Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2019:609

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
22-02-2019
Datum publicatie
03-06-2019
Zaaknummer
23-002553-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Zedenzaak. Het hof heeft de beheerder van een sportpark veroordeeld voor de aanranding van een meisje van 17. Naast de straf wordt het opleggen van een contactverbod noodzakelijk geacht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 23-002553-18

Datum uitspraak: 22 februari 2019

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 2 juli 2018 in de strafzaak onder parketnummer 15-002969-18 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 1964,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 8 februari 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Gelet op de in hoger beroep door het gerechtshof toegelaten wijziging is aan de verdachte ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 26 april 2017 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, in elk geval in Nederland, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, [slachtoffer] (geboren op [geboortedag 2]) (telkens) heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, te weten

- het betasten van de borst(en) en/of de billen van die [slachtoffer] en/of (enige tijd later)

- het zoenen op de wang van die [slachtoffer] en daarbij tegelijkertijd het betasten van de borst van die [slachtoffer] en/of

- ( vervolgens) het omdraaien van het lichaam van die [slachtoffer] waardoor zij met haar rug tegen de buik van hem, verdachte, kwam te staan en/of

- ( vervolgens)het betasten van de binnenkant van het dijbeen van die [slachtoffer]

en welk geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid hieruit bestond:

- het onverhoeds en plotseling overgaan tot bovengenoemde handelingen, en/of

- dat hij, verdachte, zich in de opening van de balie waarachter die [slachtoffer] zich bevond, heeft gepositioneerd, waardoor hij de doorgang voor die [slachtoffer] blokkeerde en/of zij niet achter de balie vandaan kon komen en/of

- terwijl hij, verdachte door het leeftijdsverschil tussen hem en die [slachtoffer] en door het aanzien wat hij, verdachte, had bij de honkbalvereniging een feitelijk overwicht had op die [slachtoffer] waardoor hij, verdachte, voor die [slachtoffer] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan waaraan zij zich niet kon ontrekken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Bewijsoverwegingen

Anders dan de verdediging is het hof op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen van oordeel dat de verdachte de aangeefster heeft aangerand.

De verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep, dat hij aangeefster met haar toestemming slechts tweemaal een vriendschappelijk bedoelde knuffel heeft gegeven omdat hij het koud had, acht het hof niet aannemelijk. Daarbij neemt het hof in aanmerking de aangifte, de ondersteuning daarvan door het bericht dat aangeefster direct na het incident aan haar vriend heeft gestuurd en de berichten die de verdachte na de tweede knuffel aan aangeefster heeft gestuurd, inhoudende dat hij nooit zo vrijpostig had moeten zijn en dat hij bang is dat zij een naar gevoel heeft gekregen.

Uit het dossier is naar voren gekomen dat de verdachte de aangeefster op twee verschillende momenten heeft aangeraakt en betast. De verdachte heeft daarbij met zijn handen haar billen en borst(en) aangeraakt, heeft haar op de wang gezoend, heeft haar vanuit een zittende positie omhoog getrokken en vervolgens omgedraaid als gevolg waarvan zij met haar rug tegen zijn buik kwam te staan en heeft met zijn hand de binnenkant van haar dijbeen aangeraakt.

Tussen het eerste en het tweede contact heeft de verdachte aangeefster een bericht gestuurd, inhoudende:

‘Hey vriendin, ik vind je wel ECHT lekker warm. Lekker hoor!’ De inhoud van dit bericht duidt naar het oordeel van het hof, binnen de context van hetgeen daarvoor was voorgevallen, op een intieme toenadering met een seksuele lading van de kant van de verdachte.

Het incident heeft zich afgespeeld in de winkel van het sportpark waar beiden lid of werkzaam waren; aangeefster zat/stond achter de kassa, die zich op de balie nabij de ingang van de winkel bevond. De omstandigheid dat tussen de balie en het raam daarachter de ruimte beperkt is, heeft in hoger beroep niet ter discussie gestaan. De verdachte heeft de beschreven handelingen zodoende verricht op een plaats waar aangeefster - al dan niet door haar eigen feitelijke positie en die van de verdachte - weinig bewegingsruimte had. Voorts heeft hij haar onverhoeds benaderd en betast met een zodanige kracht, dat het aangeefster niet lukte de hand van verdachte bij haar billen weg te duwen. Door zijn handelen in de beschreven context heeft de verdachte - in aanmerking genomen zijn feitelijk overwicht als beheerder van het sportpark, dat aangeefster naar eigen zeggen (daarom) naar hem op keek en gezien het grote leeftijdsverschil tussen beiden (verdachte was destijds [leeftijd 1] jaar oud, aangeefster was [leeftijd 2]) - opzettelijk een situatie veroorzaakt waarin het voor de aangeefster zo moeilijk was zich aan die handelingen te onttrekken dat zij door de verdachte gedwongen werd tot het dulden daarvan. De omstandigheid dat de aangeefster gehoor heeft gegeven aan zijn eerste verzoek om ‘een knuffel’, doet niet af aan de dwang waaronder zij zijn daarop volgende aanrakingen heeft moeten dulden.

