the Purchaser and the Company that it will accept and enter into a New Services Agreement for a period of 3 three years as from Completion."

2.5

Op 26 februari 2014 heeft Uniserv met elk van de vijf houdstervennootschappen een "service agreement" (hierna: servicecontract) gesloten, waarbij elke houdstervennootschap haar dga ter beschikking stelde om werkzaamheden te verrichten voor de CDH unit van Uniserv, elk in een eigen functie. Op 27 februari 2014 zijn de servicecontracten waarbij [A] en [B] ter beschikking waren gesteld, vervangen door nieuwe servicecontracten.

2.6

Het nieuwe servicecontract waarbij [A] ter beschikking werd gesteld (hierna: het servicecontract van [A] ), is gesloten tussen Uniserv en Majam. PQnia en Johuma zijn elk voor 50% aandeelhouder van Majam. In het servicecontract van [A] staat onder meer:

"1. Duration

a. (…)

b. MAJAM will render her services to Uniserv for 210 days a year, for eight hours a day on average.

2. Assignment

a. MAJAM will make Mr. [A] , available to act as director of the CDH Unit of Uniserv and the companies being part of the Uniserv group of companies, this being accepted herewith by Uniserv.

b. During this Agreement, Mr. [A] will perform his duties in his function mentioned above. His duties will be summarized in Schedule 1 of this agreement. Uniserv will provide the utmost support possible to realize the objectives set for.

c. MAJAM agrees to render her services faithfully, diligently and to the best of her ability in a manner conducive to the best interest of Uniserv. MAJAM agrees to act in accordance with the Articles of Incorporation of Uniserv, in accordance with normal business and commercial principles and in accordance with all applicable laws, regulations and requirements and services the right to refrain from any act which she considers being in conflict with the lawful interest of Uniserv.

d. MAJAM commits to render her services to Uniserv through Mr. [A] . Only after prior permission in writing, MAJAM has authority to substitute Mr. [A] , which permission can only be refused by Uniserv on reasonable grounds. The substitute also will accept the responsibilities and requirements with regard to this agreement in writing.

e. (…)

3. Fees and expenses

a. The basic fee for the services by MAJAM under this agreement amounts to €10.000,= on a monthly basis, excluding VAT, if due. An additional fee of €80.000,= per year is due by Uniserv, if targets will be met that are set before the first of April each year.

b. Payment of the fees will be made by Uniserv within 14 days after receipt of an invoice. As a schedule to each invoice an overview of the worked days will be enclosed.

c. In addition to the fees mentioned in 3.a, MAJAM is entitled to an extra bonus fee based on a revenue target to be reached in 2016 for CDH revenue at Uniserv. The fee amounts to €300.000,= (...) if the CDH Business unit makes an invoiced revenue of €8.000.000,= (...) in the year 2016. The revenue includes all items of CDH deals, such as, but not limited to, DQ software, services, consulting, CDH software and hosting and is measured based on invoiced revenue. The treshold to be reached for the year 2016 is €4.000.000,= (...) Below this threshold no bonus is due. Between the threshold and the target the bonus accelerator will be factor 2. Above € 8.000.000,= (...) a factor of 1,5 is used. A schedule of the bonus scheme is presented in Schedule 2 of this agreement.

d. Reasonable out of pocket expenses incurred by MAJAM/Mr. [A] under the assignments in this agreement will be reimbursed by the respective Uniserv company to which the expenses relate to after presentation of relevant documents. This will include at least 30ct per Kilometer in case of car travel, train (1st class) and flight tickets where applicable, telephone and accomodation cost.

e. In case this agreement will be terminated by Uniserv, or will be terminated in any other way before January 31, 2017, or will be dissolved and/or canceled by court on initiative of Uniserv, MAJAM is entitled a compensation in the order of the amount of the bonus fee based on the target revenue for the year 2016 as mentioned above. Furthermore, Uniserv will also be due the basic and additional fee up to and including December 2016.

f. In case of termination on initiative of Uniserv due to deliberate negligent behavior of MAJAM, art 3e of this agreement is not applicable.

g. In case of termination of the agreement by MAJAM, due to change of circumstances in which MAJAM, in fairness, cannot be asked to fulfil her obligations, no compensation is due to Uniserv. This shall include, but shall not be limited to, the situation that the shares of Uniserv will be sold to a third party, not being a Uniserv group company.

h. When the agreement terminates on initiative of MAJAM, except in cases as referred to in 3g, MAJAM will no longer be entitled for the bonus fee set forth in 3c and MAJAM will compensate Uniserv for the following amounts:

Termination during 2014, an amount will be due of: €200.000,= (...)

Termination during 2015 €100.000,= (...)

(...)

6. Confidentiality

Neither during the term of this agreement nor after its termination shall MAJAM and/or Mr. [A] disclose to any party, in any form, directly or indirectly, any confidential information except where MAJAM and/or Mr. [A] is obliged to disclose such information under applicable law or regulations. The term 'confidential information' does not include information that is publicly known at the time of its disclosure or subsequently becomes publicly known through no fault of MAJAM and/or Mr. [A] . Contravention of the confidentiality will be seen as urgent reason to terminate this agreement. Uniserv is entitled to charge MAJAM with a fine (to be paid) of € 10.000 (...) for each time MAJAM is in contravention with this confidentiality clause. Uniserv GmbH is also entitled to charge MAJAM and/or Mr. [A] for the total damage caused by the contravention of this confidentiality clause.

7. Non-competition clause

MAJAM and Mr. [A] agrees that during the agreement, he will not, except in the case of bankruptcy of Uniserv, either directly or indirectly, either as a partner or as an officer, director, majority shareholder, employee or agent of any corporation or partnership, solicit orders for the development and/or manufacturing and/or trading and/or sales of products that are similar to the Customer Date Hub solution, within the European Community. The foregoing does not apply in the event this agreement is terminated for reasons as referred to in article 3.e of this agreement.

Any material breach of this clause will be deemed to be an urgent reason to terminate this agreement. Uniserv is entitled to charge MAJAM with a fine (to be paid) of € 10.000 (...) for each time MAJAM is in contravention with this non-competition clause. Uniserv is also entitled to charge MAJAM and/or Mr. [A] for the total damage caused by the contravention of this non-competition clause to a maximum of € 1.000.000 (...)

MAJAM and Mr. [A] will seek the prior approval from Uniserv for any activities they intend to carry out next to the services under this Agreement, which approval will not be unreasonably withheld or delayed. Any activities once approved will not qualify as breaches under this non-competition clause.

