Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:613

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
22-02-2019
Datum publicatie
16-05-2019
Zaaknummer
23-003171-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof heeft de verdachte veroordeeld voor de invoer van cocaïne op Schiphol. Verweren met betrekking tot de airbagmethode en het uit het zicht raken van de koffer worden verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 23-003171-18

Datum uitspraak: 22 februari 2019

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 28 augustus 2018 in de strafzaak onder parketnummer 15-097452-18 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Colombia) op [geboortedag] 1983,

thans gedetineerd in P.I. Ter Apel, Gevangenis, te Ter Apel.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 8 februari 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 60 maanden, met aftrek van de tijd die in voorarrest is doorgebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen, met dien verstande dat het hof de overwegingen van de rechtbank zal aanvullen (naar aanleiding van een verweer in hoger beroep) en dat het hof, gelet op de vordering van de advocaat-generaal, een overweging zal wijden aan de strafoplegging.

Aanvullende overwegingen

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte het hof verzocht het openbaar ministerie niet ontvankelijk te verklaren. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de koffer waarin de drugs zoals tenlastegelegd zijn aangetroffen, die met neppakketten is doorgezonden naar de bagagekelder,

door toedoen van justitie - ondanks observatie- is zoekgeraakt. Hierdoor is het onmogelijk geworden de koffer aan nader onderzoek te onderwerpen, terwijl de verdachte stelt op basis van dat nadere onderzoek het verweer te kunnen onderbouwen dat de koffer zonder dat hij daar weet van had door derden aan zijn naam en vluchtgegevens gekoppeld is.

Het hof overweegt als volgt.

Voor zover de raadsman een beroep heeft willen doen op het bepaalde in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (Sv), is geen sprake van een verweer dat voldoet aan de eisen die daaraan worden gesteld; de raadsman heeft niet duidelijk en gemotiveerd aan de hand van de in dat artikel genoemde factoren aangegeven of sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in het vooronderzoek en tot welk rechtsgevolg dit dient te leiden. Reeds daarom wordt het verweer verworpen.

Overigens is het hof van oordeel dat het enkele feit dat de politie een koffer met nepdrugs uit het oog verloren is, geen aanknopingspunten biedt voor de stelling dat sprake zou zijn van een zeer uitzonderlijk geval waarbij de opsporingsambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan.

Tenslotte maakt het verweer deel uit van een door en namens de verdachte aangedragen alternatief scenario dat mede gelet op het moment waarop het voor het eerst is gepresenteerd –en ter terechtzitting in hoger beroep nog is aangevuld – ongeloofwaardig is. Daarbij neemt het hof nog in aanmerking dat niet is aangevoerd welk onderzoek aan of in de verdwenen koffer tot onderbouwing van het verhaal van de verdachte zou kunnen leiden.

Inhoud van het dossier

Voorts heeft de raadsman in hoger beroep opnieuw gesteld dat, gezien het dossier, de in de koffer aangetroffen drugs ‘kennelijk’ zijn verwisseld met andere drugs.

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat de stelling van de raadsman wordt weerlegd door de inhoud van het dossier. Gezien het proces-verbaal onderzoek verdovende middelen van 18 mei 2018 (2.4) met mutatienummer PL27RP/18-041226 is de partij van 21 pakketten met drugs afkomstig uit de koffer op naam van de verdachte, gecategoriseerd door middel van SIN nummers. Dezelfde SIN nummers en hetzelfde mutatienummer komen terug in het Douanelaboratoriumrapport (2.7). Ook de Kennisgeving inbeslagneming van de cocaïne (los opgenomen document) vermeldt datzelfde mutatienummer. Bovendien komt het in het proces-verbaal onderzoek verdovende middelen (2.4) genoemde nummer van de fouilleringszak met de cocaïne overeen met het nummer dat zichtbaar is op de foto’s in de bijlage bij dat proces-verbaal. Het enkele feit dat op de foto’s in die bijlage een ander mutatienummer dan het bovengenoemde te zien is, maakt niet dat moet worden geconcludeerd dat sprake is van een verwisseling, in aanmerking genomen dat de vermelding van het andere mutatienummer op die foto’s blijkens het proces-verbaal van 18 mei 2018 (2.5) berust op een vergissing

Beslag

Uit het dossier, met name uit de uitgelezen en uitgeluisterde berichten in de telefoon van de verdachte, blijkt dat de verdachte een geldbedrag ‘voor de reis’ heeft ontvangen van ‘Amigo’ dan wel zijn vriend [naam] die hem, terwijl de verdachte zich op Schiphol bevond, steeds telefonisch instructies heeft gegeven. Bij de politie heeft de verdachte gezwegen over de herkomst van het geld en eerst ter zitting in eerste aanleg heeft hij verklaard dat het bij hem aangetroffen geldbedrag in dollars van hemzelf was. Op basis daarvan is het hof van oordeel dat moet worden geconcludeerd dat het bedrag van USD 1.094,= dat onder de verdachte in beslag is genomen, ter beschikking is gesteld door de organisatie die de cocaïne heeft doen invoeren. Daarom dient dit geldbedrag verbeurd verklaard te worden.

Strafoplegging

Anders dan de advocaat-generaal ziet het hof geen aanleiding de verdachte een hogere straf op te leggen dan de straf die hem in eerste aanleg is opgelegd. Het hof heeft daarbij de hoeveelheid cocaïne die de verdachte heeft ingevoerd in aanmerking genomen en gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zoals die ter zitting in hoger beroep naar voren zijn gebracht. De door de rechtbank opgelegde gevangenisstraf doet voldoende recht aan de ernst van het feit.

BESLISSING

Het hof:

Bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.J.A. Duker, mr. R.D. van Heffen en mr. M.L.M. van der Voet, in tegenwoordigheid van mr. A. Scheffens, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 22 februari 2019.

Mr. R.D. van Heffen en mr. M.L.M. van der Voet zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.