In het licht van het voorgaande is het hof van oordeel dat de beschreven grensoverschrijdende handelingen van seksuele aard van de verdachte als ontuchtig kunnen worden gekwalificeerd en acht bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de aanranding zoals tenlastegelegd.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 26 april 2017 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, door een feitelijkheid [slachtoffer], geboren op [geboortedag 2], telkens heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen, te weten

- het betasten van de borst en de billen van die [slachtoffer] en (enige tijd later)

- het zoenen op de wang van die [slachtoffer] en daarbij tegelijkertijd het betasten van de borst van die [slachtoffer] en

- ( vervolgens) het omdraaien van het lichaam van die [slachtoffer] waardoor zij met haar rug tegen de buik van hem, verdachte, kwam te staan en

- ( vervolgens) het betasten van de binnenkant van het dijbeen van die [slachtoffer] en

welke feitelijkheid hieruit bestond:

- het onverhoeds en plotseling overgaan tot bovengenoemde handelingen, en

- het zich in de opening van de balie waarachter die [slachtoffer] zich bevond, positioneren, waardoor hij de doorgang voor die [slachtoffer] blokkeerde en zij niet achter de balie vandaan kon komen en

- terwijl hij, verdachte door het leeftijdsverschil tussen hem en die [slachtoffer] en door het aanzien wat hij, verdachte, had bij de honkbalvereniging een feitelijk overwicht had op die [slachtoffer] waardoor hij, verdachte, voor die [slachtoffer] een situatie heeft doen ontstaan waaraan zij zich niet kon onttrekken.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezen verklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

feitelijke aanranding van de eerbaarheid, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 180 uur waarvan 80 uur voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Voorts heeft de rechtbank de verdachte naast de algemene ook een bijzondere voorwaarde (contactverbod) opgelegd.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van één dag en een taakstraf voor de duur van 180 uur, waarvan voorwaardelijk 80 uur, met een proeftijd van twee jaren en als bijzondere voorwaarden een contact- en een locatieverbod.

De raadsman van de verdachte heeft in het kader van de straf(maat) het volgende aangevoerd. Als gevolg van dit feit heeft de sportvereniging de samenwerking met de verdachte opgezegd en heeft hem mondeling te verstaan gegeven dat hij niet meer welkom is. De verdachte heeft daarom zijn zoon, die ook actief lid is van de vereniging, lange tijd niet ‘thuis’ zien spelen, terwijl hij dat wel graag zou willen. De echtgenote van de verdachte is gestopt met haar vrijwillig werk voor de vereniging. De verdachte is noodgedwongen een eigen klusbedrijf begonnen, waarmee hij net het hoofd boven water kan houden.

Al met al is de verdachte al voldoende gestraft en zou hij in dit geval als first-offender hooguit een voorwaardelijke taakstraf opgelegd moeten krijgen. Het opleggen van verboden zoals gevorderd door de advocaat-generaal acht de raadsman overdreven.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte, werkzaam als beheerder van een sportpark, heeft zich schuldig gemaakt aan de aanranding van aangeefster, een meisje van [leeftijd 2] dat werkzaam was in de winkel van de sportvereniging. Door zijn feitelijk overwicht in samenhang met zijn fysieke positie en het onverhoedse van zijn handelwijze heeft hij een minderjarig meisje zodanig klem gezet, dat zij zich niet aan zijn herhaalde aanrakingen kon onttrekken. Hij heeft daardoor een inbreuk gemaakt op haar lichamelijke integriteit. De verdachte heeft met zijn gedrag voorrang gegeven aan zijn eigen behoeftes en heeft op geen enkele manier rekening gehouden met de nadelige gevolgen van zijn handelen. Getuige de verklaring van de moeder van aangeefster ter terechtzitting in hoger beroep, heeft het incident een grote impact op haar dochter gehad en heeft zij nog lange tijd geworsteld met mentale en andere gezondheidsklachten naar aanleiding daarvan. Ook nu nog, bijna twee jaar na dato houdt het incident, dat zij door de behandeling in hoger beroep nog niet heeft kunnen afsluiten, haar bezig. Het hof rekent de verdachte zijn grensoverschrijdend gedrag zeer aan.

Anders dan de raadsman is het hof van oordeel dat enkel een geheel voorwaardelijke straf geen recht doet aan de aard en de ernst van het feit. Aan de ernst van het feit wordt naar het oordeel van het hof wel voldoende recht gedaan door oplegging van een taakstraf in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 25 januari 2019 is hij niet eerder strafrechtelijk veroordeeld.

Het hof acht, alles afwegende, een taakstraf van na te melden duur passend en geboden. Daarnaast zal het hof, gelet op de aard en de ernst van het feit, de verdachte een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen. In het kader van de proeftijd van twee jaren acht het hof, gelet op de beschreven getuigenis van de moeder van het slachtoffer ter zitting in hoger beroep, een contactverbod jegens aangeefster in dit geval aangewezen.

Anderzijds ziet het hof, het belang van het slachtoffer afwegend tegen het persoonlijke belang van de verdachte en gelet op het tijdsverloop sinds het bewezenverklaarde feit, onvoldoende grond voor het opleggen van een locatieverbod als bijzondere voorwaarde naast het reeds op te leggen contactverbod met het slachtoffer.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57 en 246 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 2 (twee) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat het de veroordeelde gedurende de volledige proeftijd verboden is contact te leggen of te laten leggen met [slachtoffer], geboren op [geboortedag 2], zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 100 (honderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 50 (vijftig) dagen hechtenis.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. R.D. van Heffen, mr. M.J.A. Duker en mr. M.L.M. van der Voet, in tegenwoordigheid van mr. A. Scheffens, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

22 februari 2019.

Mr. R.D. van Heffen en mr. M.L.M. van der Voet zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

=========================================================================

[…]