This non-competition clause remains valid for a duration of one year after termination of the agreement."

Art. 6 van het servicecontract wordt hierna het vertrouwelijkheidsbeding genoemd en art. 7 het concurrentiebeding.

De doelstellingen ('targets') die behaald moesten worden om de jaarlijkse bonus van maximaal € 80.000,- als bedoeld in art. 3 sub a van het servicecontract van [A] toegekend te krijgen, zijn voor het jaar 2015 vastgelegd in een geschrift van 25 maart 2015, getiteld 'Zielvereinbarung und Zielprämie für das Geschäftsjahr 2015'.

2.7

Het nieuwe servicecontract waarbij [B] ter beschikking werd gesteld (hierna: het servicecontract van [B] ), is gesloten tussen Grecco en Majam. Hierin is hetzelfde bepaald als in het servicecontract van [A] , zoals hiervoor weergegeven, met dien verstande dat:

- in art. 2 sub a de functie van [B] is omschreven als "account manager/sales in the CDH Unit of Uniserv and the companies being part of the Uniserv group of companies",

- in art. 3 sub a een basic fee genoemd wordt van € 7.500,- exclusief btw, en

- in art. 3 sub a een additional fee genoemd wordt van € 60.000,-.

In de 'Zielvereinbarung' van [B] van 2015 is een omzetdoelstelling van € 500.000,- opgenomen.

2.8

In november 2012 is Kentivo B.V. opgericht. Op 8 januari 2015 is de aan Kentivo B.V. gelieerde vennootschap Kentivo GmbH opgericht. Kentivo B.V. houdt zich bezig met het ontwikkelen, produceren en uitgeven van software. [A] is middellijk bestuurder van het in november 2012 opgerichte Kentivo B.V.

Zowel [A] als [B] hebben een indirect (aandelen)belang in Kentivo B.V. en/of Kentivo GmbH. Bij e-mailbericht van 25 februari 2014 heeft [A] aan [C] , financieel directeur van Uniserv, medegedeeld dat PQnia de formele bestuurder van Kentivo B.V. is.

In navolging van partijen spreekt het hof hierna ook van Kentivo zonder onderscheid te maken tussen de twee rechtspersonen.

2.9

In de zomer van 2015 bezochten [A] en [B] de Verenigde Staten. Daarbij hebben zij ook een bezoek gebracht aan het bedrijf Anchor Computer, Inc. (hierna: Anchor), een relatie van Uniserv. Op 1 of 2 juli 2015 heeft [A] een Dropbox account opgezet en mede toegankelijk gemaakt voor [D] van Anchor. Op 16 september 2015 is gebleken dat iemand van Anchor via Dropbox toegang had tot een document van Uniserv betreffende een "RfP for W&W Informatik" (request for proposal) van een potentiële klant van Uniserv (die verder W&W wordt genoemd).

2.10

Op 20 oktober 2015 heeft [B] een e-mailbericht aan diverse betrokkenen bij Kentivo verzonden met als onderwerp "Minutes Kentivo weekly call October 20th". Volgens het bericht waren er zeven "attendees", onder wie [A] , [B] en [E] (hierna: [E] ). In het bericht staat onder het kopje "Oppty's" (opportunities) onder meer:

"Barclays: [A] and [E] have a meeting this week in Italy to qualify. Dashboarding oppty.

(...)

Data Warehouse and CDH oppty in Italy - difficult company name, something like Esprintal. [A] and [E] to qualify this week in Italy."

2.11

De voor Italië verantwoordelijke verkoper van Uniserv is [F] (hierna: [F] ). Op 21 oktober 2015 waren [A] en [E] aanwezig bij bezoeken die [F] bracht aan de firma Esprinet en aan Barclays Bank, beide in Italië. Bij het eerstbedoelde bezoek was namens Esprinet aanwezig: [G] (hierna: [G] ). Bij het andere bezoek was [H] (hierna: [H] ) van Barclays Bank aanwezig.

2.12

Bij brief van 21 oktober 2015 heeft Uniserv aan Majam bericht dat zij [A] met onmiddellijke ingang schorst in afwachting van nader onderzoek.

Op 22 oktober 2015 heeft Uniserv aan [B] meegedeeld dat hij voortaan voor de verkoopafdeling van Uniserv zal werken.

2.13

In een LinkedIn-bericht van 28 oktober 2015 heeft [G] van Esprinet het volgende aan [A] geschreven:

"I would like to share what we talked about with our manager and it could be useful to have some concrete to start about.

Thank you, have a nice day."

Op 30 oktober 2015 heeft [I] (hierna: [I] ) van het bedrijf Unlock the Zoo een e-mailbericht aan [G] van Esprinet gezonden, met als onderwerp "Slides based on discussion with [A] ", en met de volgende inhoud:

"Attached you find some slide based on the discussions you had with [A] . As I often work with [A] on concepts like this, he asked me to help out so you had some slides in time for you meeting with your manager. (...)

I am sure [A] will get in touch with you next week as he was not available this week."

Met dit e-mailbericht werden slides (een powerpointdocument) verzonden die betrekking hadden op distributievormen.

2.14

Blijkens berichtgeving van [H] van Barclays Bank heeft [E] op 10 november 2015 slides naar Barclays Bank gemaild, getiteld "Reporting solution - budget indication". De slides hebben betrekking op "dashboard" software.

Bij e-mailbericht van 12 november 2015 heeft [H] aan [F] bericht (oorspronkelijk in het Italiaans, vertaald door [F] in het Engels):

"(...) But first I need a clarification because already [E] few days ago sent us budget and timetable for carrying out the project: and this after having requested information on the number and type of users.

The project description with cost and time was on behalf of the company which is working for, which is not Uniserv but Kentivo, if I'm not mistaken.

At this point I do not know if their proposal is on behalf of Uniserv or whether it is just as Kentivo ...

You can clarify things?"

2.15

Bij brief van 24 november 2015 heeft Uniserv aan Majam bericht dat [A] belangrijke verplichtingen uit het servicecontract heeft geschonden en een omschrijving gegeven van die (gestelde) schendingen. In deze brief heeft Uniserv Majam laten weten dat het redelijkerwijs voor Uniserv niet langer mogelijk is de werkrelatie met [A] voort te zetten en van Majam verlangd dat zij binnen acht weken zou voorzien in een vervanger voor [A] . Na verdere correspondentie heeft Majam bij brief van 19 januari 2016 aan Uniserv onder meer bericht dat zij dit verlangen niet serieus neemt en er niet aan zal voldoen.

De basic fee van art. 3 sub a van het servicecontract van [A] is tot en met oktober 2015 betaald. Bij e-mailbericht van 26 februari 2016 heeft Uniserv aan [A] bericht dat de additional fee als bedoeld in art. 3 sub a voor het jaar 2015 € 35.285,- bedraagt en verzocht om een factuur voor dit bedrag. Het bedrag is niet betaald. Een extra bonus fee als bedoeld in art. 3 sub c is niet betaald.

Op 9 januari 2016 heeft Majam een factuur ten bedrage van € 7.060,58 aan Uniserv doen toekomen, die betrekking heeft op kosten van [A] in het derde kwartaal van 2015. Het gefactureerde bedrag is niet betaald.

2.16

Bij e-mailbericht van 12 november 2015 heeft Uniserv aan [B] medegedeeld dat besloten was dat de drie bestaande CDH-klanten in Nederland met onmiddellijke ingang zouden worden toegewezen aan een andere accountmanager dan [B] . Bij e-mailbericht van 17 december 2015 heeft [B] aan Uniserv bericht dat Uniserv het servicecontract van [B] en de SPA heeft geschonden en dat [B] Uniserv daarvoor aansprakelijk houdt. Bij e-mailbericht van 29 december 2015 heeft [B] Uniserv hiervoor een "notice of default" gegeven en bericht dat hij zich vrij achtte om rechtsmaatregelen te treffen als Uniserv niet uiterlijk op 31 december 2015 haar schendingen zou herstellen. Vanaf eind januari 2016 heeft [B] geen werkzaamheden meer voor Uniserv c.s. verricht.

De basic fee van art. 3 sub a van het servicecontract van [B] is tot en met oktober 2015 geheel betaald. Voor de maanden november en december 2015 is de basic fee gedeeltelijk betaald, namelijk tot € 4.671,- in totaal. Voor de maanden daarna is de basic fee niet betaald. Bij e-mailbericht van 26 februari 2016 heeft Uniserv aan [B] bericht dat de additional fee als bedoeld in art. 3 sub a voor het jaar 2015 nihil bedraagt. Een extra bonus fee als bedoeld in art. 3 sub c is niet betaald.

2.17

Op 19 mei 2016 hebben [A] en [B] een bezoek gebracht aan [J] (hierna: [J] ), werkzaam bij DPD Dynamic Parcel Distribution GmbH & Co. KG (hierna: DPD). DPD is een klant van Uniserv. [J] heeft per e-mail over dit bezoek bericht:

"Both of them wanted to tell why they parted from Uniserv 'from their view'. But there was no bad blood involved."

3 Beoordeling

3.1

In eerste aanleg hebben Majam c.s. vorderingen in conventie ingesteld en hebben Uniserv c.s. vorderingen in reconventie ingesteld. De rechtbank heeft alle vorderingen over en weer afgewezen. In hoger beroep hebben Majam c.s. hun vorderingen gewijzigd en hebben Uniserv c.s. hun vorderingen verminderd.

3.2

Het hof zal eerst de vorderingen van Uniserv c.s. behandelen. Deze luiden in hoger beroep, verkort weergegeven:

A. hoofdelijke veroordeling tot betaling door Majam en PQnia van € 80.000,-;

B. hoofdelijke veroordeling tot betaling door Majam en Johuma van € 50.000,-;

C. verklaring voor recht dat Majam, PQnia en Johuma hoofdelijk aansprakelijk zijn voor schade van Uniserv c.s. wegens schendingen van de serviceovereenkomsten, met veroordeling tot vergoeding van die schade, op te maken bij staat.

3.3

Vordering A van Uniserv c.s. betreft acht deelvorderingen (a tot en met h, zie conclusie van antwoord nr. 340) wegens vier gestelde schendingen van het vertrouwelijkheidsbeding en vier gestelde schendingen van het concurrentiebeding door [A] . Voor elk van die gestelde schendingen vorderen Uniserv c.s. betaling van de in beide bedingen genoemde boete van € 10.000,-.

3.4

Deelvorderingen a, b en e zijn gebaseerd op gebeurtenissen rond het bezoek van Uniserv aan Esprinet (zie rov. 2.11 hiervoor). Deelvordering a is gebaseerd op de stelling dat [A] het vertrouwelijkheidsbeding heeft geschonden door vertrouwelijke informatie over Esprinet te delen met Kentivo.

De rechtbank heeft, sterk verkort weergegeven, overwogen dat Uniserv c.s. niet duidelijk hebben gemaakt welke vertrouwelijke informatie [A] met betrekking tot Esprinet zou hebben gedeeld en met wie.

3.5

Bij grief III hebben Uniserv c.s. aangevoerd dat [A] blijkens de notulen van 20 oktober 2015 (zie rov. 2.10 hiervoor) aan betrokkenen bij Kentivo moet hebben medegedeeld dat Esprinet een "CDH oppty" was. Hieruit blijkt niet alleen de identiteit van een mogelijke klant van Uniserv (Esprinet), maar ook het gebied waarop die mogelijke klant mogelijk een behoefte heeft (CDH). Deze informatie heeft Uniserv op eigen risico en op eigen kosten verkregen. Verder heeft [A] [E] meegenomen naar het bezoek van 21 oktober 2015, aldus Uniserv c.s.

Majam c.s. hebben hiertegen aangevoerd dat Esprinet tot de grotere afnemers behoort in de wereld voor IT-behoeften en dat de IT-behoeften van Esprinet algemeen bekend zijn en vergelijkbaar zijn met die van andere marktspelers. Verder hebben Majam c.s. aangevoerd dat Uniserv intensief samenwerkte met Kentivo.

3.6

Aangezien grief III van Uniserv c.s. mede ziet op de uitleg van het vertrouwelijkheidsbeding, is het hof niet gebonden aan hetgeen de rechtbank daarover heeft geoordeeld.

Majam c.s. hebben zelf gesteld dat [A] en [E] meegingen met een gepland verkoopgesprek van Uniserv met Esprinet als potentiële klant van Uniserv. Uit de omstandigheid dat Esprinet in de notulen van 20 oktober 2015 wordt aangeduid als een "CDH oppty", met de vermelding dat [A] en [E] die week in Italië zijn "to qualify", leidt het hof af dat met de "attendees" bij Kentivo in elk geval de informatie is gedeeld dat Esprinet mogelijk concreet geïnteresseerd was in CDH. Dat is meer informatie dan dat Esprinet behoeften heeft die vergelijkbaar zijn met die van andere grote afnemers in de wereld voor IT-behoeften. Dat meerdere moet worden aangemerkt als "confidential information" in de zin van het vertrouwelijkheidsbeding.

Indien Uniserv intensief samenwerkte met Kentivo, kan uit die enkele omstandigheid niet worden afgeleid dat het [A] vrijstond "confidential information" betreffende Uniserv te delen met Kentivo. Ook uit de omstandigheid dat Uniserv c.s. wisten dat [A] en [B] belangen in Kentivo hadden, kan dat niet worden afgeleid. Ook voor het overige is onvoldoende gesteld om te kunnen aannemen dat dit [A] vrijstond.

Geoordeeld moet worden dat [A] het vertrouwelijkheidsbeding heeft geschonden door vertrouwelijke informatie over Esprinet te delen met Kentivo. De deelvordering van € 10.000,- is toewijsbaar.

3.7

Deelvordering b is gebaseerd op de stelling dat [A] het vertrouwelijkheidsbeding heeft geschonden door vertrouwelijke informatie over Esprinet te delen met Unlock the Zoo. Bij grief III hebben Uniserv c.s. aangevoerd dat [A] mededelingen aan Unlock the Zoo heeft gedaan over de inhoud van het gesprek dat tijdens het bezoek aan Esprinet is gevoerd.

3.8

Het hof verwerpt dit betoog. In het e-mailbericht van 30 oktober 2015 van [I] van Unlock the Zoo (zie rov. 2.13 hiervoor) staat dat [A] aan [I] gevraagd heeft om slides te maken en dat de slides gebaseerd zijn op "the discussions you had with [A] ". Daaruit kan worden afgeleid dat [I] wist dat [A] heeft gesproken met [G] van Esprinet. Dat kan op zichzelf niet als "confidential information" worden aangemerkt. Er kan niet uit worden afgeleid dat Unlock the Zoo enige vertrouwelijke informatie heeft verkregen over de inhoud van een gesprek tussen [A] en [G] . Uit de vaststaande feiten blijkt niet meer dan dat [A] aan [I] heeft medegedeeld dat [G] van Esprinet geholpen zou zijn met slides over distributievormen ten behoeve van een vergadering die [G] zou hebben met een leidinggevende. Dat is geen "confidential information" in de zin van het vertrouwelijkheidsbeding. Uniserv c.s. hebben niet voldoende duidelijk gesteld dat [A] andere vertrouwelijke informatie over Esprinet heeft gedeeld met Unlock the Zoo. Deze deelvordering is dus terecht afgewezen.

3.9

Deelvordering e is gebaseerd op de stelling dat [A] het concurrentiebeding heeft geschonden door te bewerkstelligen of toe te staan dat Kentivo een concurrerend aanbod aan Esprinet deed. De rechtbank heeft, verkort weergegeven, overwogen dat het enkele plan om Esprinet als klant van Kentivo op het gebied van CDH binnen te halen, nog geen schending van het concurrentiebeding oplevert, en dat Uniserv c.s. onvoldoende hebben onderbouwd dat [A] concreet gevolg heeft gegeven aan dat plan en niet hebben gesteld dat de toegezonden slides betrekking hadden op "products that are similar to the Customer Date Hub solution" als bedoeld in het concurrentiebeding.

3.10

Hiertegen komen Uniserv c.s. in grief IV terecht op.

Aangezien de grief mede ziet op de uitleg van het concurrentiebeding, is het hof niet gebonden aan hetgeen de rechtbank daarover heeft geoordeeld.

Uit de hiervoor in rov. 2.10-2.13 weergegeven vaststaande feiten leidt het hof af dat [A] het bezoek aan Esprinet wilde benutten om te onderzoeken of Esprinet zou kwalificeren als mogelijke klant voor Kentivo op het gebied van CDH, dat het bezoek inderdaad heeft plaatsgehad, in aanwezigheid van een tweede bij Kentivo betrokken persoon ( [E] ) en dat [A] na dat bezoek contact met [G] van Esprinet heeft onderhouden door hem op zijn verzoek informatie te doen toezenden over distributievormen. Deze handelwijze van [A] valt onder "solicit orders" als bedoeld in het concurrentiebeding, ook al is een dergelijke order (opdracht) niet gevolgd en was het opgebouwde contact mogelijk nog niet in een stadium waarin concreet over een mogelijke opdracht gesproken werd. Er is dus sprake van schending van het concurrentiebeding. De deelvordering van € 10.000,- is toewijsbaar.

3.11

Deelvorderingen c en f van vordering A van Uniserv c.s. zijn gebaseerd op gebeurtenissen rond contacten met Barclays Bank. Volgens Uniserv c.s. heeft [A] in dat verband zowel het vertrouwelijkheidsbeding als het concurrentiebeding geschonden.

3.12

De gestelde schending van het vertrouwelijkheidsbeding in verband met Barclays Bank is erin gelegen dat [A] blijkens de notulen van 20 oktober 2015 (zie rov. 2.10 hiervoor) aan betrokkenen bij Kentivo moet hebben medegedeeld dat Barclays Bank een "dashboarding oppty" was.

3.13

Uit de omstandigheid dat Barclays Bank in de notulen van 20 oktober 2015 wordt aangeduid als een "dashboarding oppty", met de vermelding dat [A] en [E] die week een bijeenkomst in Italië hebben "to qualify", leidt het hof af dat met de "attendees" bij Kentivo in elk geval de informatie is gedeeld dat Barclays Bank mogelijk concreet geïnteresseerd was in dashboarding software. Ook die informatie gaat verder dan dat Barclays Bank IT-behoeften heeft die vergelijkbaar zijn met andere (grote) afnemers van IT-producten en -diensten en moet worden aangemerkt als "confidential information" in de zin van het vertrouwelijkheidsbeding. [A] heeft het vertrouwelijkheidsbeding dus ook geschonden door vertrouwelijke informatie over Barclays Bank te delen met Kentivo. De deelvordering van € 10.000,- is toewijsbaar.

3.14

Het beroep op het concurrentiebeding heeft de rechtbank verworpen op grond van haar overwegingen, sterk verkort weergegeven, dat de door [E] aan Barclays Bank toegezonden slides (zie rov. 2.14 hiervoor) niet zijn aan te merken als een offerte, dat niet kan worden aangenomen dat zij betrekking hebben op een concurrerend product en evenmin dat de toezending van de slides een vervolg heeft gekregen.

Bij grief IV hebben Uniserv c.s. aangevoerd dat de aan Barclays Bank toegezonden slides betrekking hebben op dashboarding software en dat dit onderdeel is van CDH, met verwijzing naar in het geding gebrachte producties 48-50. Hiertegen hebben Majam c.s. bij memorie van antwoord in het incidenteel appel aangevoerd dat Kentivo niet actief is in customer data management producten, maar in product data management en dat het ene dashboarding product het andere niet is.

3.15

Uit de bedoelde producties 48-50 blijkt dat Grecco dashboarding software inzet. In de aan Barclays Bank toegezonden slides wordt gesproken van "data file", "data store" en "data visualisation" zonder onderscheid tussen "customer data" en "product data". Gelet op dit een en ander hebben Majam c.s. het betoog van Uniserv c.s. onvoldoende gemotiveerd betwist. Als vaststaand moet daarom worden aangenomen dat de dashboarding software waarop de aan Barclays Bank toegezonden slides betrekking hebben, aan te merken is als vallend onder "products that are similar to the Customer Date Hub solution" als bedoeld in het concurrentiebeding. De toegezonden slides noemen een "situation", een "solution", een "realization", een "project team" en een "budget indication". De sheet met de "budget indication" verwijst naar "Standard Terms & Conditions". Mede gelet op de inhoud van de slides valt de handelwijze van [A] onder "solicit orders" als bedoeld in het concurrentiebeding, ook al is er geen opdracht gevolgd op de toezending van de slides. Zijn handelwijze levert dus schending van het concurrentiebeding op. De deelvordering van € 10.000,- is toewijsbaar.

3.16

Deelvordering d van vordering A heeft betrekking op de toegang die Anchor had tot informatie over W&W (zie rov. 2.9 hiervoor). De rechtbank heeft de deelvordering afgewezen op grond van haar overweging, verkort weergegeven, dat Uniserv c.s. onvoldoende hebben onderbouwd dat zij er een redelijk belang bij hadden dat het offerteverzoek van W&W voor Anchor geheim werd gehouden.

3.17

Het staat vast dat [A] aan iemand van Anchor toegang heeft verleend tot een Dropbox account. Niet valt uit te sluiten dat dit tot gevolg heeft gehad dat Anchor (later) toegang verkreeg tot een offerteverzoek van W&W dat niet voor haar was bestemd. Dat is echter onvoldoende om aan te nemen dat [A] het offerteverzoek heeft "disclosed" in de zin van het vertrouwelijkheidsbeding. Daarvoor is nodig dat aan [A] valt toe te rekenen dat het openstellen van het Dropbox account tot gevolg heeft gehad dat Anchor het offerteverzoek kon inzien. Er is onvoldoende gesteld om dat aan te nemen. Bovendien hebben Uniserv c.s. tegenover de gemotiveerde betwisting van Majam c.s. te weinig gesteld om het oordeel te rechtvaardigen dat het offerteverzoek "confidential information" in de zin van het vertrouwelijkheidsbeding bevat. De deelvordering is dus terecht afgewezen.

3.18

Deelvordering g heeft betrekking op de stelling van Uniserv c.s. dat [A] tegen [K] van Anchor heeft gezegd dat Anchor ook IT-producten en -diensten kon afnemen via een bedrijf van [A] .

Tegen de afwijzing van deze deelvordering hebben Uniserv c.s. niet voldoende kenbaar een grief gericht.

3.19

Deelvordering h is gebaseerd op de stelling van Uniserv c.s. dat [A] het concurrentiebeding heeft geschonden door operationeel werkzaam te zijn bij Kentivo.

Nu Uniserv c.s. al boetes hebben gevorderd voor specifieke activiteiten die [A] met Kentivo heeft ontplooid, is er geen ruimte voor een aparte boete voor het – algemene – feit dat [A] activiteiten met Kentivo heeft ontplooid. Een redelijke en voor de hand liggende uitleg van het concurrentiebeding brengt dat mee.

3.20

Vordering A moet – in elk geval in hoger beroep – kennelijk zo worden gelezen dat Uniserv c.s. ook betaling van een boete vorderen wegens schending van het vertrouwelijkheidsbeding door [A] bij het bezoek aan DPD op 9 mei 2016.

De rechtbank heeft, verkort weergegeven, overwogen dat Uniserv c.s. niet hebben toegelicht welke vertrouwelijke informatie [A] aan DPD zou hebben verstrekt.

Bij grief III hebben Uniserv c.s. betoogd dat [A] een belangrijke klant van Uniserv heeft geconfronteerd met "vuile was" over een zakelijk conflict tussen Uniserv en Majam.

3.21

Dit betoog wordt verworpen. Uit het overgelegde e-mailbericht van [J] van DPD (zie rov. 2.17 hiervoor) blijkt niet meer dan dat [A] en [B] hun vertrek bij Uniserv hebben besproken met [J] en dat zij daarbij hun visie daarop hebben gegeven. Het vertrouwelijkheidsbeding kan in redelijkheid niet zo worden uitgelegd dat het [A] verbiedt enige mededeling aan klanten van Uniserv (of aan andere derden) te doen over zijn vertrek bij Uniserv. Het feit dat [A] en [B] bij Uniserv zijn vertrokken, kan niet geheim worden gehouden en kan niet als "confidential information" worden beschouwd. Onvoldoende is gesteld om te kunnen aannemen dat [A] bij het geven van zijn visie daarop vertrouwelijke informatie heeft verstrekt.

3.22

In totaal zijn dus vier deelvorderingen van vordering A van Uniserv c.s. toewijsbaar. Dat is € 40.000,- in totaal. Dit bedrag is toewijsbaar aan Uniserv en tegen Majam, de contractspartijen bij het servicecontract van [A] . Waarom zij ook toewijsbaar zouden zijn aan Grecco of tegen PQnia, zoals gevorderd, is onvoldoende toegelicht.

3.23

Vordering B van Uniserv c.s. betreft vijf deelvorderingen van elk € 10.000,- (a tot en met e, zie conclusie van antwoord nr. 343) wegens drie gestelde schendingen van het vertrouwelijkheidsbeding en twee gestelde schendingen van het concurrentiebeding door [B] .

3.24

De deelvorderingen a en b zijn gebaseerd op de stelling dat [B] het vertrouwelijkheidsbeding heeft geschonden door vertrouwelijke informatie over Esprinet en Barclays Bank te delen met Kentivo.

[B] was "attendee" als bedoeld in de notulen van 20 oktober 2015 (zie rov. 2.10 hiervoor). Hij heeft die notulen per mail rondgestuurd. Daarom moet worden aangenomen dat de betrokkenheid van [B] bij de mededelingen over Esprinet en Barclays Bank aan de (overige) "attendees" bij Kentivo zodanig is dat hij tweemaal het vertrouwelijkheidsbeding heeft geschonden. Twee deelvorderingen van € 10.000,- zijn dus toewijsbaar.

3.25

De deelvorderingen c en d hebben betrekking op Anchor. Volgens Uniserv c.s. heeft [B] in dat verband zowel het vertrouwelijkheidsbeding als het concurrentiebeding geschonden.

[B] was aanwezig bij het bezoek aan Anchor. Dat enkele feit is echter onvoldoende voor toewijzing van enige deelvordering. Over verdere betrokkenheid van [B] bij de gestelde contractsschendingen in verband met Anchor is onvoldoende gesteld. Deze deelvorderingen zijn dus niet toewijsbaar.

3.26

Deelvordering e is gebaseerd op de stelling van Uniserv c.s. dat [B] het concurrentiebeding heeft geschonden door operationeel werkzaam te zijn bij Kentivo. Onvoldoende is toegelicht waarom het enkele daar operationeel werkzaam zijn een schending van het concurrentiebeding zou opleveren.

Voor zover Uniserv c.s. hebben willen stellen dat niet alleen [A] , maar ook [B] het concurrentiebeding heeft geschonden in verband met de contacten met Esprinet en Barclays Bank, hebben zij onvoldoende duidelijk gemaakt welke concrete gedragingen zij in dat verband aan [B] toerekenen. Opmerking verdient dat zij, anders dan bij [A] , in dat verband ook geen boetes hebben gevorderd wegens schending van het concurrentiebeding door [B] . Ook voor het overige hebben zij onvoldoende gesteld om aan te nemen dat [B] het concurrentiebeding heeft geschonden.

3.27

Indien vordering B zo moet worden gelezen dat Uniserv c.s. ook betaling van een boete vorderen wegens schending van het vertrouwelijksheidsbeding door [B] bij het bezoek aan DPD, geldt voor [B] hetzelfde als hiervoor in rov. 3.21 is overwogen in verband met [A] .

3.28

In totaal zijn dus twee deelvorderingen van vordering B van Uniserv c.s. toewijsbaar, dat is € 20.000,- in totaal. Dit bedrag is toewijsbaar aan Grecco en tegen Majam, de contractspartijen bij het servicecontract van [B] . Waarom zij ook toewijsbaar zouden zijn aan Uniserv of tegen Johuma, zoals gevorderd, is onvoldoende toegelicht.

3.29

Vordering C betreft vergoeding van de door Uniserv c.s. geleden schade als gevolg van de schendingen van het vertrouwelijkheidsbeding en het concurrentiebeding van de servicecontracten van [A] en [B] .

3.30

Het vertrouwelijkheidsbeding van het servicecontract van [A] is geschonden door de handelwijzen als hiervoor omschreven onder rov. 3.6 en 3.13. Het concurrentiebeding van het servicecontract van [A] is geschonden door de handelwijzen als hiervoor omschreven onder rov. 3.10 en 3.15. Het vertrouwelijkheidsbeding van het servicecontract van [B] is tweemaal geschonden door de handelwijze als hiervoor omschreven onder rov. 3.24. De mogelijkheid dat Uniserv c.s. door deze schendingen schade hebben geleden, is aannemelijk. In zoverre is vordering C toewijsbaar, ook weer slechts tegen contractspartij Majam. De andere gestelde schendingen van het vertrouwelijkheidsbeding en het concurrentiebeding van de servicecontracten zijn niet komen vast te staan. Vordering C is dus niet toewijsbaar voor zover zij op die gestelde schendingen is gebaseerd.

3.31

Met het voorgaande zijn de grieven III en IV van Uniserv c.s. besproken.

3.32

Blijkens grief I van Uniserv c.s. hebben hun vorderingen geen betrekking op gestelde schendingen van art. 2 van de serviceovereenkomsten. Ook vordering C heeft daar kennelijk geen betrekking op. Grief I betoogt dat deze gestelde schendingen aan de orde dienen te komen bij de beoordeling van de vorderingen van Majam c.s. en grief II motiveert waarom volgens Uniserv c.s. aangenomen moet worden dat van deze schendingen sprake is. De grieven I en II van Uniserv c.s. behoeven geen bespreking in het kader van de beoordeling van de vorderingen van Uniserv c.s.

3.33

Het hof komt thans toe aan beoordeling van de gewijzige vorderingen van Majam c.s. Deze luiden in hoger beroep, verkort weergegeven:

A. betaling van € 600.000,- aan gederfde earn-out;

B. betaling van € 280.000,- aan gederfde bonussen;

C. betaling van € 263.295,- aan gederfde vergoedingen;

D. betaling van € 7.060,- als vergoeding van de in het derde kwartaal van 2015 gemaakte kosten;

alle bedragen te vermeerderen met de wettelijke handelsrente.

3.34

Uniserv c.s. hebben met betrekking tot een aantal door Majam c.s. in hoger beroep ingenomen standpunten aangevoerd dat Majam c.s. die om processuele redenen niet meer kunnen innemen.

Het hof volgt Uniserv c.s. daar niet in. De herkansingsfunctie van het hoger beroep brengt mee dat Majam c.s. bevoegd zijn in hoger beroep, in elk geval bij de eerste memoriewisseling, andere standpunten in te nemen dan zij in eerste aanleg hebben gedaan. Dat is niet in strijd met de eisen van een goede procesorde en levert ook geen misbruik van bevoegdheid op.

Bij de comparitie na antwoord in eerste aanleg heeft de advocaat van Majam c.s. verklaard dat de eerste twee vorderingen, strekkende tot ontbinding van het servicecontract, worden ingetrokken, dat de gevorderde schadevergoeding is gestoeld op wanprestatie en dat het petitum zo moet worden begrepen dat aan Majam dient te worden betaald. Uit geen van deze uitlatingen kan worden afgeleid dat het processuele recht om in hoger beroep andere standpunten in te nemen, ondubbelzinnig is prijsgegeven.

3.35

Grief 1 van Majam c.s. is gericht tegen rov. 4.7 en 4.8 van de rechtbank, waarin de rechtbank onder meer heeft overwogen (i) dat Majam c.s. onvoldoende hebben onderbouwd dat de ondersteuning vanuit de Uniserv-organisatie te weinig is geweest en (ii) dat de belangen van partijen parallel liepen bij de invulling van bepaalde bedingen in de SPA en de servicecontracten. Volgens Majam c.s. heeft de rechtbank hieruit afgeleid dat Uniserv c.s. de servicecontracten vrijelijk voortijdig konden beëindigen.

3.36

Majam c.s. hebben niet duidelijk gemaakt waarom, indien grief 1 slaagt, dit zou leiden tot toewijzing van enige van haar vorderingen (of tot afwijzing van enige van de vorderingen van Uniserv c.s.). Daarom kan grief 1 van Majam c.s. onbesproken blijven bij gebrek aan belang. Hiertoe overweegt het hof als volgt. Majam c.s. hebben, verkort weergegeven, (onder meer) het volgende betoogd. Uit de SPA en de servicecontracten, in onderling verband beschouwd, moet worden afgeleid dat sprake is van een "earn out", dat wil zeggen dat de extra bonus fee van art. 3 sub c van de servicecontracten (in economische zin of anderszins) geacht moet worden deel uit te maken van de koopprijs voor de aandelen in Grecco. Verder hebben Majam c.s. gewezen op art. 2 sub b van de servicecontracten, waarin is bepaald: "Uniserv will provide the utmost support possible to realize the objectives set for". In de nakoming van die verbintenis is Uniserv tekortgeschoten, aldus Majam c.s.

Voor zover Majam c.s. in aansluiting daarop hebben willen betogen dat voornoemde gestelde omstandigheden, hetzij elk afzonderlijk, hetzij in samenhang beschouwd, eraan in de weg staan dat Uniserv c.s. de servicecontracten tussentijds konden beëindigen wegens "deliberate negligent behavior" aan de zijde van [A] en [B] als bedoeld in art. 3 sub f van de servicecontracten, is dat betoog onvoldoende uitgewerkt. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt dat niet in te zien.

Aangenomen moet daarom worden dat Uniserv c.s. de servicecontracten tussentijds mochten beëindigen indien sprake was van "deliberate negligent behavior".

Art. 3 sub f van de servicecontracten bepaalt dat in dat geval art. 3 sub e van de servicecontracten niet van toepassing is. Laatstbedoelde bepaling kan in dat geval dus geen grondslag bieden voor toewijzing van enige van de vorderingen van Majam c.s.

3.37

Vordering A van Majam c.s. is gebaseerd op de stelling dat Uniserv c.s. € 300.000,- per servicecontract verschuldigd zijn op grond van art. 3 sub c en e van beide servicecontracten. Grief 2 van Majam c.s. heeft hier betrekking op. Volgens Majam c.s. zijn beide servicecontracten "terminated by Uniserv" als bedoeld in art. 3 sub e van beide servicecontracten.

3.38

Uniserv c.s. hebben tegen deze vordering onder meer het verweer gevoerd dat sprake is van "deliberate negligent behavior" als bedoeld in art. 3 sub f van de servicecontracten. Dit verweer slaagt. De hiervoor omschreven gedragingen van [A] en [B] in verband met Esprinet en Barclays Bank leveren "deliberate negligent behavior" als bedoeld in art. 3 sub f van de servicecontracten op. [A] en [B] moeten geweten hebben dat deze gedragingen werden verboden door het vertrouwelijkheidsbeding of het concurrentiebeding. Zij hebben willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat zij met die gedragingen de belangen van Uniserv c.s. zouden verwaarlozen of zelfs schaden, terwijl Uniserv c.s. van hen juist mochten verwachten dat zij die belangen zo goed mogelijk zouden dienen. Aan dit alles doet niet af dat Uniserv c.s. wisten dat [A] en [B] belangen in Kentivo hadden.

Vordering A is daarom niet toewijsbaar en grief 2 van Majam c.s. faalt.

3.39

Vordering B is gebaseerd op de stelling dat Uniserv c.s. € 80.000,- per jaar aan "additional fee" over de jaren 2015 en 2016 verschuldigd zijn op grond van art. 3 sub a van het servicecontract van [A] en € 60.000,- per jaar over de twee jaren op grond van art. 3 sub a van het servicecontract van [B] . Grief 4 van Majam c.s. stelt dit aan de orde.

3.40

Volgens de eigen stellingen van Majam c.s. is het servicecontract van

[A] tussentijds beëindigd op 24 november 2015 en dat van [B] rond 1 februari 2016. Dat Uniserv c.s. deze stellingen betwisten, is in dit verband niet van belang. Deze gestelde tussentijdse beëindigingen staan op zichzelf niet in de weg aan toekenning van de additional fee van art. 3 sub a van het servicecontract voor het jaar

2015, voor zover de "targets" zijn behaald als bedoeld in dat artikellid, ook al is er sprake van "deliberate negligent behavior". Uniserv c.s. gaan daar kennelijk ook van uit, want zij hebben in januari 2016 berekeningen van de additional fees over 2015 aan [A] en [B] doen toekomen en in het geval van [A] om toezending van een factuur verzocht. Aangezien Uniserv c.s. in het e-mailbericht van 26 januari 2016 de additional fee voor [A] hebben berekend op € 35.285,-, zal het hof dit bedrag alsnog toewijzen, en wel tegen Uniserv en aan Majam, de contractspartijen bij het servicecontract van [A] . Hieraan staat niet in de weg dat Uniserv c.s. er geen factuur voor hebben ontvangen. Weliswaar bepaalt art. 3 sub b van de servicecontracten dat binnen veertien dagen na ontvangst van de factuur betaald moet worden, maar hieruit kan niet worden afgeleid dat ontvangst van een factuur voorwaarde voor betaling is. Bovendien moet voor Uniserv c.s. duidelijk zijn geweest dat Majam aanspraak maakte op betaling. Zij vordert in dit geding immers zelfs een hoger bedrag als additional fee over 2015 voor [A] . Ook om die reden kunnen Uniserv c.s. een veroordeling niet afwenden met hun beroep op het ontbreken van een factuur.

3.41

Majam c.s. hebben niet gesteld dat [A] of [B] in 2015 of 2016 meer "targets" in de zin van art. 3 sub a van de servicecontracten heeft behaald. Op die grond is vordering B dus niet toewijsbaar. Majam c.s. hebben hun vordering B ook gebaseerd op art. 3 sub e van de servicecontracten, maar zoals hiervoor is overwogen is dat artikellid niet van toepassing wegens "deliberate negligent behavior" van [A] en [B] . In zoverre stuit vordering B daarop af en faalt grief 4 van Majam c.s.

3.42

Vordering C is gebaseerd op de stelling dat Uniserv c.s. € 140.000,- aan "basic fee" (inclusief btw) over de periode november 2015 tot en met december 2016 verschuldigd zijn op grond van art. 3 sub a van het servicecontract van [A] en € 123.295,- aan "basic fee" (inclusief btw) over dezelfde periode op grond van art. 3 sub a van het servicecontract van [B] . Dit is het onderwerp van grief 3 van Majam c.s.

3.43

Zoals hiervoor is overwogen, hebben Majam c.s. zelf gesteld dat het servicecontract van [A] tussentijds is beëindigd op 24 november 2015 en dat van [B] rond 1 februari 2016. Uit art. 3 sub a van het servicecontract volgt dat de basic fee in elk geval moet worden betaald voor de periode tot aan de datum van beëindiging. Het artikellid verbindt daar immers geen voorwaarden aan. Niet kan worden aangenomen dat art. 3 sub b van het servicecontract (betreffende een betalingstermijn en een overzicht van gewerkte dagen) zo dient te worden uitgelegd dat het nadere voorwaarden bevat die moeten zijn vervuld voordat Uniserv c.s. in dit geding tot betaling kunnen worden veroordeeld.

De basic fee voor [A] is tot en met oktober 2015 betaald. Toewijsbaar is dus nog de basic fee voor 24 van de dertig dagen in de maand november 2015. Dat komt uit op € 8.000,- exclusief btw. Dat bedrag zal worden toegewezen aan contractspartij Majam en tegen contractspartij Uniserv.

Voor [B] is voor de maanden november en december 2015 gedeeltelijk betaald en daarna niet meer. De hoogte van het thans voor november en december 2015 gevorderde bedrag van € 14.395,- inclusief btw is onbetwist en zal worden toegewezen. Voor januari 2016 zal € 9.075,- inclusief btw worden toegewezen. Het totaal is € 23.470,- inclusief btw. Dat bedrag zal worden toegewezen aan contractspartij Majam en tegen contractspartij Grecco.

3.44

Hetgeen meer is gevorderd bij vordering C is niet toewijsbaar, omdat er sprake is van "deliberate negligent behavior" van [A] en [B] . Er is dan geen grondslag voor toewijzing van dat meer gevorderde. Grief 3 faalt dus grotendeels.

3.45

Vordering D strekt tot betaling van € 7.060,- als vergoeding van de in het derde kwartaal van 2015 door [A] gemaakte kosten. Grief 5 gaat hierover.

Majam c.s. hebben een factuur van 9 januari 2016 in het geding gebracht, waarin dit bedrag wordt genoemd en per maand wordt uitgesplitst, zonder verdere specificatie en zonder onderliggende stukken om de hoogte van de opgevoerde kosten te onderbouwen. Uniserv c.s. hebben het verweer gevoerd dat zij niet behoeven te betalen, omdat de factuur niet is gespecificeerd en niet is voorzien van bewijsstukken. Gelet op de door [A] in het derde kwartaal van 2015 uitgeoefende functie en de hoogte van de bedragen, acht het hof het gevorderde bedrag echter redelijk. Uniserv c.s. hebben onvoldoende betwist dat [A] deze kosten heeft gemaakt. De vordering zal dus worden toegewezen en de grief slaagt.

3.46

De handelsrente is voor het eerst gevorderd bij memorie van grieven, zonder dat daarbij een datum van ingang is genoemd. De handelsrente zal daarom worden toegewezen vanaf de datum van indiening van de memorie van grieven. Het was reeds eerder voor Uniserv c.s. duidelijk dat Majam aanspraak maakte op betaling van de gevorderde en thans toewijsbaar geachte bedragen. Voor Majam was het duidelijk dat Uniserv c.s. weigerden te betalen. Daarom is voor de ingangsdatum van de handelsrente niet van belang of en zo ja, wanneer voor deze vorderingen een factuur is verzonden.

Alleen voor vordering D zal een eerdere ingangsdatum worden gehanteerd. Dit is de datum die op de factuur wordt genoemd als "due date".

3.47

Grief 6 van Majam c.s. heeft betrekking op de proceskosten. Hierover zal het hof hierna oordelen in rov. 3.49.

3.48

De door Uniserv c.s. gestelde schendingen van art. 2 van de servicecontracten zijn niet van belang voor voorgaande oordelen en ook overigens niet voor de toewijsbaarheid van enige vordering van Majam c.s. Daarom kunnen de grieven I en II van Uniserv c.s. onbesproken blijven.

3.49

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd. Partijen worden over en weer op enige punten in het ongelijk gesteld. Het hof zal de proceskosten daarom compenseren.

4 Beslissing

Het hof:

rechtdoende in principaal en incidenteel appel:

vernietigt het vonnis waarvan beroep;

en opnieuw rechtdoende:

veroordeelt Majam tot betaling van € 40.000,- aan Uniserv en € 20.000,- aan Grecco;

verklaart voor recht dat Majam aansprakelijk is voor de schade die Uniserv c.s. hebben geleden, lijden of zullen lijden als gevolg van de hiervoor in rov. 3.30 bedoelde gedragingen, en veroordeelt Majam tot vergoeding van die schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

veroordeelt Uniserv tot betaling aan Majam van:

€ 35.285,-, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 28 november 2017 tot aan de dag van de voldoening;

€ 8.000,- exclusief btw, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 28 november 2017 tot aan de dag van de voldoening; en

€ 7.060,-, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 23 januari 2016 tot aan de dag van de voldoening;

veroordeelt Grecco tot betaling aan Majam van:

€ 23.470,- inclusief btw, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 28 november 2017 tot aan de dag van de voldoening;

verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten in eerste aanleg, in principaal hoger beroep en in incidenteel hoger beroep draagt;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. G.C.C. Lewin, M.M. Korsten-Krijnen en H. Struik en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 26 februari 2019.